“De klappen klinken hier zo mooi.” Zo verdedigde toenmalig directeur Martijn Sanders in de pers het boksgala van 25 november 1985 in het Concertgebouw. Boksteam Albert Cuyp bokste die dag tegen een team uit Hongarije om het 50-jarig bestaan te vieren van de VBSK: de Vereniging tot Bescherming van het Schoolgaande Kind, waaruit de boksclub in 1967 was voortgekomen. Voor Sanders was het een proefballon om een oude traditie van stal te halen. Bokswedstrijden waren in de jaren twintig en dertig schering en inslag in het Concertgebouw. Zelfs tot in de jaren vijftig werd de grote zaal nog af en toe leeg gehaald om plaats te maken voor een heuse boksring.
De pers en veel publiek was het boksspektakel anno 1985 een doorn in het oog, een verkwanseling van de muziektempel aan een grove sport. Veel leverde het ook niet op. “Tweeduizend mensen in het Concertgebouw, prins Bernhard als eregast op de eerste rij”, zo haalde een van de trainers later in de Volkskrant herinneringen op. “We hadden een stoommachine tegen die deur aan en een speaker, een echte, ingehuurd van Veronica, en zo’n spot de zaal in. 25 november 1985. Dat was tegelijkertijd de doodsteek van de Cuyp. Al die promotors in de zaal gingen natuurlijk die jongens achterna zitten met contracten, ze werden allemaal rijk, weet je. Er werden er vier prof en vier stopten met boksen, want die zagen hun vriendjes niet meer.” Één keer, maar nooit weer.
Eenmalig was ook de transformatie van het Concertgebouw in een voetbaltheater. Op 3 juni 2003 nam oud-Ajacied Aaron Winter in de grote zaal officieel afscheid van het profvoetbal. Marco van Basten was er, Ronaldo de Lima, Winters clubmaat bij Lazio Roma Giuseppe Signori en vele anderen. Er lag een kunstgrasveld in de zaal en op het podium zongen leden van het Koor van De Nederlandse Opera club- en andere voetballiederen. Ook een serieuze scheidsrechter ontbrak niet: Mario van der Ende leidde het minitoernooi onder de naambordjes van Bach, Mozart, Beethoven, Brahms en andere grote componisten uit tijden dat voetbal nog niet bestond.

Kampioenschap figuurrijden
Het is niet zo gek als het lijkt. Van meet af aan moest het Concertgebouw, dat op 11 april 1888 zijn deuren opende, meer zijn dan louter een klassieke concertzaal. De NV Het Concertgebouw stelde zich in 1882 ten doel een concertgebouw voor Amsterdam op te richten en te exploiteren. En die exploitatie nam men serieus. Natuurlijk was het bedoeld als een muziektempel, neergezet om een volwaardig symfonieorkest een plek te geven. Niet voor niets nam architect Adolf Leonad van Gendt de grote zaal van het in 1884 gebouwde Neue Gewandhaus in Leipzig als model. Maar de grondleggers stelden zich flexibel op aangaande het gebruik van het gebouw.
Ze handelden in de geest van de tijd. Aan het eind van de 19de eeuw stond amusement in de kinderschoenen en een ruimte waar amusement plaats kon vinden, moest als zodanig gebruikt worden. Maar er was nog een andere reden: het zakelijk inzicht van de particulieren die aan de wieg van het project stonden. Het gebouw was ingericht op multifunctioneel gebruik. “De noodzakelijkheid, het eigenbelang gebood dat reeds”, schreef D.H. Joosten in 1887 in Weekblad de Amsterdammer.
De abonnementsconcerten van het eigen orkest vormden de signatuur van het Concertgebouw, maar niemand keek op van het ‘kampioenschap figuurrijden voor velocipedes’ dat de ANWB er in 1894 organiseerde of van het Internationale Socialistische Congres dat in 1904 plaatsvond in aanwezigheid van onder anderen Rosa Luxemburg en Domela Nieuwenhuis. Kerkdiensten, poppenkastvoorstellingen, dia-avonden, missverkiezingen, feesten en zelfs uitvaartplechtigheden kwamen tot na de Tweede Wereldoorlog regelmatig voor.

Commerciële verhuur

Toch was en bleef het Concertgebouw in eerste instantie een concertzaal. Een complexe concertzaal, dat wel. Want ook bij de invulling van de concerten speelt de zaalverhuur een belangrijke rol. Het is immers pas sinds de jaren tachtig dat de uitgebreide eigen programmering serieuze vormen aan is gaan nemen met niet alleen symfonische- en kamermuziek, maar ook wereldmuziek zoals flamenco, fado en klezmer, manifestaties als het India en Brazilië Festival, jazz en akoestische pop. Zelfs het Koninklijk Concertgebouworkest (vanaf het begin de vaste bespeler) is al enkele decennia gewoon een huurder van de zaal, net als de geroemde Serie Meesterpianisten van Riaskoff Concert Management en de ZaterdagMatinee van de publieke omroep.
Hoewel de klassieke concerten de hoofdmoot zijn van het aanbod, staat het Concertgebouw ook vandaag de dag open voor allerhande verhuuractiviteiten. “De afgelopen jaren hebben we ons weer meer ingezet op de commerciële verhuurmarkt”, verklaart huidig zakelijk directeur Gea Zantinge. “Feesten, partijen, congressen, diners en dergelijke.” Verhuur is noodzakelijk omdat door de cultuurbezuinigingen het aantal concertorganisaties zal afnemen. “Om grotendeels onafhankelijk te blijven draaien zijn deze inkomsten nodig”, zegt zij. Toch zullen feesten en partijen nooit schering en inslag worden, zoals ooit het boksen. “Niet-concertgerichte verhuuractiviteit zal procentueel stijgen, maar blijft marginaal.”

Nachtelijke jazzconcerten

Werkelijk iedereen kon en kan het Concertgebouw dus huren. Al krabde toenmalig adjunct-directeur Erik Gerritsen wel even achter zijn oren, toen Manfred Langer, de veelbesproken eigenaar van discotheek iT, in 1992 langskwam. “Langer en iT hadden nogal een reputatie”, zegt Gerritsen nu. “We vroegen een fors bedrag en ook vele garanties voor de veiligheid van het gebouw. Voor Langer was het geen probleem. Hij kwam ruim van te voren langs en rekende contant af.”
Zo verzekerde Langer zich op 25 mei 1992 van een groot feest ter ere van de gelegenheid dat hij veertig werd en twintig jaar in Nederland was. Een avond met uiteenlopende gastartiesten als Grace Jones, de Zangeres zonder Naam en Marco Bakker, een compleet orkest op het podium en heel veel travestie. “Een mooi feest”, vond Gerritsen na afloop. “Alleen hebben we nog wekenlang kleine roze veertjes uit de kroonluchters moeten plukken.”
Mooie feesten. Het Concertgebouw is niet alleen een van ’s werelds mooiste en beste concertzalen voor symfonische muziek, het heeft ook een reputatie als het gaat om scandaleuze pop- en jazzconcerten. Vooral in de jaren vijftig, zestig en vroege jaren zeventig van de 20ste eeuw gold het Concertgebouw als een van Nederlands beruchtste jazz- en poppodia.
Impresario’s als Lou van Rees en Paul Acket brachten na de Tweede Wereldoorlog de snel opkomende Amerikaanse jazz naar Nederland en introduceerden de legendarische nachtconcerten. Dizzy Gillespie gaf op 22 maart 1952 het eerste nachtconcert. Een fenomeen dat uit nood werd geboren. De Amerikaanse jazzgiganten waren te duur om voor één concert Nederland aan te doen. Nu konden ze een avondconcert geven in het Scheveningse Kurhaus en na twaalven een nachtconcert in het Concertgebouw.

Hysteriemuziek

Die constructie bleef tot ver in de jaren zestig overeind. Dat de musici in kwestie nooit op tijd waren en dat het Concertgebouw werd overspoeld met een menigte bezoekers van een heel ander slag dan het keurige klassiekemuziekpubliek, was geen probleem. Ook niet dat er ondanks de bordjes ‘verboden te roken’ gewoon in de grote zaal gerookt werd. Zo’n beetje alle naoorlogse jazzgrootheden traden er op. Billy Holiday, Nat King Cole, Woody Herman, Gerry Mulligan, Chet Baker, Count Basie, ze kwamen allemaal.
Hun concerten haalden vaker en prominenter de krant dan de veel talrijkere symfonische concerten. Zoals het eerste optreden van Louis Armstrong in het Concertgebouw op 2 november 1952. Hij gaf twee concerten: een om zeven uur en een om half tien. Er waren 5026 kaarten verkocht en nog was de belangstelling groot. Velen moesten teleurgesteld worden, omdat de maximale capaciteit destijds 2500 bezoekers was. Waaghalzen probeerden tijdens de concerten via het dak naar binnen te komen en de politie moest er aan te pas komen om de rust te doen weerkeren en het gebouw te beschermen.
De gebeurtenissen brachten aandeelhouder en vaste bezoeker van de klassieke concertseries J. Geleedst uit Goes tot een brief aan de Raad van Bestuur met het verzoek om de grote zaal niet meer “disponibel te stellen voor hysteriemuziekbijeenkomsten.” Het antwoord van de directie luidde: “Ook wij betreuren het lage peil waarop het optreden van Louis Armstrong en zijn band stond, en dat dit geheel niet beantwoordde aan de grote reputatie die dit gezelschap geniet.”

Swingende bigbands

Het was maar goed dat men toen nog niet wist wat er allemaal nog komen ging. Het mythische aura dat aan de nachtconcerten kleeft, is vooral te danken aan een andere jazzgigant: vibrafonist Lionel Hampton, met de rock-’n-rollachtige swing van zijn bigband. Hij wist de menigte tot kookpunt te brengen door zijn enorme speelplezier en omdat hij niet van ophouden wist. Een enkeling uit het publiek raakte zo bevangen door Hamptons muziek dat hij uitbrak in een ‘wilde’ dans op het podium. De kranten stonden er vol van.
En jawel, daags na zijn eerste concert op 19 september 1953 kreeg Concertgebouwdirecteur Rudolf Mengelberg wederom de vraag voorgelegd: “Kan iedereen zomaar de zaal huren?” Mengelbergs antwoord luidde vanzelfsprekend dat de zaalverhuur noodzakelijk was voor het zakelijk welzijn van een gebouw dat geen subsidie ontvangt. Bovendien had Amsterdam verder geen goede concertzalen voor jazz. Dat Hampton bij een concert in 1956 zelfs van het podium verwijderd moest worden door de politie omdat hij niet tot stoppen te manen was, nam de directie op de koop toe.
Tien jaar later leken de grote jazzconcerten alweer tot het verleden te behoren. Ten eerste waren er de steeds hogere gages voor de Amerikaanse jazzmusici, waardoor de toegangsprijzen stegen. En ten tweede werd het publiek steeds kritischer – de grote zaal is nu eenmaal niet de geschiktste ruimte voor versterkte muziek. Zelfs Lionel Hampton kreeg in 1966 het Concertgebouw niet meer vol. Maar op hun beurt lukte dat de grote popmusici weer wel.

Jim Morrison bezwijmt

Allemaal kwamen ze in de jaren zeventig naar het klassieke muziekpodium aan het Museumplein: Pink Floyd, Frank Zappa, The Who, Roxy Music, Paul McCartney & Wings en vele, vele andere voor de pophistorie belangrijke bands. McCartney wijdde in zijn song Rock Show zelfs een regel aan het Concertgebouw als poptempel, waarbij hij in het refrein ‘Concertgebow’ (sic) dapper op zijn Nederlands probeert uit te spreken: If There’s Rock Show At The Concertgebow / They’re Got Long Hair At The Madison Square / You Got Rock And Roll At The Hollywood Bowl, We'll Be There. Ooh Yeah.
Ook die popconcerten zijn goed voor kleurrijke verhalen. Zo kwam op 15 september 1968 tijdens een optreden van Jefferson Airplane een volkomen bedwelmde Jim Morrison – de zanger van The Doors, die later die avond nog een concert zouden geven – het podium op. Morrison maakte een indianendans en zakte vervolgens in elkaar. Hij werd afgevoerd naar het Wilhelmina Gasthuis en The Doors traden op zonder hun mythische leadzanger. Toetsenist Ray Manzarek nam de vocalen voor zijn rekening. Een brok hasj als ontbijt, een dito lunch en nog steviger diner bleken later de oorzaak van Morrisons vroegtijdige aftocht.
Het moge duidelijk zijn dat het Concertgebouw ook als poppaleis niet voldeed. De ruimte was ongeschikt voor de snoeihard versterkte muziek en het gedrag van het publiek paste steeds minder bij het cachet van het gebouw. In de late jaren zeventig verhuisden de popconcerten daarom snel naar beter geoutilleerde zalen als Paradiso, de Melkweg, het Rotterdamse Ahoy en (recenter) de grote voetbalstadions.

Concertgebouw Jazz Award

Wat deze kleurrijke periode vooral aantoonde, was dat luide, elektronisch versterkte muziek niet in het Concertgebouw thuishoorde. Dat kon eigenlijk geen verrassing zijn: het gebouw is er eind 19de eeuw simpelweg niet voor neergezet. Maar daarmee was niet gezegd dat het geen plek kon zijn voor jazz, lichtere pop en wereldmuziek. De nieuwe directeur Martijn Sanders maakte zich na zijn aantreden sterk voor een voortzetting van de rijke pop- en jazztraditie. En vanaf de jaren negentig kwam de jazz op ‘geschikte’wijze terug in de grote en kleine zaal.
Vooral toen de New Concert Big Band van Henk Meutgeert het huisorkest werd onder de naam Jazz Orchestra of the Concertgebouw, kreeg de jazz weer het aloude cachet. Dat was mede te danken aan de nieuwe Concertgebouw Jazz Award, een oeuvreprijs die grote sterren ten deel viel, onder andere George Coleman (hij was in 2002 de eerste), Chick Corea, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Toots Thielemans, Sonny Rollins en Diane Reeves.
“Het Concertgebouw heeft vooral een klassiek profiel”, zegt huidig directeur Simon Reinink. “Maar ik vind het nog steeds heel belangrijk om als Amsterdamse concertzaal een brede programmering te presenteren. Dus ook jazz en passende popmuziek.” Grote rockbands zullen de muren van het gebouw niet snel meer op de proef stellen. De zaal is nu eenmaal meer het domein van de singer/songwriter, of die nu Schubert heet of Fink, de Engelse zanger die tijdens het Koninginnenachtconcert 2012 met het Koninklijk Concertgebouworkest zijn songs vertolkte. Maar vaststaat dat het Concertgebouw meer is en blijft dan een klassieke muziektempel. En dát past geheel in de geest van de oprichters 125 jaar geleden.