Het is 15 januari 1917. Terwijl op de slagvelden in Europa de Grote Oorlog woedt, vindt in Amsterdam op die winterse maandag een belangrijke gebeurtenis plaats: aan de overkant van het IJ, vroeger bekend als 'de Vogelwijkslanden', wordt in tegenwoordigheid van talloze hoogwaardigheidsbekleders, onder wie burgemeester Jan Willem Tellegen, op de Valkenweg het gloednieuwe fabrieksgebouw geopend van de regenjassenfirma N.V. Hollandia-fabrieken Kattenburg & Co.

Het gebouw is een ontwerp van de Amsterdamse architect Gerrit Langhout jr. Hij heeft in 1913 samen met directeur Jacques N. (Jacob Nathan) Kattenburg er een reis naar Engeland en Schotland voor gemaakt ter bestudering van de inrichting van de grote textielfabrieken. Later dan gepland vanwege de oorlog is de bouw van de fabriek pas eind 1915 gestart en nu is zij klaar. Eenvoudig en imposant, aldus de journalist Antonie Jacob Bothenius-Brouwer, 80 meter lang, 18 meter diep en vier verdiepingen hoog (21 meter), geheel onderkelderd en met plaats voor wel 1000 arbeiders.
De hypermoderne en uiterst efficiënt ingerichte fabriek is voorzien van centrale verwarming, liften en een telefooncentrale, maar ook van allerlei elektrische machines, stoompersen en persgasbouten. Op de begane grond zijn de kantoren, het secretariaat, de verkoopafdelingen en de showroom. Op de verdiepingen daarboven opslagplaatsen, grote werkplaatsen, ateliers en controleruimtes, en op de bovenste etage schaftlokalen en kantines met prachtig uitzicht over de stad.
De vergaderzaal beneden is statig in oud-Hollandse stijl opgetrokken, met aan de wand de wapens van de steden, waar de vennootschap vestigingen heeft: Haarlem, Utrecht, Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Boven de schoorsteenmantel hangt een kopie van Rembrandts Staalmeesters en daaronder de spreuk 'De cost gaet voor de baet uyt'.

Over het IJ

Hollandia-Kattenburg maakt ooit in Engeland ontwikkelde gummiregenkleding. Na enige weken 'scholing' in Manchester heeft Jacques Kattenburg in januari 1909 de Handelsvereniging Hollandia opgericht, speciaal voor de fabricage van regenkleding. Dat jaar introduceert hij na intensief experimenteren ook zijn eigen waterdichte gummiregenjas voor mannen. De orders stromen direct binnen, uit Nederland en daarbuiten.
Kattenburg verzekert zich meteen van de aanvoer van grondstoffen uit Engeland, én van Engelse technici. Kort na de introductie van de gummiregenjas blijken ook dames belangstelling te hebben. Er wordt een speciale afdeling voor in het leven geroepen. Daarnaast komt er een afdeling voor geïmpregneerde regenkleding. In 1911 werken er al zo'n 300 arbeiders in de Kattenburgfabriek aan de Warmoesstraat. Maar Kattenburg wil groeien. Er is behoefte aan een moderne fabriek, waar plaats is voor méér arbeiders en méér technische hulpmiddelen. Aan de overkant van het IJ wordt in 1913 een terrein in erfpacht gevonden.
Hollandia-Kattenburg – de firmanaam bestaat sinds 1911 – is oorspronkelijk een afdeling van de Maatschappij Kattenburg, eigenaar van een keten van kledingwinkels onder de naam 'Magazijn Nederland'. Grondlegger van die maatschappij is Levi Abraham Kattenburg (de grootvader van Jacques). Vanaf 1850 heeft hij met zijn tien zonen ('het elftal van Kattenburg') in een groot aantal steden filialen opgezet, waar maatkleding wordt geleverd, maar ook confectie uit Frankrijk en Engeland.
Omdat de vraag naar confectiekleding sterk toeneemt gaat deze (Joodse) textielfamilie na verloop van tijd "onder eigen leiding" kleding maken "voor eigen verkoop" in "eigen filialen". Dat loopt goed, al neemt de concurrentie razendsnel toe. Om scherp te blijven is een goed netwerk onmisbaar en zo vestigen de Kattenburgs in Manchester, het walhalla van de textielindustrie, een eigen inkoopkantoor, dat goede relaties met de Engelse textielwereld opbouwt en daardoor voordelige kan inkopen.

Falcon-regenjas

Als Hollandia-Kattenburg begin 1917 de nieuwe fabriek betrekt, verkeert het bedrijf door de oorlog al enige jaren in moeilijk vaarwater. Het is moeilijk om aan betaalbare grondstoffen, fournituren en andere onderdelen te komen. Maar na de oorlog krabbelt het bedrijf weer op. Er is grote vraag naar regenkleding, met name voor de export. In 1919 wordt de fabriek flink uitgebreid en in samenwerking met de Vereenigde Rubberfabrieken in Doorwerth wordt de Amsterdamsche Rubberfabrieken opgericht, zodat Hollandia zich verzekerd weet van rubber.
Het gaat de firma voor de wind, mede door het succes van de Falcon-regenjas, genoemd naar de Valkenweg. De vraag naar regenkleding in het naoorlogse Europa is zó groot dat er veel personeel bij moet; hun aantal groeit tot boven de 900. Anders dan in de confectie-industrie, waar voornamelijk meisjes en vrouwen werken, zijn er bij Hollandia ook mannen nodig, met name voor het zware werk dat een deel van de regenjassenproductie vergt. In 1927 wordt in Manchester een dochteronderneming opgericht, Kattenburg Ltd.
Maar in 1929 wordt ook Hollandia-Kattenburg door de wereldwijde economische crisis geraakt. Veel landen beperken hun invoer, waardoor de export – cruciaal voor Hollandia – ernstig getroffen wordt. Bedraagt vóór de crisis de uitvoer 65% van de productie, begin jaren dertig valt die grotendeels stil. Er zit voor het bedrijf niet veel anders op dan zich op de binnenlandse markt en de Nederlandse consument te richten. In 1933 wordt door Hollandia zowel de Hollandsche Gummifabrieken Weesp opgericht als in Tilburg de Regenkleedingfabriek Brabant, die in 1937, als het met de onderneming weer bergopwaarts gaat, uitgebreid kan worden.

Hoog bezoek

Af en toe is er onrust onder het personeel. In 1919, 1922 en 1925 zijn er kleine acties, mede als gevolg automatisering. Maar in de eerste helft van de jaren dertig veroorzaken de mondiale crisis, dreigende ontslagen en loonsverlagingen grote spanningen. Eind november 1931 breekt bij Hollandia een staking uit. De directie heeft een loonsverlaging van 10% voorgesteld, maar daar gaat het personeel niet mee akkoord. Stevige onderhandelingen volgen, waarbij ook de voorzitter van de Bond van Nederlandsche Confectiefabrikant en de Rijksbemiddelaar (een door de overheid in 1923 ingestelde tussenpersoon die arbeidsgeschillen moet voorkomen of bijleggen) aan tafel zitten. Twee weken later komt men tot overeenstemming: een beperkte loonsverlaging van 5% en eerder ontslagen personeelsleden mogen terugkomen.
Een tweede, veel grotere staking is er in januari 1933. Vijf en-grosconfectiebedrijven, waaronder Hollandia-Kattenburg, zijn alleen bereid een nieuwe CAO af te sluiten als de lonen met 15% zakken. De personeelsleden – vooral SDAP-ers, maar ook communisten – verwerpen die eis, evenals een voorstel van 10% minder. Na lange onderhandelingen komt er een akkoord over 4%.
In mei 1936 bezoeken koningin Wilhelmina en haar dochter Juliana de fabriek. Na een rondleiding krijgt het hoge bezoek een regenkledingshow. 's Avonds is er een groot feest voor het personeel. Twee jaar later wordt Jacques Kattenburg, die geldt als een voortreffelijk entrepreneur, benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Tijdens een feestelijke bijeenkomst wordt hij gehuldigd en defileert het personeel voor de jubilaris. Er lijkt in november 1938 geen vuiltje aan de lucht.

Rüstungsjuden

Twee jaar later is Nederland bezet door Nazi-Duitsland en pakken zich donkere wolken boven het bedrijf samen. Het begint ermee dat in juli 1940 twee leden van de Sicherheitspolizei meer dan 600 regenjassen voor hun dienst komen bestellen. Wat te doen? Is het accepteren van zo'n order niet in strijd met het Landoorlogreglement (de internationale conventie inzake rechten en plichten van oorlogsvoerende partijen)? Na ruggespraak neemt de Sectie Confectie van het Rijksbureau voor Textiel de verantwoordelijkheid op zich.
Begin september is er opnieuw bezoek. Nu van een vertegenwoordiger van de Mariendorfer Gummiwarenfabrik in Berlijn, een vroegere zakenrelatie. De Duitse fabriek kan niet alle orders van de Wehrmacht aan (vooral beschermende jassen) en wil een deel overhevelen naar Hollandia-Kattenburg. Het Joodse bedrijf zou wel eens flink in de problemen kunnen raken als het deze orders niet accepteert.
Op 28 november 1940 treden de Joodse directeuren terug. Twee niet-Joodse medewerkers nemen hun plaatsen over in de hoop daarmee onteigening van de fabriek te voorkomen. Dat lukt. Wel wordt door Rijkscommissaris Seyss-Inquart een Verwalter – een Duitse bewindvoerder – benoemd.
Een bewogen dag in de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd is 25 februari 1941. Bij Hollandia-Kattenburg is het 's morgens vroeg al onrustig. Het gerucht gaat dat er in Amsterdam gestaakt wordt uit protest tegen Duitse razzia's in de Jodenbuurt, een paar dagen eerder. Als er buiten wordt geroepen "Kom eruit, kom eruit, en de Joden ook!", ontstaat grote beroering: is het niet een enorm risico als zij ook meedoen? Maar veel personeelsleden, óók Joden, stromen de fabriek al uit, om zich bij andere stakers aan te sluiten. Amsterdam krijgt later (met enige andere steden) door de Duitsers een zware financiële straf opgelegd.
Het Hollandia-personeel blijft vooralsnog gevrijwaard van Duitse represailles. Als op 11 november 1942 volkomen onverwacht en groot aantal overvalwagens van de Grüne Polizei bij de poort verschijnt, kan niemand nog bevroeden dat de Grünen zijn gekomen om, bijgestaan door Nederlandse agenten, alle Joodse medewerkers op te halen. Alle uitgangen van de fabriek worden afgesloten, de lopende band stilgezet en de omroepinstallatie uitgeschakeld. Niemand mag het terrein af.
Aan deze razzia is het een en ander vooraf gegaan. De Duitsers zijn vijf maanden eerder begonnen met het deporteren van Joden. Maar de Joodse werknemers – najaar 1942 zijn dat er minstens 350 – van Hollandia zijn tot Rüstungsjuden verklaard en voorlopig, met hun partners en kinderen, vrijgesteld van deportatie, omdat de fabriek belangrijke spullen voor de Wehrmacht fabriceert.
Maar medio oktober 1942 wordt een Rotterdamse sabotagegroep opgerold, onder wie de (niet-Joodse) 20-jarige Martha Korthagen, die korte tijd als gummiplakster op de fabriek gewerkt heeft. Tijdens haar verhoor vertelt zij (onder druk?) dat veel Joodse arbeiders van Hollandia-Kattenburg betrokken zijn bij communistische sabotagedaden. Dat moet de Höhere SS- und Polizeiführer Hans Albinn Rauter als muziek in de oren hebben geklonken. Hij ziet zijn kans schoon om alle Joden uit de Rüstungsindustrie te verwijderen onder het mom van sabotagebestrijding. Bij Hollandia kan schoon schip worden gemaakt.

Overvalwagens

Alle aanwezige 740 werknemers krijgen die bewuste woensdag 11 november het bevel zich te verzamelen. De circa 190 vrouwen en 160 mannen van Joodse afkomst worden gescheiden van de anderen en weggevoerd. Enkelen lukt het om zich te verstoppen in de stoffenkelder of via de brandtrap weg te komen. Onder hen de twee zoons van Jacques Kattenburg; hijzelf is die dag niet aanwezig.
Op het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat wijst een (onzichtbare) Martha Korthagen 'de saboteurs' aan: 130 mannen en vrouwen, voornamelijk arbeiders op de gummiplakkerij die als politiek actief bekendstaan werkten. Zij worden op 12 november in de ochtend per trein overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen, waar ze twee weken worden vastgehouden en met name de communisten onder hen zwaar mishandeld.
Op 25 november gaat bijna de hele groep op de trein naar de strafbarak in Westerbork. Tien Kattenburgers blijven achter in Scheveningen en moeten voor het Kriegsgerecht verschijnen. Vijf gaan op transport naar Auschwitz, de anderen worden begin februari 1943 op beschuldiging van kommunistische Aktion in Den Bosch voorgeleid. Eén wordt naar een concentratiekamp gestuurd, de anderen worden ter dood veroordeeld. Twee krijgen de kogel, de andere twee gaan alsnog naar gevangenissen en kampen.
Alle andere Kattenburgers – en van de gehuwden óók de gezinsleden – bevinden zich dan al lang niet meer in Westerbork. Op 30 november is vanuit het kamp het zogenoemde Hollandia-Kattenburg met 826 mannen, vrouwen en kinderen in een gewone personentrein naar Polen vertrokken. In Opper-Silezië stopt de trein in Kosel. De gezonde mannen worden naar buiten gejaagd. Hen wacht dwangarbeiders- en concentratiekampen. Geen van de vrouwen en kinderen overleeft het 80 kilometer verderop gelegen Auschwitz. Alleen acht mannen overleven de oorlog. Hun namen staan vermeld in het boekje dat één van hen schreef.*
Martha Korthagen wordt in 1948 door het Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot tien jaar. Jacques Kattenburg en zijn vrouw komen de oorlog door, eerst in Barneveld, daarna in Westerbork. Hun drie kinderen keren terug uit respectievelijk Zwitserland, Theresienstadt en Duitsland. Over hun lotgevallen is gemakkelijk een apart artikel te schrijven.

Chas Macintosh

Na de bevrijding is Hollandia-Kattenburg, nu onder leiding van Jacques' oudste zoon Alfred, snel weer een bloeiende onderneming. In de jaren zestig komt er de klad in. Het bedrijf krimpt, verliezen nemen toe en personeelsleden worden ontslagen. Het weekblad Vrij Nederland spreekt in 1968 van "vegeteren op oude roem" en "een schromelijk tekortgeschoten bedrijfspolitiek". In 1969 valt het doek: Hollandia-Kattenburg wordt overgenomen door Chas Macintosh, het merk 'Falcon' verkocht, de fabriek in Amsterdam gesloten en later afgebroken. Er rest op die plek nu alleen nog een monument ter nagedachtenis van de weggevoerde Joodse personeelsleden. Zij worden daar jaarlijks op 11 november herdacht.

* JAAP DE BOERS, BEVEL, GETUIGE 176774 STA OP EN VERTEL, BERGEN 1979.