In Advocaat van de hanen – deel vier van zijn romancyclus ‘De tandeloze tijd’ – laat A.F.Th. van der Heijden zijn alter ego, de toneelschrijver Albert Egberts, tijdens een ontruimingsactie in Amsterdam zeggen: “Je begrijpt dat ik naar een toekomstig stuk sta te kijken. Een moderne Gijsbrecht.”
Van der Heijden stamt evenmin uit Amsterdam als zijn illustere voorganger Joost van den Vondel. Hij werd op 15 oktober 1951 geboren in Eindhoven, groeide op in het Brabantse Geldrop, studeerde filosofie in Nijmegen en kwam in 1976 naar Amsterdam. Daar woonde hij achtereenvolgens in de Pijp, de Nieuwmarktbuurt, de Concertgebouwbuurt en de grachtengordel. Behalve een fenomenale romanschrijver, is Van der Heijden – net als de auteur van de Gijsbrecht – een voortreffelijk chroniqueur van zijn stad. Amsterdam is niet alleen het decor van een belangrijk deel van Van der Heijdens sterk autobiografische oeuvre, het is er in hoge mate ook het subject van. Met de kroniek van zijn eigen leven schrijft hij ook de kroniek van de stad, waarbij een mengeling van werkelijkheid en fictie een zeer herkenbaar beeld oplevert.

Kroningsdag als uitgangspunt voor romancyclus

In 1983 gaf Van der Heijden zijn proloog bij ‘De tandeloze tijd’ de titel De slag om de Blauwbrug. Zo had journalist John Jansen van Galen de gevechten aangeduid tussen de mobiele eenheid en ‘autonomen’, die tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix woedden in het centrum. Op 14 april 1990 zei Van der Heijden in een terugblik in de Haagse Post: “Op 30 april 1980 lag ik prinsheerlijk op mijn rug op een strandje ten zuiden van Napels. Voordat ik weg ging had ik wel een paar mensen strenge instructies gegeven om alle artikelen over die dag te verzamelen. Ik wist al dat die dag het uitgangspunt, het vertrekpunt zou worden voor een romantrilogie. Bovendien hadden we kort tevoren die hele Vondelstraat-affaire gehad. Het hing in de lucht. Het kon niet anders. Ik verwachtte dus dat het met die kroning wel prijs zou zijn. Nou ben ik ook weer niet zo’n grote anarchist dat ik daarop gehoopt had, maar ik had toen net het pak van de kroniekschrijver aangetrokken. En dan wacht je toch met je pen in de hand af.”
Inderdaad is De slag om de Blauwbrug een nauwkeurige weergave van de gebeurtenissen van de kroningsdag, maar dan gezien door de bril van de geflipte filosofiestudent, heroïnejunk en autokraker Albert Egberts, die op de kroningsdag 30 jaar wordt. Omdat de politie de binnenstad in verband met de verwachte drukte en eventuele rellen autovrij heeft gemaakt, heeft de held grote moeite met zijn brood- oftewel dope-winning.

Feiten tot fictie verheven
Advocaat van de hanen is geïnspireerd door de affaire Hans Kok, de kraker die in 1985 onder dubieuze omstandigheden in een politiecel overleed. De hoofdpersoon, mr. Ernst Quispel, symboliseert de problematiek van de romanschrijver die als waarnemer moet oppassen niet te zeer deelnemer te worden, omdat hij dan het overzicht verliest. Quispel raakt in ieder geval te zeer betrokken en gaat ten onder. In een dagboek van begin 1990, gepubliceerd in literair tijdschrift Bzzlletin, vertelt Van der Heijden hoe hij zocht naar een passend beroep voor zijn hoofdpersoon. “Hij zou iemand kunnen zijn die krachtens zijn vak bij ‘grote gebeurtenissen’ betrokken is. Ik dacht aan Stan van Houcke, toenmalige schandaalverslaggever van Stad Radio Amsterdam, altijd haantje de voorste bij rellen etc.” Uiteindelijk vond Van der Heijden een journalist “te voor de hand liggend” en koos hij voor een advocaat, die overeenkomsten vertoont met de ‘krakersadvocaat’ Henk Kersting.
Advocaat van de hanen is gecompliceerder dan De slag om de Blauwbrug. Weliswaar baseert de schrijver zich ook in dit boek op historische feiten, gezien vanuit het perspectief van een fictieve hoofdpersoon, maar in Advocaat van de hanen zijn ook de historische feiten tot fictie verheven. Zo wordt de affaire Hans Kok de affaire Kiliaan Noppen, die zich afspeelt in april 1985 in plaats van in oktober van dat jaar, zoals in werkelijkheid het geval was. Bovendien wordt ‘Dr. Nop’ niet, zoals Hans Kok, opgepakt bij een ontruiming in de Schaepmanstraat (Staatsliedenbuurt) maar bij een gefingeerde ontruiming van Huis van Bewaring in de Havenstraat.

Leven in de breedte

De hoofdpersonen in De slag om de Blauwbrug en Advocaat van de hanen zijn beiden verslaafd: Egberts aan heroïne en Quispel aan drank. De advocaat is een ‘kwartaaldrinker’ die ongeveer één keer per jaar overvallen wordt door een onverklaarbare, niet te voorspellen euforie, die gepaard gaat met alcoholische en seksuele onverzadigbaarheid. In interviews heeft Van der Heijden gezegd zelf zulke euforische perioden te hebben beleefd in 1978 en in maart-april 1986. Hij beschrijft een soort omgekeerde herfstdepressies, die voor iedereen die het ooit lente en zomer in Amsterdam heeft zien worden zeer herkenbaar zijn.
Quispels euforie staat voor de metamorfose die de stad in april ondergaat, als het tere groen langs de grachten het zonlicht filtert, zwermen mensen zonder jas caféterrassen overspoelen en door geopende ramen flarden muziek klinken. Als geen ander schildert Van der Heijden de lente-euforie van de stad zelf – there’s something in the air – en die fascinerende atmosfeer verbindt hij als vanzelfsprekend met opwindende gebeurtenissen in Amsterdam. Vandaar dat in Advocaat van de hanen Kiliaan Noppen op 25 april, kort na zijn arrestatie, overlijdt. In werkelijkheid stierf Hans Kok op 25 oktober 1985 in cel B21 in het hoofdbureau van politie in de Marnixstraat. Aan het eind van het boek treden de burgemeester en de hoofdcommissaris af, waarmee Van der Heijden de Hans Kok-affaire vermengt met de bouwvakkersopstand (en provorellen) van 1966. Als gevolg daarvan moesten hoofdcommissaris Van der Molen en burgemeester Van Hall immers het veld ruimen.
De euforie van Quispel is een invulling van Van der Heijdens adaium ‘leven in de breedte’, dat – in Nederland althans – alleen in Amsterdam mogelijk is. In de woorden van Albert Egberts: “(…) er was een duizelingwekkend bestaan mogelijk – niet ‘in de lengte’, zoals we gewend waren, maar in de breedte, waar alles sneller verliep, meer in beweging was, geen aardse tijd verloren ging: waar alle gebeurtenissen zich gelijktijdig afspeelden, in plaats van elkaar tijdrovend op te volgen… Het verschil met vroeger wasd at ik het niet met veel inspanning hoefde op te roepen. Nu overviel het me eenvoudig.”
Waarom dat leven hem in Amsterdam overviel en niet in Geldrop of in Nijmegen, laat hij Egberts zeggen als deze op de ochtend van de 30ste april met een taxi over de Blauwbrug rijdt: “Om niet langer te hoeven wachten op een leven dat er was en me ‘ongebruikt voorbijstroomde’ [zoals in Nijmegen de Waal-EE] verhuisde ik naar de hoofdstad, die zijn rivier gekanaliseerd in zich opnam, ondergeschikt maakte aan de eigen stofwisseling, en pas aan het IJ prijsgaf na elke druppel ervan door zijn aderen te hebben voelen gaan. De Amstel had een complete stad tot delta. En inderdaad: in Amsterdam was het leven dwars door me heen gegaan. Het had me doorzeefd.” Het Amsterdam-in-de-breedte wordt door Ernst Quispel verwoord als “dat ene ideale toneelcafé”.

Geen buurt blijft onbesproken

Van der Heijdens helden eigenen zich de stad toe, consumeren haar, verslinden haar en het lijkt wel of geen enkel steegje, geen enkel café, geen enkele gebeurtenis en geen enkel tijdverschijnsel hun onthouden mag blijven. Via de autokraker Egberts, die de binnenstad afstroopt om in zijn levensonderhoud te voorzien, neemt Van der Heijden zijn lezer mee op een soort toeristische trip door de binnenstad. En passant krijgt de lezer situatie en discussies voorgeschoteld die typisch Amsterdams zijn. Uiteraard voert Advocaat van de hanen ons langs talloze drankgelegenheden. Maar eigenlijk blijft er geen buur tof kwestie onbeschreven dankzij het onderwerp Hans Kok, de situering in het milieu van kraker en punks en het yuppenbestaan van Quispel: de verbouwing van het Concertgebouw, de opening van de Stopera, het cellentekort, de verkrachter met de hond, oprukkende vreemdelingenhaat, de Bhagwan-sekte, enzovoort.
De beschrijvingen van Amsterdam zijn zo levensecht omdat de auteur vooral die buurten beschrijft waarin hij geleefd, gewoond of gewerkt heeft. Begin jaren tachtig huurde Van der Heijden een cel in het toen niet meer als zodanig in gebruik zijnde Huis van Bewaring in de Havenstraat, vlakbij het voormalige Haarlemmermeerstation. Albert Egberts zat een tijdje vast in de Havenstraat, wegens een aanslag op de neo-nazi Arend-Jan Baarscheer, en Ernst Quispel heeft er een pied-à-terre. Zowel in De slag om de Blauwbrug als in Advocaat van de hanen worden het Huis van Bewaring en het Haarlemmermeercircuit – in de lente, vol bloeiende narcissen – uitvoerig beschreven. Tot Van der Heijdens territorium behoren verder de grachtengordel, de buurt rond Concertgebouw en Vondelpark, en – in mindere mate – de Pijp, waar Quispel in de Kuipersstraat 30 zijn carrière als advocaat begon. In De slag om de Blauwbrug kunnen we Egberts een nacht en een dag volgen langs het Singel, de Wolvenstraat, Herengracht en Keizersgracht, waar hij een auto probeert leeg te halen, de Jordaan, waar hij een dronken man thuis aflevert, de Nieuwezijds, de Kalverstraat en de Munt, waar de kraampjes voor Koninginnedag in gereedheid worden gebracht en waar het boek begint. Op het Rembrandtplein wacht hij vervolgens op een taxi, waarmee hij ’s ochtends via de Blauwbrug naar Oost rijdt. Later op de dag keert hij terug naar de Blauwbrug, waar hij in café De Strooien Boot, op de hoek van de Amstel en de Nieuwe Amstelstraat, op de televisie de toespraak volgt van de net ingehuldigde koningin.

Echte en verzonnen namen

Er is iets vreemds aan de hand met Van der Heijdens beschrijvingen van Amsterdamse lokaties. Over het algemeen houden straten en cafés hun eigen namen, maar sommige worden op een wat flauwe manier verhaspeld. Zo is in café De Strooien Boot gemakkelijk café ’t Hooischip te ontdekken. En zo moet Dogshit City in de Handboogstraat welhaast Dansen bij Jansen zijn – kennelijk geïnspireerd door de zinsnede “Want Amsterdam is poep op de stoep en dansen bij Jansen” uit een bekend lied gezongen door Danny de Munk. In Advocaat van de hanen figureert figureer ditzelfde Dogshit City, dat zich hier echter bevindt in de Elleboogsteeg en door Quispel wordt aangeduid als een “mal soort studentendisco”.
Van der Heijden gebruikt echte en verzonnen namen door elkaar, zoals hij ook in zijn beschrijving van de Hans Kok-affaire werkelijkheid en fictie afwisselt. Een deel van Advocaat van de hanen speelt zich af rond Quispels huis op de Kloveniersburgwal, waarvan hij een exacte plaatsbepaling geeft: “Daar lag de Kloov. Er waren lange dienstjaren voor nodig, belangrijke wapenfeiten, om de Kloveniersburgwal De Kloov te mogen noemen. (…) Als hij via de Damstraat en de Oude Hoogstraat kwam, moest Quispel hier altijd even zijn pas inhouden om van een afstand naar zijn huis te kijken. Het bevond zich in een nog gave oude gevelrij tussen de smalle Zandstraat en de Raamgracht. In hetzelfde blok lag café De Engelandvaarder, dat zijn naam ontleende aan een oorlogsroman (…).” Uiteraard heeft Van der Heijden het hier over literair café De Engelbewaarder, stamcafé van de redactie van Vrij Nederland (in het boek Nederland op zondag), gevestigd op de hoek van de Raamgracht. Het huis van Quispel was de schrijver welbekend; hijzelf bewoonde in 1985 Kloveniersburgwal 65.
Andere verbasteringen zijn: Radio Munt voor Radio Stad. Het Devies voor Het Parool (de NRC en Telegraaf houden hun eigen naam), Wrongel voor Carmiggelts pseudoniem Kronkel, Doos op de Stop voor Stopera (Maupoleum blijft echter Maupoleum). Pater van Kilsdonk heet pater Van Vlokhoven en zwaait uiteraard met zijn wijwaterkwast bij de nachtelijke begrafenis van Kiliaan Noppen op Kommervlugt, wat staat voor Zorgvlied. Overigens sluipt hier de werkelijkheid weer binnen: ook Hans Kok werd ’s avonds begraven, om krakersrellen te voorkomen.
Het waarom van het al dan niet veranderen van namen is onduidelijk. Arti blijft Arti, Hoppe – waar “hufters met verkeerde snorren en verkeerde schoenen” op de stoep staan, “pilsie in de klauwen” – blijft Hoppe, maar RumRunners op Prinsengracht 277 heet plotseling “SalsaSellers, een opgeknapt koetshuis in de schaduw van de Oude Wester en het Anne Frankhuis”. En café Koekenbier, Eerste van der Helststraat 52, wordt café Bierenbroodspot vlak bij het Sarphatipark”.

Eén worden met de stad
De slag om de Blauwbrug en Advocaat van de hanen geven zo’n gedetailleerd beeld van Amsterdam, dat het nalopen van de routes die de hoofdpersonen volgen dagen in beslag zou nemen. Heel mooi is het begin van Quispels euforie als hij zich in de P.C. Hooftstraat vergaapt aan dure, italiaanse dassen. Via omwegen belandt hij ten slotte op het Centraal Station, waar hij geld, kleren en dassen opbergt in een kluis. “Hij wist dat hij hier de komende dagen regelmatig terug zou komen om op z’n minst van das te verwisselen.” Vanuit het CS kan zijn alcoholische zegetocht beginnen. “Het gevoel dat de opensplijtende deuren van het Centraal Station hem hadden bezorgd – dat alle obstakels van de stad elegant in tweeën spleten om hem door te laten – bleef hij gedurende zijn hele wandeling over Damrak en Rokin behouden.”
Tijdens zijn drinkperiode overkomt Quispel iets dat waarschijnlijk voor velen herkenbaar is: hij wordt één met de stad. “Een ontoegankelijk labyrint bleef de stad niet. In de loop van de eerst week ontstonden verspreid over Amsterdam steeds meer en steeds complexer meet kundige figuren, waarvan de hoekpunten door cafés en andere etablissementen werden gevormd, en een enkele keer door de woning van een meisje. Het begon bijvoorbeeld met een driehoek, te trekken tussen de Doffer, de Pels en een café aan de tussenliggende Keizersgracht. (…) Tijdens zijn bevlogen dagen was Quispel onafgebroken bezig die als vanzelf ontstane figuren na te trekken.”
Advocaat van de hanen eindigt met Quispels ondergang: hij wordt uit de Orde van Advocaten gezet, staande voor het terras en de speeltuin van het Melkhuis in het Vondelpark ziet hij hoe zijn vrouw Zwanet terugkeert bij haar oude liefde Albert Egberts en ten slotte begint hij in een café “aan een grachtje niet ver van de Westerkerk” (’t Smalle op de Egelantiersgracht) aan een langzame ‘zelfmoord’.

Chroniqueur à la Zola

Van de romancyclus ‘De tandeloze tijd’ kunnen de proloog (De slag om de Blauwbrug, 1983) en deel vier (Advocaat van de hanen, 1990) tot de geschiedschrijving van Amsterdam worden gerekend. De delen een (Vallende ouders, 1983) en twee (De gevarendriehoek, 1985) spelen in Nijmegen en Geldrop, terwijl deel drie, het nog te verschijnen Sneeuwnacht in september, ongetwijfeld weer Amsterdam tot onderwerp zal hebben. Tussen ‘De tandeloze tijd’-delen schreef Van der Heijden nog De sandwich, in 1986, dat deels in Amsterdam speelt, en het science-fictionachtige Het leven uit een dag (1988), met een fictieve stad als decor. A.F.Th. van der Heijden begon zijn schrijversloopbaan als Patrizio Canaponi. Onder die naam publiceerde hij in 1978 Een gondel in de Herengracht en in 1979 De draaideur. Die Herengracht is de Amsterdamse en de draaideur is die van café Americain op het Leidseplein. Beide boeken spelen in Amsterdam, maar wat Canaponi van Van der Heijden onderscheidt, is dat de laatste zich ontwikkeld heeft tot een schrijver die het Amsterdam van de jaren tachtig heeft vereeuwigd op een manier die alleen te vergelijken is met de wijze waarop Zola dat een eeuw eerder deed met Parijs.

Elsbeth Etty
Maart 1992