“Ik had een wapenbroeder, geen dapperder dan hij…” Zo luiden de eerste regels van het soldatenlied waarvan de organist de klanken liet horen na afloop van de mis. Intussen verliet de familie Verleun de Boomkerk en zus Do wist het later nog precies. De door haar opgetekende herinneringen aan Jan worden bewaard bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en verschenen in boekvorm onder de naam Soldaat in het verzet. De belofte die Jan Verleun het leven kostte. We lezen erin dat de familie verrast was dat bij de mis door verschillende mannenstemmen gezongen was. Men hield het erop dat een van de vrienden van Jan de priesters had overgehaald tot dit eerbewijs en besteedde er verder geen aandacht aan.

Na de mis keerde de familie Verleun terug naar het huis van de ouders van Jan: Admiraal de Ruijterweg 369, driehoog, schuin tegenover de Boomkerk. Daar was Jan Verleun opgegroeid in een diep gelovig katholiek gezin. In de meidagen was hij als soldaat bij de IJssel gewond geraakt en via een kennis uit zijn diensttijd terecht gekomen bij de verzetsgroep CS-6. Jan pleegde een aantal belangrijke aanslagen, waaronder de liquidatie van generaal H.A. Seyffardt op 5 februari 1943. Die was als ‘commandant van het Nederlands Vrijwilligerslegioen’ verantwoordelijk voor de rekrutering van Nederlandse jongens voor de Waffen SS. Jan Verleun werd verraden en op 4 november 1943 werd hij opgepakt op de hoek Amstelveenseweg/Zocherstraat. Hij werd op 4 januari 1944 op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag gefusilleerd. Hij was toen 24 jaar oud.

Een ongelukkig misverstand

“Zijn er nog grenzen?” was de kop boven een artikel over de requiemmis voor Jan Verleun in het nummer van vrijdag 28 januari 1944 van Volk en Vaderland, de krant van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Het blad had aanstoot genomen aan de meerstemmige mis en misschien nog wel meer aan het spelen van het soldatenlied na afloop. De verontwaardiging betrof eigenlijk meer algemeen de afwijzende opstelling tegenover de NSB van de katholieke kerk en die van de pastoor van de Boomkerk in het bijzonder. De dag dat het artikel werd gepubliceerd, werden pastoor C.W. van den Bosch en pater P.L.J. van Houdt aangehouden en overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. Ook de anoniem gebleven organist die het gewraakte lied had gespeeld werd gearresteerd.

De achterblijvers konden de zondag erna slechts bidden voor de behouden thuiskomst van de mannen. En dat gebed werd verhoord! Al de volgende dag konden ze terug naar Amsterdam.

Na terugkeer werd pastoor Van den Bosch bestookt met vragen van parochianen over de mis voor Jan Verleun. Hij antwoordde daarop openhartig en schrok er niet voor terug de feiten in brieven te bevestigen. Eén van die brieven kwam terecht in Volk en Vaderland van 18 februari 1944 en daarin stond ook een verklaring voor het feit dat het soldatenlied ‘Ik had een wapenbroeder’ was gespeeld: “De organist was een invaller, die niet eens wist, dat de Requiemmis was voor Verleun. Hij was pas uit Berlijn gekomen, waar hij drie en een half jaar organist was geweest en waar hij ontelbare malen na een requiemmis dat lied had gespeeld.” Blijkbaar berustte alles op een misverstand: een lied dat in nazi-Duitsland gewoonlijk voor gesneuvelde Rooms-katholieke soldaten werd gespeeld had aan de Admiraal de Ruijterweg geklonken voor een verzetsman én oud-strijder van het Nederlandse leger.

Herren, Sie sind entlassen,” hadden de gevangenen op 31 januari te horen gekregen nadat ze op het Binnenhof in Den Haag waren verhoord door professor Heinrich Nelis, Sachbearbeiter op kerkelijk gebied van de Sicherheitsdienst (SD). De Haagse belevenissen van de pastoor, de pater en de organist zijn nauwgezet vastgelegd in het ‘Overzicht der feiten’ dat Van den Bosch later opstelde (en nu in het Gemeentearchief van Amsterdam wordt bewaard). Van den Bosch noteerde daarin dat hij na het verhoor aan Nelis had gevraagd of hij als pastoor van de Boomkerk kon aanblijven. Het antwoord was: “Ja, indien u vanaf den preekstoel verklaart, dat het spelen van genoemd lied buiten Uw voorkennis en tegen Uw wil is geschied en dat U het voorgevallene betreurt.” De pastoor legde de kwestie vervolgens voor aan bisschop J.P. Huibers van Haarlem en die besliste: “Geen verklaring afleggen. Niets doen. Krijgt u daardoor moeilijkheden, dan kunt u zich op mij beroepen”.

Ontevreden katholieke NSB’ers

Die moeilijkheden kwamen op 28 februari 1944. Toen werd Van den Bosch ontboden bij de SD in Amsterdam en daar werd hem te verstaan gegeven dat het hem verboden werd de functie van pastoor uit te oefenen. Bovendien moest hij Noord-Holland onmiddellijk verlaten. Het bisdom Haarlem ging hier officieel niet mee akkoord, maar benoemde op 2 maart 1944 toch een plaatsvervanger: pater Van Houdt, de man die de mis voor Jan Verleun had opgedragen! De dag daarop verliet Van den Bosch de provincie Noord-Holland.

Alles wijst erop dat de Duitsers de zaak van de requiemmis eigenlijk niet de moeite waard vonden. Het rumoer werd vooral veroorzaakt door één of meer ontevreden parochianen van de Boomkerk, die lid waren van de NSB. Al in het nummer van 25 november 1942 van het NSB-blad ’t Werkende Volk had ene ‘Siegfried’ zich beklaagd dat hem als nationaal-socialist geweigerd was zijn huwelijk in de Boomkerk te laten inzegenen. Dat was trouwens volledig in overeenstemming met de richtlijnen van het episcopaat. Ook werd pastoor Van den Bosch verweten geen haast te hebben gemaakt met de verwijdering van de letters ‘O.Z.O.’ (Oranje Zal Overwinnen) die in juli 1941 - bekroond door de ‘W’ van Wilhelmina - waren aangebracht op de muur van de Boomkerk.

Van den Bosch werd tijdens zijn ballingschap door het bisdom ondergebracht in Gouda en zou pas na de bevrijding in Amsterdam terugkeren. Het is opmerkelijk dat hij in zijn (niet voor publicatie bestemde) ‘overzicht der feiten’ benadrukt dat het bij de requiemmis voor Jan Verleun ging om een “eenvoudigen Uitvaartdienst” en aantekent dat hij zelf niet eens bij de mis aanwezig was. Hij voegt eraan toe dat het gewraakte soldatenlied buiten zijn voorkennis is gespeeld: “Ik zou het zelf trouwens nooit hebben toegestaan.”

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman
Foto: Ino Roël/Stadsarchief
Mei 2006