De kwestie-Geelkerken werd in gang gezet door één van de ouderlingen die op 23 maart aanwezig was bij de preek in de Schinkelkerk, gelegen schuin tegenover de ingang van het Vondelpark op de Amstelveenseweg (nu nummer 136). Het was broeder H. Marinus, vaak aangeduid als slager van beroep, maar volgens een familielid dat in 1998 werd geïnterviewd door het Nederlands Dagblad een vriendelijke procuratiehouder. Marinus was geschokt door wat Geelkerken gezegd had over de zondeval, zoals die wordt beschreven in Genesis 3:1-8, het verhaal van Eva die aangezet door de slang van de appel eet. Volgens Marinus werd in de preek van Geelkerken “het duidelijk bericht der Heilige Schrift over de eerste zonde des menschen, waar het de toedracht der feiten betreft in twijfel getrokken”. Hij verklaarde aan de kerkenraad van Amsterdam-Zuid dat hij de preken van dominee Geelkerken niet meer kon bijwonen.

De kerkenraad legde de zaak voor aan Geelkerken. Die liet weten dat hij op 23 maart “van schets” gesproken had, maar hij zette het desbetreffende deel van de preek alsnog op schrift. Volgens de dominee zelf had hij onder andere gezegd dat het vaak moeilijk is uit te maken hoe bijzonderheden in Genesis 3 moeten worden uitgelegd. Hij had erop gewezen dat er “schier evenveel verklaringen als geleerde uitleggers” bestaan en daaraan het volgende zinnetje toegevoegd: “Denk maar aan den boom der kennis des goeds en des kwaads, de slang en haar spreken, den boom des levens enz.” Overigens had hij daarna de gemeente gewaarschuwd zich hierdoor niet van de wijs te laten brengen en de zondeval een historisch feit genoemd.

Een noodlottige kettingreactie

Op 3 april verklaarde de kerkenraad de klacht van broeder Marinus ongegrond. Hiermee had de zaak de wereld uit geweest kunnen zijn, maar in plaats daarvan zette zich een noodlottige kettingreactie in beweging. Marinus ging niet akkoord, weigerde een gesprek met Geelkerken en zocht het hogerop. Geelkerken wilde ook van geen wijken weten en weigerde nadere schriftelijke verklaringen af te leggen. Via de classis (vertegenwoordigers van de gezamenlijke gemeenten) van Amsterdam en de particuliere synode kwam de zaak terecht bij de buitengewone generale synode in Assen, die Geelkerken op 11 maart 1926 schorste als predikant. Nog geen week daarna werd hij uit het ambt gezet. De meerderheid van de kerkenraad van Amsterdam-Zuid bleef Geelkerken steunen, ook na het synodebesluit.

Op de avond van de schorsing brachten corpsstudenten van de Vrije Universiteit Geelkerken een ovatie bij zijn woonhuis in de Sophialaan. Het inmiddels opgerichte Comité-Geelkerken organiseerde een adhesiebijeenkomst in het Concertgebouw, waar Geelkerken werd toegezongen met psalm 121: “Hij is, al treft U ’t felst verdriet, Uw Wachter.” Na afloop werd de dominee door aanhangers naar huis begeleid. Toen Geelkerken de zondag nadat hij was geschorst toch gewoon voor zijn ochtendpreek naar de Parkkerk aan de Gerard Brandtstraat ging, moest er politie aan te pas komen om de massale opkomst in goede banen te leiden. Er was niet genoeg plaats in de kerk, die 1200 gelovigen kon herbergen. Na afloop van de dienst brachten de Geelkerkianen hun voorman door het Vondelpark in optocht naar huis. Bij de avondpreek in de Schinkelkerk verliep het rustiger, maar toen was de politie inmiddels voorbereid.

Over de vraag hoe de gemoederen destijds zo verhit konden raken, is sindsdien veel geschreven. Achteraf bleek dat de verhoudingen binnen de Gereformeerde Kerk in Zuid al sinds de komst van Geelkerken in 1915 verslechterd waren. Van begin af aan boterde het niet tussen Geelkerken en zijn ambtgenoot ds. A. van Dijken. De oudere Van Dijken wilde het liefst alles bij het oude laten, Geelkerken kwam met allerlei nieuwe opvattingen – bijvoorbeeld over de invoering van nieuwe gezangen. Hier was sprake van een generatieconflict, dat zich overigens ook in de rest van de Gereformeerde Kerk en vooral ook op de Vrije Universiteit afspeelde. In Amsterdam-Zuid kwam daarbij nog de sociale tegenstelling tussen de cum laude gepromoveerde notariszoon Geelkerken enerzijds en de boerenzoon Van Dijken anderzijds. Deze tegenstelling zette zich voort in de gemeente als geheel: in de Vondelparkbuurt woonden duidelijk andere mensen dan in de Schinkelbuurt en de weilanden daarachter. Vriend en vijand waren het er ten slotte over eens dat het karakter van Geelkerken een rol speelde bij de escalatie: hij hield van het gevecht en woog zijn woorden bepaald niet op een goudschaaltje.

De boedelscheiding

De Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid viel in 1926 uit elkaar. Een klein deel van de gemeente conformeerde zich aan het besluit van de synode, Geelkerken en zijn geestverwanten organiseerden zich apart in de Gereformeerde Kerken (in Hersteld Verband). Het kwam ook letterlijk tot een boedelscheiding. De Parkkerk werd toegewezen aan Geelkerken en zijn aanhangers – met naast Geelkerken de beroemde doorbraakdominee J.J. Buskes als voorman - en werd een verzamelpunt van progressieve protestanten. Overigens voelden ook andere gereformeerden zich aangetrokken tot het nieuwe kerkgenootschap, bijvoorbeeld omdat ze vonden dat de synode van Assen de plaatselijke autonomie van de gemeente met voeten had getreden. In 1946 sloten de Hersteld Verbanders zich aan bij de Hervormde Kerk. De Parkkerk bleef ook nadien een centrum van progressieve christenen en zat met name in de jaren zeventig vol toen Huub Oosterhuis en pater Van Kilsdonk er op eigentijdse wijze voorgingen in de dienst. Tegenwoordig huisvest de Parkkerk onder andere het Amsterdam Dance Center.

De Schinkelkerk bleef nog tot 1974 in gebruik. Jaar na jaar kwamen er minder gelovigen naar de dienst. In 1968 - toen de Gereformeerde Kerk in Nederland officieel afstand nam van het Assense synodebesluit van 1926 - werd het plan opgevat om dominee Buskes uit te nodigen voor een verzoeningspreek in de Schinkelkerk (Geelkerken was inmiddels overleden). Uiteindelijk moesten de verzoende gereformeerden toch uitwijken naar de Raphaëlkerk op het gelijknamige plein, omdat de Schinkelkerk inmiddels niet genoeg zitruimte meer bood. De Schinkelkerk werd in 1977 verkocht en tegenwoordig biedt het gebouw onderdak aan een duikschool en een winkel voor duik- en snorkelbenodigdheden (waaronder rubber slangen).

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman
Foto: Uitgeverij H.W. Monsees/Stadsarchief
Februari 2003