Ineens was er in Amsterdam midden jaren twintig het besef dat er iets ontbrak aan de stad. Iedere zondag reisden drommen Amsterdammers af naar de duinen of het Gooi om een vrije dag in de natuur door te brengen. Wie het zich kon veroorloven verruilde zijn woning voor een rustiger plekje in Hilversum, Naarden, Baarn of Haarlem. De polders rond Amsterdam waren mooi – weids en stil, met prachtige dijkwandelingen en hier en daar een boerderij – maar geen bestemming. Er ontbrak de mogelijkheid om te struinen, ongehinderd door hekken of sloten.

En dus, besloot de gemeente in 1928, moest er een bos komen. Niet zomaar een parkje of een meer met wat groen, maar een bos van 895 hectare, aangelegd op uitdagend terrein. Een echt stadsbos, een landschap van vrij te betreden speel- en struinvelden, afgewisseld door watertjes en met echt woud zoals in Gelderland, Brabant of Drenthe. Een bos waarin je kon verdwalen, waarin je het gevoel had in de vrije natuur te zijn.

Het project Amsterdamse Bos maakte deel uit van het ambitieuze Algemeen Uitbreidingsplan, dat de nieuwe afdeling Stadsontwikkeling binnen de Dienst der Publieke Werken in 1934 had gepresenteerd. De aanleg van een groot bos dicht bij de toekomstige westelijke tuinsteden compenseerde het gebrek aan natuurgebieden in de omgeving van Amsterdam en gaf de stadsbewoners die geen tijd of geld hadden om naar het strand of het Gooi te gaan toch de mogelijkheid zich te ontspannen in de natuur.

Vrijheid

De eerste die het gebrek aan vrije natuur in de omgeving van Amsterdam aankaartte, was Jac. P. Thijsse (1865-1945) geweest, onderwijzer, bioloog en voorman van de natuurbeweging in Nederland. In 1908 pleitte hij in het Algemeen Dagblad voor de aanleg van natuurparken in de omgeving van Amsterdam. Thijsse had een breed natuurbegrip, dat ook het cultuurlandschap omvatte. Zowel een poldersloot als een ongerept duin- of heidelandschap was voor hem waardevolle, inheemse natuur die zich in de loop van jaren had ontwikkeld, vaker wel dan niet in samenspel met de mens. Het ‘vrije’ in vrije natuur had meer te maken met een gevoel van vrijheid – het naar hartenlust mogen struinen – dan met vrij van menselijke invloed.

Thijsse wilde bos binnen het bereik van de stedeling brengen. Contact met de natuur en de voldoening die dat gaf, dáár ging het om – of die natuur nu ruig en wild was of een onderdeel van het cultuurlandschap. Het idee van ‘de Hollandse natuur’ als breed toegankelijk middel tot geestelijke verheffing sloot naadloos aan bij de idealen van stedenbouwers zoals Cornelis van Eesteren. Thijsse’s ideeën zijn van grote invloed geweest op het Amsterdamse Bos. Hij zat in de ‘Boscommissie’ en was adviseur bij zowel het ontwerpen als de uitvoering.

Een bos aanleggen onder de zeespiegel betekende een waterstaatkundig huzarenstukje. “Allemaal klei en veen”, schreef het ANWB-blad De Kampioen in 1937, “maak daar nu maar eens een ontspanningsoord van, dat niet te vochtig is, dat allerlei sport mogelijk maakt, waar vele soorten van boomen, struiken en kruiden moeten groeien en bloeien!” Er werd gemeten, gerekend, gepeild en getekend. Het gebied dat bestemd was voor het Amsterdamse Bos besloeg in totaal zes polders. Vier polders lagen tamelijk diep op min of meer hetzelfde niveau van 4,7 meter onder N.A.P.; voor de waterhuishouding van het bos was het goed om die samen te voegen. Een ingenieus systeem van afwatering en drainage reguleerde het grondwaterpeil.

‘Re-creëren’

De ontwerpers van het bos waren de stedenbouwkundigen Cornelis van Eesteren (1898-1988) en Jacoba Mulder (1900-1988), beide in dienst van de jonge afdeling Stadsontwikkeling. Van Eesteren had de leiding. Een commissie van plantendeskundigen, ingenieurs en ambtenaren van de Dienst der Publieke Werken stond hen bij. De eisen die aan een ‘stadspark’ gesteld werden, waren sterk veranderd: een modern park was er niet meer voor het esthetische genoegen of de romantische vervoering van de individuele bezoeker, het was nu een park voor de massa, die zich er in het weekend kon opladen voor een nieuwe werkweek. Voor dit “re-creëren” – een nieuwe term in de jaren twintig en dertig – moest het Amsterdamse Bos de ideale plek worden, met ruimte voor natuurbeleving en zeker ook voor lichamelijke oefening en culturele activiteiten.

Het combineren van recreatie en natuur was de grote opgave waarvoor de ontwerpers zich gesteld zagen. Ze hadden geen binnenlandse voorbeelden. In het buitenland waren wel grote landschapsparken bij steden aangelegd, maar (vrijwel) geen was eigentijds. Ze waren (in de woorden van Jac. P. Thijsse) “genoopt om hier oorspronkelijk te werken en min of meer uitvinderswerk te verrichten”. Natuurlijk keken Van Eesteren en Mulder wel om zich heen. Het meest onder de indruk waren ze van de Engelse parken. Daar werden verschillende elementen ingepast, zoals siertuinen, speelweides en uitkijkpunten, die samen toch een harmonisch geheel vormden. Met uitzichten, doorzichten, hoogteverschillen en verdiept liggende paden – zogenaamde ha-ha’s – waardoor grasvelden ononderbroken leken. En weides die vrij betreden mochten worden. “Dit vrij mogen gaan over de vlakten is psychologisch van groote waarde, omdat op deze wijze het publiek veel meer van het park zal genieten”, schreef Jacoba Mulder in het verslag. “De bezoeker voelt zich zelfstandiger en kan de omgeving beter op zich laten inwerken.”

Voorzieningen die grote groepen mensen trokken, kwamen in het noordelijke deel van het bos, terwijl in het zuidelijke deel natuur en rust voorop stond. Paden verbonden de elementen, terwijl zichtlijnen en in elkaar overlopende weiden zorgden voor samenhang. In november 1936 kregen gemeenteraad en pers het definitieve ontwerp te zien, twee maanden later volgde de presentatie aan het grote publiek op de Bosplan-tentoonstelling.

Zwaar werk

Ironisch genoeg kwam de aanleg van een duur plan als het Amsterdamse Bos juist door de economische crisis van de jaren dertig binnen handbereik. Een recordaantal arbeiders raakte baan en broodwinning kwijt en was aangewezen op de gemeentelijke steun of de armenzorg. Om de “demoraliserende werking” van het nietsdoen tegen te gaan, werden arbeiders tewerkgesteld in de werkverschaffing. De enorme hoeveelheid grondverzet voor het Bosplan leende zich daar perfect voor. Tussen 1934 en 1940 werkten ongeveer 20.000 mensen mee aan de aanleg van het Amsterdamse Bos. Met de schep groeven de werklozen de roeibaan en de waterlopen en legden ze op grote schaal drainage aan. Met kruiwagen en kiepkar – een kleine kiepwagen op verplaatsbaar spoor – werd de aarde aan- en afgevoerd. Graafmachines kwamen er niet aan te pas, ook als de inzet ervan mogelijk was. Op die manier was het project arbeidsintensiever en werden er zoveel mogelijk mensen aan het werk gehouden.

Wie tussen 1934 en 1936 aan het werk moest in het Bos, had grote kans terecht te komen bij de roeibaan. In een ploeg van zes tot acht man ging hij dan 5½ dag per week aan de slag om de 2200 meter lange, 72 meter brede roeibaan te graven. Het werk gebeurde terrasgewijs, met schop en kruiwagen en tot een diepte van twee meter. Het loon werd per ploeg berekend. Het was tariefloon: voor iedere vorm van grondwerk was er een aparte bezoldiging. Zware klei graven verdiende meer dan bomen planten. Bovendien werd er naar gedane arbeid uitbetaald, om ‘lijntrekken’ te voorkomen: doen alsof je flink werkte, maar in feite niets uitvoerde. Kortom, hard doorwerken was het devies. Wie dat kon, verdiende enkele guldens meer dan het steunbedrag van gemiddeld f 12,- per week.
Het werk was geen pretje, zeker niet voor de werkloze banketbakker, diamantslijper of kantoorbediende. Het was fysiek zwaar en de betaling naar gedane arbeid was bepaald niet bevorderlijk voor de onderlinge solidariteit. Een Amsterdamse arbeider vertelt: “Je zat ook wel eens met mensen in een ploeg, die nog nooit met hun handen gewerkt hadden, dan kwam ik met niet meer dan mijn steun thuis. Wat moet je? Als er wat gezegd werd lieten ze hun handen zien: ‘Kijk dan, mijn handen zijn helemaal stuk, ik heb dat werk toch nog nooit gedaan, wat wil je dan?’ (...) Je smeerde je handen in met vaseline en dan heelde dat een beetje ’s avonds en ’s nachts. Maar dan kwam je ’s morgens en als het koud was helemaal, dan barstten je handen stuk, dan liep het bloed erlangs. Ik heb ze zien huilen van de pijn, dat was iets vreselijks. (...) Er waren erbij, die werden kwaad, die wilden geld verdienen. Die gingen met een opzichter praten en proberen in een gouden ploeg terecht te komen, waar ze wel eens tot f 22,- kwamen, aan de kiepkarren.”

Toch waren er veel werkloze Amsterdammers die maar al te graag aan het Bosplan wilden werken. Ze hadden iets te doen en ze verdienden meer dan de steun. En in vergelijking met de werkkampen in Drenthe of Groningen was dit werk een stuk aangenamer, al was het alleen maar omdat ze elke avond naar huis konden.

Na het zware grondwerk kon de beplanting van het bos beginnen. Een ‘Boscommissie’ van praktijk- en geleerde deskundigen leverde lijsten met ‘planten-sociologisch’ correcte soorten en besprak het karakter en de vormgeving van het bos. De samenwerking verliep niet altijd even soepel. Inzet van de felste discussies was de kwestie: welke planten en bomen. In de Nederlandse bossen waren veel exoten (niet oorspronkelijk van hier) ingeburgerd – de paardenkastanje bijvoorbeeld – die sommige commissieleden uit het Amsterdamse Bos wilden weren. Zij propageerden een ‘zuiver’ Noordwest-Europees bos en wilden de exoten alleen in een arboretum plaatsen, een botanische bomentuin. Uiteindelijk werden de deskundigen het eens over 3/5 deel zuiver Noordwest-Europees bos. De rest mocht gemengd zijn met enkele groepen ingeburgerde exoten, maar dan wel vooral in het parkachtige deel bij de ingang.

Rijk

Sportverenigingen kregen een thuisbasis in het bos: tennis, hockey, voetbal, dressuur en cricket. Sport verloor in de jaren twintig zijn elitaire karakter. Het werd niet meer gezien als tijdverdrijf, maar als een manier om lichaam en geest op te laden na een lange werkweek. Dat gold ook voor de watersport, die in die jaren zeer populair was geworden. De aanleg van de Bosbaan had alles te maken met de Europese Kampioenschappen Roeien van 1937, die Amsterdam binnen wilde halen.

Het Amsterdamse Bos ontwikkelde zich in 85 jaar tot een rijk natuurgebied. Het bos is een belangrijke schakel in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur tussen het Gooi en de Nederlandse kust en kan zich wat betreft natuurwaarden meten met de oudere bossen in het land. Het bos is leefgebied en broedplaats voor talloze diersoorten, van ijsvogels en ringslangen tot wezels. In het noorden geldt het brede natuurbegrip van Jac. P. Thijsse, in het zuiden (plus de oevers van de Nieuwe Meer) is het streven naar wat meer ‘oer-natuur’ en wildernis. De oorspronkelijke opzet is daarmee grotendeels intact gebleven. Zoals de boswachters het graag zeggen: wie vandaag de dag de weg zoekt in het Amsterdamse Bos, kan prima uit de voeten met de tentoonstellingskaart uit 1937.

Het oorspronkelijke ontwerp van het Amsterdamse Bos heeft alle veranderingen in ‘ons’ recreatiegedrag kunnen opvangen. Wandelen, zwemmen, paardrijden, natuureducatie en fietsen zijn nog steeds de hoofdmoot, naast nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals nordic walking, bootcamps, survival running, mountainbiken, tai chi en mud run. Er is zelfs een ‘off-the-track’ pad uitgezet om de wandelaar te verleiden, zoals Van Eesteren en Mulder hoopten, van de gebaande paden af te gaan.

SOFIA DUPON & JOUKE VAN DER WERF ZIJN ARCHITECTUURHISTORICI EN DE AUTEURS VAN HET AMSTERDAMSE BOS. EEN GESCHIEDENIS, DAT OP 12 JUNI IS VERSCHENEN BIJ UITGEVERIJ THOTH.

Beeld: Affiche Bosplantentoonstelling 1937, door Henk Henriët. Collectie Stadsarchief

Juninummer 2019