Hij bleek goddank de aanslag overleefd te hebben. De kogel had hem “schampscheuts wijse” geraakt, schreef Jacob Bicker Raye in zijn dagboek. Maar hij was er akelig aan toe, vooral door de val van de preekstoel. Terwijl men de pasteur provisorisch verbond, werd op het Walenplein voor de kerk de booswicht overmand. De koster wist een onchristelijke lynchpartij te voorkomen en de man werd afgevoerd naar de Boeyen onder het stadhuis op de Dam. Dezelfde dag nog werd hij verhoord. Het bleek de 25-jarige bakkersknecht Jean Langel te zijn, die geboren was in Metz en ruim negen jaar in Amsterdam woonde.

Hij gaf weliswaar een verklaring voor zijn daad, maar erg helder was die niet: “Segt om dat het een toovenaar is, en hem gevangene zedert drie jaren houd in de keetenen des duyvels, en hem niet heeft willen verlossen, schoon hij hem daer om gebeeden heeft.” Schout en schepenen zaten opgescheept met een psychotische man die werd geplaagd door waandenkbeelden. Justitie liet in de dagen erna een stoet getuigen ondervragen om de achtergrond van Jean te achterhalen. Hij bleek zich voornamelijk in de Franstalige gemeenschap te hebben opgehouden. Er was een tolk voor nodig om iedereen die een rol in zijn Amsterdamse leven had gespeeld te kunnen verhoren (een verplichte cursus Nederlands bestond nog niet).

‘Twee harten in zijn lyff’

Om het verhaal boven tafel te krijgen sprak men met zijn eerste werkgever, César de Passies (Caesar de Passius), een bakker in de Rozendwarsstraat. Daar had Jean van april 1748 tot april 1749 naar tevredenheid gewerkt. Daarna was hij bakkersknecht geworden bij Henriette Willemars, die een bakkerij in de Bloemstraat dreef. Zij verklaarde dat hij sedert 1752 “allerlei gekheden begon uit te bedryven, als met snagts op te staan, door het huys te loopen, nagt en dag, somtyds op het dak, (…) dan huilende, dan zingende, zeggende dat hij twee harten in zijn lyff hadde, en daarvan het eene moest smelten.” Zij had de hulp van Pierre Garrach ingeroepen, diaken van de Waalse gemeente, die in Utrecht een oom van Jean wist op te sporen, maar deze bleek zijn neef niet te kunnen helpen.

Ook de diaken werd als getuige gehoord. Hij verklaarde dat hij de kwestie met de andere diakenen had besproken en had onderzocht of Jean in verzekerde bewaring gesteld kon worden, omdat hij met zijn aanstootgevend gedrag de Waalse gemeente in diskrediet dreigde te brengen. Terwijl dat speelde, had de broodbakster Jean ontslagen. Hij was erin geslaagd daarna een nieuwe baan te vinden bij bakker Isaac la Coste in de Kalverstraat. Die had hem op 25 april 1755, dus een half jaar voor de aanslag, in dienst genomen. Deze verklaarde voor de schepenen dat ze op de bakkerij al snel merkten dat hij “dwaalende gedagten hadde over de religie”. Zo had hij eens het Nieuwe Testament uit de bijbel gescheurd “seggende dat die bladzijden hem toekwamen”. Tenslotte was hij weggebleven van zijn werk. De laatste getuige was ouderling Paul le Maitre. Deze vertelde dat Jean met zijn dochter had willen trouwen, en dat hij dat had afgewezen.

Jean was daarna nog eens midden in de nacht radeloos langs geweest om de vader om te praten, waarop deze gedreigd had de ratelwacht te roepen als hij niet snel maakte dat hij wegkwam. Le Maitre, een rijke koopman, zal wel een andere partij in zijn hoofd hebben gehad voor zijn dochter, die Antoinette Pauline heette en die even oud was als Jean. Haar moeder was Jeanne La Coste, dus er was een familieband tussen het bakkersgezin in de Kalverstraat en de ouderling. Wellicht heeft hij haar ook in die bakkerij ontmoet. Waarom de teleurgestelde en verwarde Jean het nu speciaal op dominee François had voorzien, bleef echter tijdens de verhoren geheel buiten beschouwing. Bicker Raye weet dat te verhelderen: op verzoek van Le Maitre had de dominee een poging gewaagd om hem dat huwelijk uit zijn hoofd te praten. Vanaf dat moment moet Jean, die al tekenen van godsdienstwaanzin vertoonde, helemaal door het lint zijn gegaan en moet hij ervan overtuigd zijn geraakt dat Le Maitre en zijn handlanger, de dominee, duivels waren die erop uit waren hem het leven onmogelijk te maken.

Kogelgaten

Op 18 november besloten de schepenen Jean Langel over te brengen naar het Rasphuis, “gebleeken zynde, dat deeze gevangene niet wel by zyne sinnen was”. Een merkwaardig vonnis, want dergelijke gevallen hoorden in het Dolhuis thuis. Tot dat inzicht kwamen de schepenen dan ook in 1764. Daar overleed hij in 1777, toevallig vlak bij de kerk waar hij bijna 27 jaar die mislukte aanslag had gepleegd. De kerk waarin zich het incident afspeelde is een prachtige kerk met een schitterende akoestiek, waar nu naast kerkdiensten van de église wallonne ook vaak concerten worden gehouden. Het is de voormalige kapel van het Convent der Sint Paulusbroeders.

De kerk die er nu nog staat is in 1496 gewijd. Bij de Alteratie in 1578 woonden er nog acht broeders, die de rest van hun leven mochten slijten in de erachter gelegen provenierswoningen van het Sint Jorishof. De kerk werd in 1586 in gebruik genomen door de Franse protestanten (hugenoten) die en masse naar het noorden waren getrokken om aan vervolging te ontkomen. Toen een eeuw later er weer een exodus van Fransen op gang kwam door de intolerante godsdienstpolitiek van Lodewijk XIV, werd de Waalse kerk - in 1661 nog vergroot met een zuidbeuk - te klein en kwam er op het Molenpad een tweede, gevestigd in een voormalige schermschool. In de oude Waalse kerk zijn nog heel lang sporen te zien geweest van het drama. Tot de restauratie in 1991-1992 zijn de kogelgaten in de pilaar achter de preekstoel nog zichtbaar geweest.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman
Prent: Stadsarchief
Oktober 2006