Toen ik rond 1955 aantrad bij dit koor, stond het nog onder leiding van kapelaan Smits. Kapelaan Smits was eerder pastoor van de parochie van de St. Augustinuskerk, en naar ik begreep zelfs de bouwpastoor van deze kerk, die in de jaren 20 van de vorige eeuw aan de Postjesweg verscheen. Van de zangrepetities van pater Smits herinner ik me niet veel meer dan dat deze plaatsvonden in een vrij kleine en donkere ruimte achter een zij-ingang van de kerk, en dat de pater de zang begeleidde met een harmonium. Van mijn ouders weet ik dat pastoor/pater Smits een graag geziene gast was bij mijn grootouders op Hoofdweg 37, later Hoofdweg 40.

De ambitie van dirigent Henri Bauer

Op enig moment werd de leiding van het koor (met de voor Rooms-katholieke kerkkoren gewilde naam 'Cantemus Domino') overgedragen aan een professionele dirigent: Henri Bauer. Deze meneer Bauer wist het koor op te stuwen tot een, voor een amateurgezelschap, tamelijk grote hoogte. We verzorgden de erediensten in die mooie, helaas in de vroege jaren 70 afgebroken, Augustinuskerk. Mij zijn vooral de kerstnachtmissen bijgebleven: een mis om middernacht en één om 03.00 uur, met daartussendoor broodjes.

Dat Bauer ambitie had met 'zijn' koor bleek verder uit enkele bezoeken aan de bekende en geroemde koorschool van de kathedrale basiliek Sint-Bavo te Haarlem onder de leiding van de kerkmusicus pater Louis Kat. Ook zorgde hij voor optredens buiten de Augustinuskerk. We zongen in het (toen nog bestaande) Van Nispenhuis aan de Stadhouderskade (ik herinner me een plaatopname met bariton Rom Kalma) en in het Concertgebouw.

Rond 1960 trad het Augustinuskoor daar op in Jeanne d’Arc au Bucher van Arthur Honneger, onder leiding van Theo van der Bijl. Ellen Vogel, de latere bekende actrice, trad op als sopraan of vertelster. Het jongenskoor van mijnheer Bauer was daar in het gezelschap van allerlei professionele volwassenenkoren, waarvan ik de namen niet meer weet. Wat ik me nog wel herinner, is dat ik van een vrouwelijke alt voorafgaande aan een uitvoering een stuk chocolade kreeg. Ik stopte het weg in mijn ribbelbroek, en bij aankomst thuis bleek de reep verworden tot een soort van chocoladepap. Tot vreugd van mijn moeder!

Vriendelijkheid en discipline

Dirigent Bauer was een man van orde en discipline. Hij voerde voor het jongenskoor een kooruniform in (lichtgrijs overhemd, donkere ribbelbroek, lichtgrijze kousen, bordeauxrode stropdas), introduceerde het cantordiploma met bijbehorende dasspeld. Ik herinner mij vaag dat hij het jongenskoor ooit, op een binnenplaats bij de kleuterschool en voorafgaand aan een misuitvoering, op bijna militaire wijze in het gelid zette.

Daarnaast had Henri Bauer oog voor de menselijke kant. Zo beloonde hij Tonny Veth, een koor- en klasgenoot en mijzelf voor een geweldige prestatie - ik weet niet meer welke - door ons in zijn Renault Dauphine mee te nemen naar een muziekwinkel aan het Spui en ons een cadeau aan te bieden. Ik kreeg een muziekboek met pianopartituren van Heller. Het boek ligt nog altijd bij mij in de kast.

Bauer woonde samen met zijn moeder op het adres Sloterkade 65. Ik herinner mij een busreisje met het koor naar een Noord-Hollands strand, waarbij de bus even stopte bij Sloterkade 65 waarbij wij allen zwaaiden naar een oudere vrouw op een balkon.

Oudere heren in hun beste kostuum

Het koor van mijnheer Bauer bestond niet alleen uit in keurig kooruniform geklede jongens, die de alt- en sopraanpartijen zongen. Met Leo Meijer natuurlijk als spits in het sopranen-smaldeel. Daarnaast waren er tenoren en bassen, in mijn ogen toen al allemaal oudere heren, en net als de jongens afkomstig uit de buurt rond de St. Augustinuskerk. Zij hadden geen uniform, maar traden op in hun beste kostuum. Ik herinner me drie namen.

De eerste is die van mijnheer Meijer, de vader van Leo: een wat kleinere man, kalend, tenor, heel bescheiden. Woonde op de Postjeskade; het stukje tussen Hoofdweg en de aan de Augustinuskerk verbonden kleuterschool, een Roomse enclave. De tweede is die van mijnheer Leideritz: ook klein en kalend, bas. Hij woonde op de Hoofdweg nabij de Postjesweg.

De derde is die van mijnheer Keetman. Hij had, als ik heel diep teruggrijp in mijn geheugen, een baan of een verleden bij de Amsterdamse politie. Ik herinner me hem vooral als tenor in het koor en, vooral, als berijder van een auto (Volkswagen Kever) waarmee hij soms zorgdroeg voor het vervoer van koorleden. Volgens mij woonde mijnheer Keetman ergens op of nabij het Bonaireplein.

Een bijzondere plaats in dit verhaal verdient de organist van de St. Augustinuskerk: Gerard Peelen. Hij bespeelde het Cavaillé-Collorgel (dat tijdens de oorlog moest worden aangedreven met een soort fiets) van de Augustinus op bewonderenswaardige wijze. Mijnheer Peelen woonde in het toen maagdelijke Nieuw-West. Ik herinner me hem als een vriendelijke en bescheiden man, die ook muziekles gaf op onze lagere school. Hij kwam dan de klas binnen met een soort van traporgeltje, dat tijdens de muziekles werd uitgeklapt. Van de muziekles zelf weet ik nog maar weinig.

Brekende stem

Ik was in het koor van mijnheer Bauer alt, Leo Meijer was - zoals bekend - sopraan. Het repertoire van het koor was betrekkelijk gevarieerd, maar wel met een belangrijke positie voor het werk van de Italiaanse priestercomponist Lorenzo Perosi (1872-1956). Zijn geestelijke composities overheersten in het midden van de vorige eeuw de eredienst van de Rooms-katholieke kerken. Naast Perosi zong het koor bijvoorbeeld ook de Krönungsmesse van Mozart: een bijzondere uitvoering die nogal veel voorbereidende repetities vergde.

Ergens rond 1960 ontvingen mijn ouders een keurig kaartje van het Augustinuskoor waarin werd gemeld dat ik, wegens het doorbreken van mijn stem (van jongen naar man), niet meer kon zingen in het koor. Het kaartje is ergens in mijn bezit, in de gauwigheid kon ik het niet vinden. Aan mijn tijd bij het koor van de St. Augustinuskerk in Amsterdam-West (rond 1955 tot rond 1960) heb ik alleen maar fijne herinneringen.

Beeld: De St. Augustinuskerk, 1960. Stadsarchief Amsterdam.