Nieuwsgierig dromden de Amsterdammers om hem heen toen hij voor het eerst met zijn schildersezel op straat aan de slag ging. De commentaren waren niet van de lucht. Talloze plekken en taferelen legde hij zo vast. Altijd hadden de mensen zijn aandacht. Voor het eerst is er nu een grote tentoonstelling over dit werk. Wij geven u een voorproefje.

Al heeft hij nog zoveel rondgezworven en buiten de landsgrenzen gewerkt, Isaac Israels was een Amsterdammer. Hij werd geboren op 3 februari 1865 op Prinsengracht 506, vlakbij de Leidsekruisstraat als tweede kind van de schilder Jozef Israëls en Aleida Schaap. In 1871 verhuisde het gezin naar Den Haag. Isaacs schilderstalent was toen al duidelijk. In februari 1887 vestigde hij zich op Rozengracht 15 bij de Westerkerk. Een half jaar later verhuisde hij naar Warmoesstraat 12, met uitzicht op het Centraal Station in aanbouw. Het langst heeft Israels zijn atelier gehad in de wijk buiten de Muiderpoort die toen in aanbouw was. Op Eerste Parkstraat 438 (nu ‘Het Witsenhuis’, Oosterpark 82) waar vrijwel de hele Beweging van Tachtig over de vloer kwam, deelde hij de voordeur met achtereenvolgens de schilders George Breitner, Willem Witsen, de dichters Willem Kloos en Hein Boeken, de beeldhouwster Saar de Swart en in 1904 opnieuw Witsen.
Israels doorkruiste de stad met een schetsboek en was vaak in gezelschap van zijn beste vriend, de schrijver en jurist Frans Erens. Ze gingen het nachtleven in, naar de danslokalen op de Zeedijk en de tingeltangels in de Nes, op zoek naar vluchtig genot en naar inspiratie voor hun werk.
De schilderijen, aquarellen en pastels ontstonden niet alleen in Israels’ ateliers. Op diverse adressen in de stad koos hij positie, meestal op een eerste etage. In 1894 vroeg en kreeg Israels van B&W een vergunning zijn schildersezel op straat te mogen zetten. De eerste keer al trok hij veel bekijks en kreeg hij luide commentaren van omstanders toen hij op de sluis van de Leidsegracht en de Herengracht drie jonge modellen schilderde. Aan Erens schreef hij die dag: “Het is voor die arme dondersteentjes een lastige opgave geweest om te poseren; met fatsoen wordt niet gespot, menen de Amsterdammers.” Maar hij voelde zich in zijn element.
Veel plekken waar Israels het Amsterdamse leven vastlegde, zijn nu voor het eerst gelokaliseerd en uit de ruim 360 schetsboeken zijn nieuwe gezichten en stadsgezichten tevoorschijn gekomen. Het werk van Israels uit die periode heeft altijd één ding gemeen: niet de stad, maar de mensen in de stad, de passanten en dan vooral de vrouwen, hadden zijn aandacht: bakkersjongens, wandelaars en vele dagmeisjes, waspitten, koffiepiksters en andere werkvrouwen. En telkens duwt een karrenvoerder zijn handkar het beeld in.

De tentoonstelling Isaac Israels in Amsterdam in het Stadsarchief Amsterdam (van 15 juni tot 26 augustus) toont voor het eerst een grote keuze uit het levendige Amsterdamse werk van Israels. Anders dan van Amsterdamse schilders als Breitner en Witsen is een dergelijke bijzondere collectie nog niet eerder bijeen gebracht.
Tegelijkertijd verschijnt het gelijknamige boek van Freek Heijbroek, conservator bij het Rijksmuseum en journaliste Jessica Voeten. Daarin worden meer dan twintig locaties beschreven en getoond aan de hand van bekend en veelal onbekend en tot nu toe niet eerder gelokaliseerd werk uit schetsboeken en uit particulier bezit. Voor het eerst is gebruik gemaakt van de brieven die Israels van 1888 tot zijn dood in 1934 schreef aan Frans Erens. Isaac Israels in Amsterdam verschijnt bij Uitgeverij Thoth, in samenwerking met het Stadsarchief Amsterdam.
Het stadsarchief organiseert ook stadswandelingen naar aanleiding van deze tentoonstelling.