Toen ze in 1992 solliciteerde naar de functie van directeur, had Lidewij Verheggen nog nooit van de volksuniversiteit gehoord. “Vreemd eigenlijk”, zegt ze nu, “want de naamsbekendheid is groot, weten we uit onderzoek. Het is een ijzersterk merk, nog altijd. Kwaliteit, deskundigheid, betrouwbaarheid, continuïteit – dat zijn de kenmerken die het eerst in mensen opkomen. Je weet wat je krijgt en je wordt niet belazerd. Ook de veelzijdigheid van het aanbod is een deel van het imago.”
Wendbaarheid noemt Verheggen cruciaal bij het samenstellen van de seizoensprogramma’s. “Je moet je voelsprieten uitsteken en alert zijn op nieuwe trends en behoeften. Onze kracht is nog altijd: een goed idee bliksemsnel in een cursus omzetten.” Verheggen is al ruim twintig jaar directeur, maar oogt nog net zo gedreven als ze op de eerste dag moet zijn geweest. “Als ik al die nieuwsgierige mensen zie op een Open Dag en het enthousiasme waarmee de docenten deelnemers werven voor hun cursus, kan ik er weer een jaar tegen!”

Plechtstatige sfeer

Een eeuw geleden was de sfeer veel plechtstatiger. Geen creatieve cursussen, geen mondelinge inbreng van cursisten, maar een programma vol lezingen waarbij de rol van de cursist tot luisteren beperkt bleef. De eerbied voor de docent was nog groot.
Op 1 oktober 1913 opende voorzitter Sebald Rudolf Steinmetz het eerste cursusseizoen van de Amsterdamse Volksuniversiteit, die in januari van dat jaar formeel was opgericht. Plaats van handeling was de aula van de Universiteit van Amsterdam in de Oudemanhuispoort. Een eigen gebouw was op dat moment nog verre toekomstmuziek. De initiatiefnemers waren overvallen door het grote aantal inschrijvingen. Ruim 3000 deelnemers hadden zich aangemeld voor de 23 cursussen van het eerste cursusjaar. Dat was het vijfvoudige van wat men had verwacht.
Aansluitend aan Steinmetz’ openingsrede vond de eerste cursus plaats. Kunstpedagoog Henk Bremmer beet de spits af met een voordracht over ‘Plastische kunst van de nieuwere tijd’. Geen gemakkelijk in het gehoor liggend verhaal, maar de volksuniversiteit wilde juist moderne ontwikkelingen toegankelijk maken voor een breed publiek. Met de term ‘plastische kunst’ werden moderne schilders als Picasso, Braque en Malewitsj aangeduid. Zij trokken op dat moment de aandacht met kubistische werken, die vloekten met alle wetten van perspectief en kleurenleer. Toch – of juist daarom – zat de aula vol: maar liefst 337 toehoorders namen de stof enthousiast tot zich.

Unieke kans vrouwen

In dat eerste jaar van de Amsterdamse Volksuniversiteit konden mensen hun kunstzinnige en beschouwelijke kanten ook verdiepen met cursussen als ‘Opleiding tot muziekgenot’ en ‘De hoofdproblemen van het godsdienstig leven’. Voor wie wat aardser was ingesteld, waren er techniek, hygiëne, anatomie of burgerkunde. Die laatste cursus liep niet storm. Een knorrige Steinmetz vond het vreemd dat vrouwen hier niet in grote aantallen op afkwamen, maar zich wel massaal inschreven voor de kunstzinnige vakken. Hadden zij dan geen behoefte aan kennis van het staats- en burgerrecht, wilden zij dan niet meer inzicht krijgen in allerlei maatschappelijke problemen? Als eenvoudig mens deed je het niet gauw goed in de ogen van de heren bestuurders van de volksuniversiteit.
Want het was juist heel opmerkelijk dat Steinmetz zijn openingsrede uitsprak in een zaal die voor maar liefst 80% gevuld was met vrouwen. En dat in een tijd waarin vrouwen nog maar nauwelijks deelnamen aan het openbare leven. In 1918 zou Steinmetz het zelfs een van de opgaves van de volksuniversiteiten noemen om meer mannen aan te trekken.
Nu lagen de verhoudingen niet altijd zo scheef. Vrouwen tekenden vooral in op cursussen over kunst, literatuur, psychologie en opvoedkunde. In de eerste decennia vormden ze ruim de helft van het aantal cursisten; na de Tweede Wereldoorlog nam hun aandeel toe tot tweederde. Aanvankelijk ging het vooral om getrouwde vrouwen die niet buitenshuis werkten. Voor hen moet de volksuniversiteit een unieke kans zijn geweest zich alsnog te ontwikkelen. Verder gaven met name secretaresses, onderwijzeressen en verpleegsters acte de présence. Ten tijde van het ontstaan van de volksuniversiteit kampten vrouwen nog met een grote onderwijsachterstand. Hbs, gymnasium en universiteit waren nog maar pas voor hen opengesteld. De volksuniversiteit kwam als geroepen.

Seksuele hygiëne

Op één soort cursus kwamen vrouwen in wel heel opvallende aantallen af: ‘Sexuele hygiëne’, ook wel ‘Hygiëne voor de vrouw’ geheten als de cursus niet gemengd was, wat meestal het geval was. Hiermee bedoelde men seksuele voorlichting, maar dat kon toen nog niet zo omschreven worden. Het onderwerp was nog volop met taboes omgeven. Er kwamen soms wel 300 tot 400 toehoorders op af.
De gynaecoloog prof. dr. A. van Rooij schreef in 1923 in het gedenkboek van de Volksuniversiteit Amsterdam dat hij de cursus de eerste keer met schroom had gegeven. Maar dat bleek onnodig: de sfeer was openhartig en aandachtig. Vragen mochten anoniem worden ingediend en daar werd veel gebruik van gemaakt. “Schrikbarend is de onwetendheid bij vele vrouwen aangaande de grondbegrippen van sexueel leven en sexueele hygiëne.” Dit leidde volgens Van Rooij tot een tekort aan gezondheid en levensgeluk. Daarom was dit onderdeel van het werk van de volksuniversiteiten “van onschatbaar groote beteekenis”.
Als hoogleraar was hij die dagen bepaald geen uitzondering onder de docenten van de volksuniversiteit. Anders dan tegenwoordig bestond het docentenkorps bijna volledig uit academisch gevormden en kunstenaars van naam en faam. Prominente namen waren bijvoorbeeld Artis-directeur Anton Portielje, schrijver Menno ter Braak, historicus Jacques Presser, architect Hendrik Berlage en wereldkampioen schaken Max Euwe. De Amsterdamse Volksuniversiteit (dat subsidies ontving van gemeente en provincie) besteedde een relatief groot deel van het budget aan honoraria voor docenten. Men nam de naam van de instelling toen nog vrij letterlijk en wilde de nieuwste ontwikkelingen in wetenschappen en kunsten onder het volk brengen. Tegenwoordig wordt bij het samenstellen van het cursusaanbod eerder geredeneerd vanuit de behoeften van de cursisten.

Wending aan je leven

De motieven van de cursisten zijn ook veranderd. Aanvankelijk ging het om het bijspijkeren van onderwijsachterstand en het opdoen van algemene ontwikkeling. Vanaf de jaren zeventig kregen de motieven een actiever karakter. Het werd een manier om je leven een andere wending te geven door het opdoen van een nieuwe hobby of het leggen van de grondslag voor een andere beroepskeuze. Andere nieuw motieven waren gezelligheid en het leggen van nieuwe sociale contacten.
Journaliste Tracy Metz, van Amerikaanse komaf, vertelde eens in Ons Amsterdam dat zij in een poging tot inburgering in Hollandse gewoonten een cursus fietsreparatie volgde. Het werd geen succes: “Voor het eerst in mijn leven heb ik daar ervaren hoe het is om de domste van de klas te zijn.” Maar dat heeft niets afgedaan aan haar sympathie voor het fenomeen volksuniversiteit. In haar ogen is het “een unieke instelling die al decennialang een groot goed biedt: de kans om tegen betaalbaar cursusgeld je goede voornemens in daden om te zetten.”
Mini Groot, tot haar pensioen eigenaar van een zakenreisbureau, is het voorbeeld van een cursist die nieuwe inspiratie opdeed door de volksuniversiteit. “Ik was verhuisd naar een huis met een grote tuin en wilde een verhoogde geveltuin maken met gemetselde randen. Als je een aannemer inschakelt, vernielen ze je halve tuin, zo doen die mannen dat. Dus ik dacht: ik ga metselen leren. Ik was toen begin vijftig en mijn medecursisten waren allemaal jongens van tussen de 25 en 35 jaar. Die zullen hebben gedacht: wat moet dat oude mens hier. Maar het ging me goed af. Het volgende jaar ging ik tegelzetten doen en daarna stoelen bekleden. En tegenwoordig, sinds ik met pensioen ben, schilder ik. Dat was een sprong in het diepe, maar bij de volksuniversiteit kun je makkelijk wat uitproberen. Ik doe het nu vier jaar en ik word er heel blij van. Het werkt als een soort yoga, je zet je hersens stil.”

Knoppenvrees overwinnen

Zestigplusser Jan IJdema volgde een cursus ‘Bellen doe je zo!’ om weer aansluiting te krijgen bij de moderne tijd. “Moderne mobiele telefoons met van die touchscreens vind ik moeilijk. Ik stam uit een tijd dat je nog vakkennis nodig had om technische apparatuur te bedienen. Die kennis werd je dan bijgebracht. Met deze moderne apparaten moet je het maar uitzoeken. Druk je een verkeerde knop in, dan gebeurt er ineens niks meer en weet je niet hoe je verder moet.”
Het was nog niet eenvoudig een lesmogelijkheid te vinden, tot IJdema op deze cursus van de volksuniversiteit stuitte. “Twee jongeren gaven ons les, onder supervisie van een oudere docent. Die jongere generatie is opgevoed met computers en dit soort moderne telefoons. Zij wisten de koudwatervrees bij ons weg te nemen. Ik durf nu aan allerlei knoppen te zitten en dingen uit te proberen. Ik heb inmiddels een iPhone en mijn vriendin ook. We zitten naast elkaar op de bank met die apparaten te spelen.”
Mariek Hilhorst zocht een cursus om beter te leren omgaan met stress. “Ik dacht aan meditatie, maar iets zweverigs wilde ik niet. Geen goeroe, niet in de wierooklucht op een matje zitten met new age-muziek. Het werd een autogene training bij de volksuniversiteit. Bij meditatie heb je meestal geen idee hoe het werkt, maar hier kregen we het grondig aangeleerd. Compleet met plaatjes van het zenuwstelsel en de bloedsomloop gaf de docent uitleg. Autogene training is door een Duitse psychiater bedacht, je kunt het zien als een westerse manier van mediteren: een diepe concentratie om tot ontspanning te komen. Mijn medecursisten kwamen ook af op zo’n nuchtere aanpak. Ik heb een heel schriftje volgepend met zinnetjes die je in jezelf moet herhalen om uit de stress te komen. De training is nu tien jaar geleden, maar dat schriftje haal ik nog geregeld uit de kast.”

Beschavingsarbeid nu

Begin 20ste eeuw zagen de volksuniversiteiten hun werk als een vorm van beschavingsarbeid. Mensen uit armere milieus die weinig onderwijs hadden genoten, kregen de kans hun geestelijke bagage te vergroten. Weliswaar werd de arbeidersklasse minder bereikt dan gehoopt, maar geestelijk voedsel om het algemene beschavingspeil te verhogen is zeker ruimschoots verstrekt. Hoe zit dat nu?
Ook vandaag de dag bereikt de volksuniversiteit slechts in beperkte mate de lager opgeleiden en lager betaalden. In 1998 constateerde onderzoeksbureau Motivaction dat ruim 60% van de cursisten in Amsterdam hoger opgeleid was: zij hadden een hbo- of wo-achtergrond. Niet meer dan 12% had een vmbo-opleiding of alleen lager onderwijs.
Kansarmen kun je de cursisten doorgaans dus niet noemen. Toch voelt directeur Verheggen zich nog steeds verwant met het idealisme van de oprichters, al is enige beschavingsdrang haar volledig vreemd. Ze hoopt dat haar volksuniversiteit een soort mini-maatschappij is waarin bepaalde waarden hoog worden gehouden. “Na honderd jaar zien we het nog steeds als onze taak om mensen sociaal wegwijs te maken, om ze steun te bieden in hun maatschappelijk functioneren. Daar loop je natuurlijk niet op binnen, er moet vaak geld bij. Goedlopende cursussen creëren dan de financiële ruimte om ook zo’n aanbod te verzorgen.”

Maatschappelijk meetellen

Maatschappelijke participatie en het versterken van sociale cohesie waren nog helemaal geen item in de eerste decennia van de volksuniversiteiten. Mensen waren opgenomen in sociale verbanden, bijvoorbeeld de buurt of kerk. “Door de individualisering heb je tegenwoordig veel meer geïsoleerde mensen”, zegt Verheggen. “Bovendien is de samenleving diverser en gefragmenteerder geworden. Daardoor is de doelstelling om maatschappelijke participatie te bevorderen nadrukkelijk op ons bord komen te liggen. Bovendien dragen wij bij aan de inburgering van immigranten met ons uitgebreide aanbod van cursussen Nederlands voor anderstaligen.”
Mag zo’n doelstelling van inburgering en maatschappelijke participatie de opvolger van de vroegere beschavingsmissie worden genoemd? “Die beschavingsmissie vind ik inderdaad iets van vroeger”, zegt Verheggen. “Een doelstelling als ‘verheffen van het volk’, daar heeft niemand van de doelgroep zelf een beeld van. Het is typisch een begrip dat anderen gebruiken over de hoofden van de betrokkenen heen. Vroeger werd dat binnen de volksuniversiteiten misschien wel zo besproken, toen de besturen nog alleen bestonden uit deftige heren. Tegenwoordig is dat bepaald niet meer de manier waarop wij naar onze cursisten kijken. Die hebben trouwens helemaal geen boodschap aan zulke discussies over verheffing. Zij willen kennis en vaardigheden opdoen om deel te kunnen nemen, om maatschappelijk mee te tellen. Uiteindelijk hebben ze het liefst gewoon een baan.”