Plannen voor een nieuw tehuis met ‘gemeenschappelijke woonverblijven’ en ‘slaapvertrekken voor hen die niet meer in staat werden geacht zelfstandig een eigen kamer te bewonen’ dateerden al uit 1954, maar de eisen aan een verzorgingstehuis werden in de jaren 1960 steeds aangepast, mede door de veranderende behoeftes van bejaarden. Ze bleven langer gezond, waren welvarender en wilden meer comfort en zelfstandigheid.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het voor ouders steeds ongebruikelijker om bij hun kinderen in te trekken; ze wilden onafhankelijk blijven en toch een verzorgde oude dag hebben. De invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 betekende bovendien dat ouderen meer te besteden hadden en zich een plekje in een bejaardentehuis konden veroorloven. Een run op verzorgingstehuizen en lange wachtlijsten waren het gevolg.

In Amsterdam werd daarom in 1967 door directeur Cees M. Verhagen de Gemeentelijke Dienst voor Bejaardenverzorging ingesteld, die in totaal zeven panden beheerde. Om de wachtlijsten te drukken werden de nieuwe tehuizen steeds groter. Het inmiddels afgebroken tehuis De Drie Hoven (van architect Herman Hertzberger) in Slotervaart was daar een voorbeeld van. En met ruimte voor meer dan zeshonderd mensen was het nieuwe Flevohuis een van de grootste ‘verzorgingstehuizen voor ouden van dagen’ die in Nederland in de jaren 1960 werden ontworpen.

Kleinschalige grootschaligheid

Het definitieve ontwerp voor het Flevohuis uit 1965 was aanzienlijker groter dan oorspronkelijk gedacht, en veel meer gericht op privacy en zelfstandig wonen. Besloten werd het tehuis aan de rand van de stad te plaatsen, want daar was de grond goedkoper en er mocht hoger gebouwd worden. Het kwam in de noordoostelijke hoek van de Indische Buurt, vlak bij het Flevopark, bovenop het oudste stuk van de Joodse begraafplaats Zeeburg. Dit deel verkeerde in vervallen staat en was al geruimd in 1957, bij de aanleg van de verbindingsbrug en weg naar Amsterdam-Noord.

Het tot ‘Flevohuis’ gedoopte bejaardentehuis werd gebouwd door de afdeling Bouwwerken van de Dienst Publieke Werken van de gemeente, onder leiding van architect Bas(tiaan) Johannes Odink. Hij was in de jaren 1960 en ’70 als architect verbonden aan deze dienst en ontwierp onder meer schoolgebouwen en het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam Nieuw-West.

Op 24 april 1968 werd de eerste paal voor het nieuwe Flevohuis geslagen. De belangrijkste ontwerpeisen voor het tehuis waren ‘kleinschalige grootschaligheid’, rust en privacy, flexibiliteit en een ‘architectonische verschijningsvorm’, die nog een ‘woonsfeer’ ademt – niet die van een kazerne, hotel of ziekenhuis.

Odink en zijn team ontwierpen een opvallend gebouw: een hoog woonvolume van twaalf verdiepingen dat in een uitgestrekte laagbouw werd geplaatst. De laagbouw omvatte onder meer een verpleegafdeling voor zestig zieke bejaarden, een gazon op het zuiden, een ‘creacorner’, winkel, bibliotheek en ‘ruimten tot het houden van rooms-katholieke en protestantse kerkdiensten’. Behalve verschillende patio’s voor lucht en licht kwam er direct voor het tehuis een intiem ‘praatpleintje’, om de soms totaal verschillende bewoners elkaar te laten ontmoeten.

Buurtjes en pleintjes

De hoogbouw werd samengesteld uit drie iets van elkaar verspringende flatgebouwen die het massieve karakter van het pand wat braken. De torens werden opgetrokken uit roodbruin metselwerk waarin de betonnen vloeren in het zicht werden gelaten. Onderling waren de drie torens door middel van glazen hallen met liften en trappenhuizen met elkaar verbonden.

Op iedere verdieping lagen aan weerszijden van een doorlopende gang 48 wooneenheden. In de gang zelf bevonden zich zusterposten, badkamers, voorraadkasten, open keukentjes, en loggia’s voor toegang tot buiten. Aan het noordelijke uiteinde van iedere verdieping was verder een eet- en huiskamer voor ‘gezamenlijke maaltijden en televisieprogramma’s’.

Om binnen de grootschalige structuur enige huiselijkheid te creëren splitste Odink iedere verdieping op in drie gedeelten van zestien wooneenheden. Deze werden verder verdeeld in ‘buurtjes’ van vier wooneenheden, die alle dezelfde kleur voordeur hadden en toegang gaven tot een klein ‘pleintje’ met zitplekken. De wooneenheden bestonden voor een alleenstaande bejaarde uit een zit- en slaapkamer van ca. 3 x 4 m en een aparte voorruimte met wasgelegenheid en eigen toilet.

Flexibiliteit werd gerealiseerd door in het voorgedeelte wegneembare kasten te plaatsen zodat twee wooneenheden met elkaar konden worden verbonden. Zo kon worden voorzien in aanvragen van alleenstaanden én echtparen.

Centrale verwarming

Op 9 december 1971, midden in de winter dus, verhuisden de eerste ouderen van de Roetersstraat naar het Flevohuis, volgens Het Parool ‘het mooiste geschenk dat dit jaar werd meegebracht door Sinterklaas’. De meeste mensen wisten precies waar ze voor waren gekomen: geen gehorige slaap- en verblijfszalen meer, maar een eigen wooneenheid met keukenblok en toilet, ingericht met meubelen en gordijnen die ze zelf hadden mogen uitzoeken. Ieder vertrek was voorzien van de modernste gemakken, zoals centrale verwarming, telefoon- en televisieaansluiting, huisomroep en een alarmsysteem voor acute hulp. Grote pre voor bewoners op de bovenverdiepingen was het uitzicht op de stad aan de westelijke zijde, en op het Flevopark en brug aan de oostelijke.

Een bewoonster uit de Roetersstraat vertelde na de verhuizing enthousiast: ‘Ik vind het hier een paleis, nu krijg ik een goede levensavond nog’, en juffrouw De Jonge (79): ‘We zijn in een sprookje terecht gekomen. Kijk eens wat een uitzicht.’

Door de flexibele opzet van de wooneenheid konden ook echtparen, die in hun vorige tehuis gedwongen waren op aparte afdelingen te wonen, eindelijk weer samenzijn in een gekoppelde woning. ‘Die [koppels] zagen elkaar weer voor het eerst,’ zo liet een medewerkster weten, ‘ze waren het niet meer gewend samen te leven en nou zaten ze ineens met z’n tweeën. Die hadden in het begin vaak ruzie.’ Sommige bewoners die hun leven lang in oude huizen in de binnenstad hadden gewoond, moesten wennen aan de afgelegen locatie en de moderne en soms wat steriele inrichting van het Flevohuis.

Vrijheid en geluk

Het concept van een massale, geïsoleerde stapelwoontoren voor bejaarden werd tegen het einde van de twintigste eeuw steeds meer achterhaald. De Wet op de bejaardenoorden uit 1996 bepaalde bovendien dat het aantal verzorgingsflats in Nederland kleiner moest en het aantal zelfstandige woningen groter. In het Flevohuis werden de standaard wooneenheden daarom vervangen door 198 ruime zelfstandige twee- en driekamerwoningen.

De hoogbouw werd gemoderniseerd, onder meer door het vergroten van de kleine vensters tot een zogenaamd ‘Frans balkon’ en het wegwerken van het oorspronkelijke metselwerk achter een pleisterlaag. De laagbouw werd deels gesloopt en vervangen door een hoger U-vormige complex, ontworpen door architectenbureau Wiegerinck. Hierin kwamen zelfstandige woningen, groepswoningen voor demente bejaarden, een polikliniek en verpleeg- en revalidatiecentrum.

Architect Odink had met zijn ontwerp getracht door middel van moderne architectuur ‘de mensen met hun behoefte aan vrijheid en geluk, aan licht en lucht, te helpen om in de moderne massawereld te kunnen voortbestaan’. De omvang en vormgeving van het Flevohuis spreken misschien niet direct tot de verbeelding maar ze zijn wel een mooi voorbeeld van de grootschalige, autonome ouderenhuisvesting van de moderne Nederlandse verzorgingsstaat. Die verbande ouderen weliswaar naar de rand van de stad verbande, maar voorzag hen ook van een markant architectonisch gezicht.

Dr. Sarphatihuis

Het Gemeentelijk Verzorgingshuis voor Ouden van Dagen aan de Roetersstraat was sinds 1782 in gebruik als Werkhuis voor bedelaars en landlopers. In 1870 werd het omgedoopt tot Stedelijk Armenhuis en in 1952 verbouwd tot bejaardentehuis. Hier sliepen ouderen nog op gemeenschappelijke zalen sliepen en echtparen werden noodgedwongen van elkaar werden gescheiden in mannen- en vrouwenafdelingen. Na de bouw van het Flevohuis werd het complex gerenoveerd en in 1978 heropend als Dr. Sarphatihuis.

Header: Het Flevohuis aan de Kramatweg in 1972. Stadsarchief Amsterdam