Wat heeft zich op die bewuste avond precies afgespeeld op het stukje Amstel tussen Heren- en Keizersgracht? In de latere verhalen was sprake van een verdachte bezoeker in een lange mantel. Verder waren op de gracht verschillende andere duistere figuren gesignaleerd, ook al gekleed in ruimvallende gewaden en gewapend met degens. In het Amsterdamse Gemeentearchief liggen nog de verklaringen van een paar ooggetuigen die door de schout werden gehoord. Hun verhaal is wat nuchterder.

Lijsbeth Gerrits, het dienstmeisje van Van Beuningen, verklaarde dat omstreeks zeven uur een man aan de deur kwam die de burgemeester zeer dringend moest spreken, ‘al soude hij de heele nacht nae hem soucken’. Ongeveer tegelijkertijd verscheen een knecht van het Postcomptoir die een brief afgaf voor de burgemeester. Deze Gerrit Schaeff vertelde de schout dat hij een koets had zien aankomen waaruit een man was gestapt. Dat was de Amsterdamse koopman Abo geweest, die Van Beuningen wilde spreken maar te horen kreeg dat hij niet thuis was. Abo kwam om kwart voor negen nog een keer terug, maar toen werd helemaal niet meer opengedaan. Daarna liep hij op de gracht tegen een vrouw op en hoorde vervolgens twee mannen bij de brug aan de vrouw vragen of hij Van Beuningen was.

Amsterdam lag dwars

Geheimzinnigheid troef, maar al met al was er niets gebeurd. De schout achterhaalde geen bewijzen voor kwade bedoelingen van de onbekende bezoeker of de twee mannen bij de brug. Vooral opvallend is de achterdocht bij het personeel van Van Beuningen. De burgemeester ging al een tijdje niet meer in zijn eentje over straat, want ook hem waren de geruchten over een aanslag ter ore gekomen.

De politieke atmosfeer in Amsterdam was in het vroege voorjaar van 1684 gespannen. De stad lag overhoop met stadhouder Willem III, omdat ze weigerde in te stemmen met de legeruitbreiding die deze nodig achtte om de expansieve politiek van de Franse koning Lodewijk XIV een halt toe te roepen. Willem III had niet de reputatie snel in te binden als hij zijn zin niet kreeg. Het lag nog vers in het geheugen hoe zijn politieke tegenstrevers Johan en Cornelis de Witt in de zomer van 1672 in Den Haag door een woedende oranjegezinde volksmenigte waren mishandeld en vermoord. Coenraad van Beuningen was een bekende van de stadhouder. Hij had als vooraanstaand diplomaat zelfs eensgezind met hem samengewerkt, maar inmiddels was een ernstige verwijdering ontstaan. Van Beuningen was voor de stadhouder de belichaming van het Amsterdamse verzet tegen zijn streven om zijn positie in de Republiek te versterken. Willem III stond erom bekend dat hij buitengewoon haatdragend was.

Drie dagen na de sinistere gebeurtenissen rondom Van Beuningens huis werd de voortvluchtige misdadiger Joan van Banchem aangehouden in Amsterdam. Deze voormalige baljuw van Den Haag was in 1680 op beschuldiging van corruptie en moord ter dood veroordeeld, maar was elf dagen voor de zogenaamde aanslag op miraculeuze wijze uit de Haagse Gevangenpoort ontsnapt. Van Banchem werd ervan beschuldigd de geheimzinnige bezoeker te zijn geweest met het oogmerk de burgemeester te vermoorden.

Vastgesteld werd dat hij op 17 maart was teruggekomen bij het huis aan de Amstel, Van Beuningen zelfs even gesproken had, maar weer verdwenen was nadat deze in woede was ontstoken. Verder bleek dat Van Banchem aan Van Beuningen een brief had geschreven, waarin hij de burgemeester als tegenprestatie voor eerder bewezen diensten om hulp en bescherming vroeg. Van Banchem had in 1672 trouwens een opruiende rol gespeeld bij de moord op de gebroeders De Witt en dat maakte hem extra verdacht. Hij was ook jarenlang een beschermeling van stadhouder Willem III geweest.

Huis met de bloedvlekken

De naam van Van Banchem is altijd verbonden gebleven met de mislukte ‘aanslag’ op Van Beuningen, maar hij heeft het nooit toegegeven. Na een jaar verhoord te zijn in Amsterdam, werd hij weer overgebracht naar Den Haag. Burgemeester Van Beuningen blééf geloven dat Van Banchem met snode plannen bij hem aan de deur was geweest, maar pleitte in een brief aan de Amsterdamse schout wel voor verbetering van de omstandigheden waaronder deze gevangen werd gehouden.

Met Van Beuningen zelf zou het ook slecht aflopen. De onverzoenlijke opstelling van Willem III en de geruchten over een aanslag grepen hem sterk aan. In de Amsterdamse politiek verdween hij steeds meer naar de achtergrond en in 1686 trad hij af als burgemeester. Hij sleet de rest van zijn leven als ambteloos burger in zijn huis aan de Amstel, waar hij de buurt regelmatig liet opschrikken door vlagen van razernij en krankzinnigheid. Zijn huis staat tot op de dag van vandaag bekend als het Huis met de Bloedvlekken. In de gevel is nog te zien hoe hij tijdens zijn aanvallen zijn naam en allerlei mystieke tekens in het zandsteen kraste, volgens de Amsterdamse volksoverlevering met zijn eigen bloed.

Van Banchem overleed in 1694 in gevangenschap. Van Beuningen was hem al in 1893 voorgegaan. Willem III had zich nog in het jaar van de ‘aanslag’ met Amsterdam verzoend. Vier jaar later, in 1688, leidde hij zelfs met steun van Amsterdam een invasie in Engeland en werd koning van dat land. Hij ging de geschiedenis in als koning-stadhouder en als de leider van de Europese coalitie die de Franse koning Lodewijk XIV zijn plaats wees. Van Beuningen was voor zijn zegepraal uiteindelijk maar een kleine hindernis geweest. Dat Willem de Amsterdamse burgemeester uit de weg heeft willen laten ruimen is nooit bewezen. Ook zonder aanslag was Van Beuningen buitenspel komen te staan. Misschien wel effectiever dan een moord dat had kunnen doen, hadden de geruchten hun werk gedaan.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman
Beeld: Jan van Call/Stadsarchief
November-December 2006