Op zondag 19 februari 1617 werd het huis van koopman Rem Bisschop kort en klein geslagen door een menigte jongeren, bijgestaan door wat volwassenen. Rem, echtgenote Lysbeth en hun twee dochtertjes konden ternauwernood het vege lijf redden. De schade door de vernielingen in hun huis, het huidige Singel 138, becijferde Rem op ƒ5000,-. De gealarmeerde schout was met wat dienaren op het toneel verschenen toen de ruiten al waren ingeslagen, maar meteen weer vertrokken met het argument dat hij geen opdracht van het stadsbestuur had om de hele dag te blijven. Waarna het plunderen en vernielen kon beginnen.

Het incident vond plaats tijdens het Twaalfjarig Bestand in de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje. Zeer tegen de zin van het Amsterdams stadsbestuur was het bestand bewerkstelligd door landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt en ingegaan in 1609. Twee jaar eerder was er al een wapenstilstand overeengekomen. Amsterdam zag de profijtelijke kaapvaart aan haar neus voorbijgaan; reden voor de stadsbestuurders om voor voortzetting van de oorlog te pleiten. Maar dit keer trokken ze in de Staten-Generaal aan het kortste eind.
Echt rustig waren de jaren van het Bestand niet. Het land werd verscheurd door godsdiensttwisten tussen voor- en tegenstanders van bepaalde dogma's van de reformatorische kerk, een strijd die verstrengeld raakte met de houding tegenover de Spanjaarden. Het ging tussen een rekkelijke en een precieze duiding van geloofszaken in relatie tot het zielenheil. Was de mens door het ondoorgrondelijke goddelijke raadsbesluit voorbeschikt om al of niet tot de hemelse zaligheid te worden geroepen, zoals Calvijns predestinatieleer bepaalde, of speelde de vrije wil van de mens ook een rol?
De twee Leidse hoogleraren in de theologie François Gomaer (Gomarus) en Jacob Harmensz (Arminius) stonden tegenover elkaar. Arminius huldigde een rekkelijker standpunt over de predestinatie dan Gomarus en bepleitte tolerantie in geloofszaken. Toen zijn aanhangers (de arminianen) een verzoekschrift tot tolerantie indienden bij de Staten-Generaal – een 'remonstrantie' (verweerschrift) – werden zij remonstranten genoemd. De gomaristen reageerden met een contraremonstrantie en kregen zo de naam contraremonstranten.

Preekstoel

Arminius kwam omstreeks 1559 in Oudewater ter wereld. Als kleuter verloor hij zijn vader. De dominee man de jongen onder zijn hoede en stuurde hem naar de Latijnse school in Utrecht. Zo ontliep hij het lot van zijn familie, die het leven liet toen de Spanjaarden het stadje in 1575 uitmoordden. Hij had het geluk dat het Amsterdamse Kramersgilde in 1581 besloot om zijn studie in Genève te betalen. Het gilde had een potje voor religieuze verplichtingen, zoals het lezen van missen voor het zielenheil van gildebroeders. Na de Alteratie (protestantse machtsovername) in 1578 moest een nieuwe bestemming voor dat geld gevonden worden en op voorspraak van Laurens Jacobsz Reael (wiens dochter Lysbeth hij later trouwde) viel de student uit Oudewater in de prijzen. Voorwaarde was dat hij zich na zijn studie als predikant in Amsterdam zou vestigen. Zo kwam het dat Arminius eind 1585 zijn eerste dienst in de Oude Kerk leidde. Tot zijn benoeming als Leidse hoogleraar in 1603 bleef hij in Amsterdam op de preekstoel. Zes jaar later overleed hij, vermoedelijk aan tbc.
In zijn Amsterdamse tijd kreeg Arminius het aan de stok met collega Plancius (Pieter Platevoet), een rechtzinnige Vlaming die de Zuidelijke Nederlanden ontvlucht was en óók in 1585 als predikant in Amsterdam aantrad. Plancius had behalve theologie ook wiskunde gestudeerd en ontpopte zich als een cartograaf en geograaf die doordeweeks de preekstoel gebruikte om aan zeelieden zijn kennis over te brengen. 's Zondags preekte hij fel tegen vrijzinnige opvattingen, zoals hij die bij zijn collega bespeurde. Op zijn beurt kwam Arminius veel gelovigen tegen die in gewetensnood waren omdat ze te horen kregen dat God hen mogelijk niet had uitverkoren voor het hiernamaals, hoe godvruchtig ze ook probeerden te leven.

Bavianen

Allengs kregen de theologische geschilpunten een politieke lading. Arminius hoorde bij de vredespartij en de verdenking rees dat hij Spaansgezind was en door het Brusselse hof betaald werd. Verdacht was ook dat hij zich beriep op kerkvader Augustinus: dat deden de katholieken ook, hij was gewoon een halve katholiek! En wie de vrije wil van de mens een rol gaf in het verkrijgen van de goddelijke genade, morrelde aan Zijn almacht. Dat was ketters!
Opgehitst door Vlamingen die zelf door katholieken vervolgd waren en daardoor weinig ophadden met Rome en de paus, gingen de rechtzinnige calvinisten in de arminianen bedreigers zien van de onafhankelijkheid van de Nederlanden. Arminius had het bovendien opgenomen voor de vroeg-16de-eeuwse Utrechtse paus Adrianus. Die was volgens hem vergiftigd omdat hij de kerk wilde hervormen. Was er beter bewijs voor Arminius' ketterse gedachtegoed? Calvijn had de paus immers de antichrist genoemd!
Tijdens de jaren van het Bestand gingen stadsbesturen die tot de vredespartij behoorden, zoals Rotterdam, ertoe over om contraremonstrantse predikanten te beletten hun ambt uit te oefenen binnen het stedelijke rechtsgebied. De predikanten weken vervolgens naar dorpen daarbuiten uit om te preken en hun aanhang was bereid over de modderige paden daarheen te wandelen. De pesterij zette kwaad bloed bij deze 'slijkgeuzen', die op hun beurt de remonstranten 'bavianen' noemden.
Eind 1615 werd in Amsterdam de Waalse predikant Simon Goulart afgezet vanwege zijn remonstrantse opvatting over de predestinatie. Zijn aanhang ging nu kerken in Vreeland en Abcoude, maar vond dat toch wat al te ver weg en begin 1617 stelde houtkoper Johannes Sweersen zijn huis op Vlooyenburg beschikbaar voor kerkdiensten. Er kwamen zo'n 60 à 80 mensen op de Franstalige diensten af. De vierde keer dienst was in het Nederlands, met Christiaan Sopingius uit Warmond als voorganger. Maar liefst 250 mensen waren gekomen en zo'n toeloop kon het huis niet verwerken.

Scheurmakers

Een nieuwe ruimte werd gevonden op de Kromboomssloot (toen Dwarsboomssloot geheten), waar op zondag 12 februari in een pakhuis de eerste dienst plaatsvond. Een groep opgeschoten jongens belaagde het pand door met stenen te gooien, terwijl binnen een doopdienst gaande was. Rechtzinnige predikanten weigerden namelijk te dopen als de ouders gezakt waren voor een examen in geloofskwesties. Maar het aantal kerkgangers was groter dan de aanvallers, die het onderspit dolven. Wel werden Rem Bisschop, zijn zwager Jacob Laurensz Reael en de moeder met haar pasgedoopte baby belaagd. Ze konden zich ternauwernood redden door de nabijgelegen brouwerij De Haen in te vluchten. Onderschout Arent Ellertsz Haen was met zijn dienders op de rel afgekomen, maar hield zich afzijdig. Het interieur van het pand – het nog steeds bestaande pakhuis Schottenburg – werd geheel vernield.
Nu verschenen er ook schotschriften tegen de remonstranten op de muren en er werd stemming gemaakt om een volgende kerkdienst van de 'scheurmakers' te voorkomen. Deze dienst zou de volgende zondag (19 februari) plaatsvinden, werd er gedacht, en misschien wel bij Rem Bisschop, die ze achterna hadden gezeten in de Nieuwmarktbuurt. Hij bewoonde een kapitaal pand op het Singel (destijds –tevergeefs – herdoopt in Koningsgracht) en al om acht uur 's morgens ontstond er een oploop voor de deur en vlogen de eerste stenen door de ruiten. Bisschop wist met hulp van anderen de luiken te sluiten en snelde naar de zolder, waar hij alarm sloeg door op een beddenpan te slaan en "Brand! Brand!" te roepen.

Godloos

Oud-burgemeester Cornelis Pietersz Hooft, die verderop woonde, schreef later een getuigenverslag van het gebeurde. Om half tien verscheen opperschout Willem van der Does, met zijn 71 jaar vergrijsd in het vak, begeleid door acht dienders. Terwijl hij op de stoep de menigte duidelijk probeerde te maken dat er geen kerkdienst in het pand was, bleef iemand met stenen gooien. Onverstandig, de man werd gevat. Natuurlijk eiste de menigte zijn vrijlating en om de gemoederen te bedaren haalde Bisschop de schout over hem inderdaad op vrije voeten te stellen. Tot zijn afgrijzen vertrok de schout vervolgens. Rond elf uur werd de huisdeur ingeramd.
Van zijn buren moest Bisschop het niet hebben. Schepen Volkert Overlander (hij woonde in het kapitale door Hendrick de Keyser gebouwde, dubbele herenhuis De Vergulde Dolfijn, Singel 140-142) was nog wel naar burgemeester Reynier Pauw gelopen, 25 huizen verderop, maar die wilde eerst overleg plegen met de andere burgemeesters over de aanpak van het oproer.
Ooggetuige Hooft (de vader van de vermaarde auteur Pieter Cornelisz Hooft) beschreef hoe de aanvallers "na die schandelijke beroving en godloose vernieling van spijs en drank, in de winter opgeslagen in de kelder, met velerlei inboedel uit den huize komen, tot dat de Heeren Regenten in tamelijke getaele sijn verschenen: welk gesicht dat snoodt geselschap terstond verstrooide." Meer dan 1000 mensen keken toe. Bisschop wist nog wel wat kostbaarheden in de tuin van Overlander te gooien en zijn geweer te begraven, hij was bang dat ermee geschoten zou worden.
Zijn vrouw Lysbeth Philips de Bisschop vluchtte naar het huis van haar broer Jan (lid van de vroedschap) op de Herengracht, dat grensde aan hun tuin. Toen dat huis ook bedreigd werd, klom ze over schutting naar diens buurman burgemeester Gerrit Jacobs Witsen. Ze viel, kwam akelig terecht en was zelfs even 'in onmaght'. Eenmaal binnen voegde ze Witsen toe: "Ja Mijn Heer, dit zijn de vruchten van de predikatien uwer Predikanten, die het volk soo ophitsen tegen ons." Ze was niet op haar mondje gevallen.

Bescherming

De ophitsing was effectief geweest: de meeste omstanders zagen het molesteren met instemming gebeuren. "Godt heeft dit de kinderen ingegeven: 't is hun geopenbaard, dat d'Arminianen 't land aen den Spanjaert zoeken te brengen, en Godt werkt door deze jongens om hen dat te beletten", schreef de remonstrantse dominee Gerard Brandt een halve eeuw later in zijn Historie der Reformatie. Het vraagstuk van de predestinatie ging menigeen overigens boven de pet, stelde hij vast. Een arrestant verklaarde dat hij mee had gedaan omdat de arminianen durfden te beweren "dat Godt den eenen mensch tot de verdoemenis heeft geschaapen, en den andere tot de saeligheit". Brandt: "Soo weinig verstond hij de leere van de gene daer hij tegens ijverde."
Nadat het rumoer was verstomd en Bisschop met zijn vrouw de schade kon opnemen, verscheen eindelijk dan burgemeester Pauw op het toneel. Tot tranen toe geroerd zag hij hoe er was huisgehouden. Nu pas kreeg het echtpaar bescherming van soldaten. De dag erop moesten ze al optreden om een oploop bij de achterbuurman, zwager en broer Jan, in de kiem te smoren. Er kwam een keur die samenkomsten van remonstranten verbood, evenals geweldpleging tegen hen. Maar het lastig vallen van remonstranten hield niet op en menig remonstrantse koopman liet het stadsbestuur weten de stad te gaan verlaten, omdat het niet voor hun veiligheid kon instaan. Dat gaf de doorslag: de economie mocht niet geschaad worden. Soldaten, schutters en ratelwacht gingen patrouilleren.
Na de staatsgreep van stadhouder Maurits van Oranje (1618) en de gerechtelijke moord op hun geestverwant Johan van Oldenbarnevelt (1619) kwamen de remonstranten nog meer onder druk te staan. Ook in Amsterdam. Rem Bischop werd ontboden op het stadhuis. In zijn plaats ging zijn vrouw Lysbeth. Tegen de regenten zei ze dat ze nog liever zelf in de gevangenis zou gaan dan haar onschuldige man te sturen en zelfs bereid was haar leven om zijnentwil te verliezen. Daar hadden de heren niet van terug.

Lysbeth

Een jaar later (1621) greep Lysbeth in toen de Hoornse remonstrantse predikant Dominicus Sapma werd gearresteerd omdat hij in Amsterdam het verbod op de remonstrantse eredienst – uitgevaardigd op de Dordtse Synode die de overwinning van de contraremonstranten had bezegeld – aan zijn laars lapte. Toen ze zag dat hij als een misdadiger werd geboeid, zei ze tegen de dienders dat de protestanten tijdens de 'paepse vervolgingen' vaak netter behandeld werden. Dat maakte indruk en hij werd losgemaakt. (Sapma wist later uit het Rasphuis te ontsnappen door een list van zijn vrouw.) Indruk maakte Lysbeth ook toen ze tegen kerkenraadsleden zei dat haar man niet zou verschijnen voor hun vergadering. "Uw streken zijn ons meer bekend dan u denkt."
Het kille godsdienstige klimaat verzachtte na het overlijden van prins Maurits. In 1630 mochten de remonstranten weer eigen erediensten houden en vier jaar later richtten ze een eigen predikantenopleiding op, het Remonstrants Seminarium. Kopstuk van deze instelling was Rem Bisschops broer Simon, die zijn naam had verlatijnst in Episcopius.
Lysbet Bisschop overleefde haar man 27 jaar en stierf in 1652 op 86-jarige leeftijd. Ze was toen zeer vermogend; de lucratieve Oostzeehandel van haar echtgenoot had ze met haar schoonzoon succesvol voortgezet. Op de Prinsengracht liet ze twee pakhuizen bouwen, waarvan er één nog bestaat op het huidige nummer 261. Ernaast is het Anne Frank Huis, waar de boodschap van tolerantie wordt uitgedragen.

De pest

Begin 1617 waren in Amsterdam de eerste gevallen van pest geconstateerd, de aanzet tot een epidemie in de zomer. De ziekte leidde meestal al na drie dagen tot een smartelijke dood en werd destijds door velen gezien als een gesel Gods, een goddelijke bestraffing van de zondige mensheid. Mogelijk kan de pestepidemie deels de agressie tegen 'ketters' als Rem Bisschop verklaren. Zijn vrouw Lysbet was overigens een van de weinigen die van de pest genas, nadat ze besmet was geraakt in Koningsbergen (het huidige Kaliningrad).