“Moge Buitenveldert een sieraad worden van Amsterdam, waar het nageslacht het stadsbestuur blijvend dankbaar voor zal zijn.” Zo besloot Commissaris van de Koningin van de Provincie Noord Holland M.J. Prinsen op 2 juni 1958 zijn toespraak in een bouwkeet op de zandvlakte waarop Buitenveldert zou verrijzen. Hij had enthousiast gesproken over de “fascinerende problematiek van Groot-Amsterdam” en gepleit voor een “stadsgewest” om problemen met randgemeenten te voorkomen. De toekomst was wat hem betreft aan stadsuitbreiding met precies de uitgekiende mix van laagbouw en torenflats die men voor Buitenveldert in petto had. De commissaris zelf hanteerde die ochtend de troffel bij het metselen van de eerste steen en burgemeester G. van Hall van Amsterdam keek samen met zijn echtgenote tevreden toe.

De eerste paal was al een half jaar eerder de grond in gegaan en is nog te bewonderen op de hoek van Bouvigne en Kastelenstraat. Het was snel gegaan. In het vroege voorjaar van 1955 waren de zandzuigers in de Binnendijkse Buitenveldertse Polder met hun werk begonnen. Ze spuitten een bruin-grijze modderbrij kilometers ver het land in. De grond werd twee tot tweeënhalve meter opgehoogd met zand dat door sleepboten in bakken was aangevoerd uit de omgeving van Nigtevegt en Nederhorst den Berg. Zo werd het gebied tussen Amstelveenseweg, Kalfjeslaan, Amsteldijk en Ringspoordijk klaargemaakt voor de bouw van Buitenveldert. Bij boer Zadelhof van hoeve Pingelenhof hing de vlag halfstok. Voor zijn bedrijf in de polder was het afgelopen en hij was niet de enige agrariër die moest wijken voor de energieke stadsuitbreiding na de Tweede Wereldoorlog.

Slechts zand

Amsterdam bouwde aan de toekomst. Een enkeling had oog voor wat in deze jaren voor altijd onder het zand verdween. Zo iemand was de verslaggever van De Nieuwe Dag, die in de krant van 15 december treurde over het onderspuiten van de vertrouwde Buitenveldertse Wandelweg zoals hij en zijn tijdgenoten die nog kenden. “Als het straks voorjaar wordt, zullen er geen verliefde paartjes stijf-gearmd over het romantische weggetje kuieren, geen hengelaar zal zijn snoektuig meer in de Boerenwetering uitwerpen in de hoop een kapitale mossnoek te verschalken. Het landschap zal niet meer gemarkeerd worden door vreedzaam grazende zwart-bonte koebeesten. Zover het oog reikt zal men slechts zand zien, het zand van de opbouw, het zand van de uitbreiding, het zand van de vooruitgang”, aldus de verslaggever van De Nieuwe Dag, de Amsterdamse editie van dagblad De Tijd.

Buitenveldert was na Slotermeer, Slotervaart, Geuzenveld, Osdorp en Overtoomse Veld de volgende na-oorlogse Amsterdamse tuinstad op rij. De bebouwing aan de zuidrand van de stad was al opgenomen in het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), dat de gemeenteraad in 1935 goedkeurde. In de na-oorlogse uitwerking van het plan voor Buitenveldert was meer ruimte voor particuliere bouwondernemers dan in de Westelijke Tuinsteden. Dat leidde tot differentiatie in de bouw en een wat luxere uitstraling. In de volksmond werd Buitenveldert al vroeg “de zilverkust” genoemd. Tot de aantrekkelijkheid van de nieuwe tuinstad zou de nabijheid van de Amstel en het Amsterdamse Bos sterk bijdragen. Ook in de rest van de wijk was voorzien in veel groen.

Geplaveide straat

“Bouvigne, het woningkasteel dat als een Tibetaans klooster oprijst uit de Zandvlakte van de Buitenveldert, is vandaag door zijn eerste bewoners bezet.” Dezelfde man van De Nieuwe Dag die een paar jaar eerder nog treurde over het lot van de Buitenveldertse Wandelweg, raakte in de krant van 1 mei 1959 bij de oplevering van de eerste woningen toch ook in een lyrische stemming over wat ervoor in de plaats kwam. “Alsof hun dierbaar bezit bedreigd werd, zo haastten zich de sleutelbezitters naar hun eigen huis. ‘Bouvigne’ mag dan een nauwelijks geplaveide straat zijn in een zanddoorstoven vlakte bij de Kalfjeslaan, het was daar vanmorgen een complete markt”.

Het was druk in de net opgeleverde Kastelenbuurt, vooral ook door de aanwezigheid van allerlei leveranciers die de nieuwe bewoners hun waren en diensten aanprezen. De eerste bewoners van Buitenveldert hadden weinig boodschap aan alle belangstelling, want ze waren bezig met het boenen en schrobben van de holle ruimten waar ze in zouden komen te wonen. Een van hen liet de eerste dag al om tien uur in de ochtend een verhuiswagen voorrijden, maar de meeste waren daar volgens De Nieuwe Dag nog niet aan toe. “Wij voelen ons nog als Adam en Eva”, vertelde ons mevrouw Weide onder het soppen van de keukenvloer. De heer Weide traint zich al voor een dagelijkse fietstocht naar zijn kantoor aan de Keizersgracht.”

Zon vrij spel

In de huiskamer heeft het zonlicht door de grote ramen vrij spel en alles is praktisch ingericht. Vader leest de krant, moeder breit een jumper en de kinderen buigen zich over een boek. Als ze uitgelezen zijn, vermaken ze zich op de speelplaats vlakbij. Zo zou het in tuinstad Buitenveldert volgens de bedenkers worden, maar de eerste tijd bleef het behelpen. Vader moest door een zandwoestijn naar zijn werk en moeder wist zich geen raad met het stof en zand dat het huis werd binnengelopen. De kinderen amuseerden zich het liefst op bouwterreinen in de omgeving en daar lag het gevaar van vallen en bezeren natuurlijk op de loer. De ijscoman kwam langs in heel Amsterdam, maar niet in Buitenveldert.

“De straten dragen namen die door Bordewijk bedacht zouden kunnen zijn: Gageldonk, amberg, Tongelaer, Aldendriel”, schreef de poëtische verslaggever van De Nieuwe Dag in de krant van 23 november 1959. Hij was Buitenveldert nog steeds niet vergeten en bracht een bezoek aan de eerste “woestijnbewoners”. Een inspectie van het winkelassortiment wees uit dat brood, groenten, kruidenierswaren, bloemen, kolen en tabak voor handen waren. Dat viel dus reuze mee. Maar “voor een klosje garen moet je toch echt wel naar de stad”, vertelde een bewoonster die over de situatie werd ondervraagd. Erg blij waren de pioniers van Buitenveldert met de pas geplaatste telefooncel en een eigen girobus, ook al stond die laatste wel een beetje scheef.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman
Juni 2008