Als ze een bordje aan de gevel hadden gehad zou daar iets op hebben gestaan als: ‘Van de Velde & Zoon, voor al uw maritieme kunst’. Rond het midden van de zeventiende eeuw gold het atelier van Willem van de Velde de Oude en zijn zoon Willem van de Velde de Jonge als hét adres voor afbeeldingen met schepen, of dat nu een pentekening was, een schilderij of een ontwerp voor een wandtapijt. Hun klanten waren Europese vorsten en admiralen maar ook gewone burgers die een aardig ‘zeetje’ zochten voor hun huis. Voor hen legden de beide Willems de maritieme wereld van hun tijd op sublieme wijze vast. Ze verruilden Amsterdam in 1673 voor Engeland, maar hun beste werk maakten ze in de Republiek.

Penschilderijen

Over de beginjaren van dit familiebedrijf in wording weten we weinig. Willem van de Velde de Oude was de zoon van een Leidse binnenschipper. Van wie hij tekenles kreeg is niet bekend. Uit zijn huwelijk met Judick van Leeuwen, ook uit Leiden, werd in 1633 een zoon geboren, Willem van de Velde de Jonge. De bloeiende kunstmarkt in Amsterdam lijkt de reden te zijn geweest om zich daar kort daarna te vestigen als ‘scheep teyckenaer’ . Uit de vroegste periode in Amsterdam zijn enkele prenten bekend waarvoor Van de Velde de tekeningen leverde.

Zoals dat gaat in een familiebedrijf was de oudste zoon voorbestemd om ook kunstenaar te worden. Tekenen leerde de jonge Willem thuis, in de Korte Koningsstraat. Rond 1652 verhuisden de Van de Veldes naar een woning vlak bij de Montelbaanstoren. De ouders zagen meer mogelijkheden voor hun getalenteerde zoon. Hij moest leren schilderen in olieverf, een vaardigheid die zijn vader niet beheerste. Bij Simon de Vlieger in Weesp, een van de beste zeeschilders van die tijd, leerde hij om te gaan met kleur en licht op het water, iets waar zijn vader minder mee bezig was.

Vader en zoon Van de Velde waren bepaald niet de enige zeeschilders die om de gunst van kunstkopers dongen. Alleen al in Amsterdam waren er in 1650 zo’n twintig zeeschilders actief. Hoe kon een atelier als dat van de Van de Veldes zich op die markt onderscheiden?

Van de Velde de Oude had daar al een begin mee gemaakt met zijn virtuoze pentekeningen, eerst op perkament en later op doek en paneel, zogeheten penschilderijen. Een goede klant was bijvoorbeeld admiraal Cornelis Tromp, die een aantal penschilderijen liet maken van de verrichtingen van zijn vader Maerten Harpertsz Tromp, maar ook van zijn eigen heldendaden.

Flodderende luchten

Na de jonge Willem zijn leertijd voltooid had, kon het atelier zijn assortiment verbreden. Naast dure penschilderijen was er nu ook een minder arbeidsintensief en dus goedkoper product te koop: schilderijen in olieverf. Van de Velde de Jonge was bovendien vernieuwend in zijn benadering. ‘Hij had een schoone, doorschijnende, en vrolijke schilderwijze,’ schreef Jacob Campo Weyerman omstreeks 1730 in zijn kunstenaarslexicon, ‘zijne scheepen zijn konstiglijk getêkent, en wonderlijk geschildert, de luchten flodderend, en aanlokkelijk behandelt.’

Relaties waren een belangrijke voorwaarde voor succes. Een invloedrijk familielid was een zwager van Willem de Oude: Jacob Agges, de man van zijn zuster Maertgen. Agges was commissaris van de Admiraliteit van Amsterdam op Vlieland, waar hij voor de oorlogsvloot de formaliteiten afhandelde bij vertrek en binnenkomst in het Vlie. Willem van de Velde de Oude moet regelmatig bij hem hebben gelogeerd en de vlootbewegingen hebben vastgelegd. Op Vlieland kon hij zijn penschilderijen aanbieden aan hoge marineofficieren. Ook zijn zoon profiteerde van die contacten en kreeg opdrachten voor scheepsportretten en schilderijen van zeeslagen.

Een goede relatie was verder Pieter Blaeu, zoon van de beroemde cartograaf Joan Blaeu, die een groot internationaal netwerk had. Via hem sleepte Van de Velde de Oude opdrachten in de wacht van leden van de familie De’ Medici in Florence.

Vader en zoon hadden een uitgekiende taakverdeling. De Oude legde de contacten met belangrijke klanten en voorzag het atelier van materiaal voor nieuwe kunstwerken. Tijdens zeeslagen en expedities maakte hij tekeningen op lange vellen papier. Hij voer daarvoor regelmatig mee met de oorlogsvloot op een galjoot, een klein zeilschip. Terug aan land bracht hij aan de hand van zijn schetsen aan de marineautoriteiten verslag uit van de gebeurtenissen op zee. Die tekeningen dienden vervolgens als basis voor zijn eigen penschilderijen en de olieverfwerken van de Jonge.

Rampjaar

Het liefdesleven van de Van de Veldes ging niet over rozen. Zo liep het huwelijk van de Jonge al binnen een jaar op de klippen nadat hij veel te jong was getrouwd met een meisje uit Weesp, dat hij vermoedelijk had leren kennen tijdens zijn leertijd bij Simon de Vlieger. Notarisakten getuigen van allerlei onverkwikkelijke details, zoals overspel en nachtelijke ruzies.

Van de Velde Senior maakte het nog bonter: die zou verscheidene buitenechtelijke kinderen hebben verwekt, scheidde van tafel en bed en trok enige tijd in bij een minnares. Uiteindelijk kwam er rust aan het thuisfront. De zoon hertrouwde in 1656 met Magdalena Walravens, met wie hij zes kinderen kreeg. Zelfs tussen zijn ouders lijkt het goed te zijn gekomen. Judick van Leeuwen ging in elk geval mee naar Engeland, nadat het atelier daarheen was verplaatst.

Dat laatste was het gevolg van een tegenslag die iedereen in de Republiek trof: het Rampjaar 1672. De Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en enkele Duitse vorsten. Met het leger van Lodewijk XIV in Utrecht hadden burgers wel wat anders aan hun hoofd dan het kopen van kunst. Schilders zagen hun prijzen kelderen, maar de Van de Veldes zagen een nieuwe kans: emigratie naar Engeland.

In de winter van 1672-1673 staken vader en zoon de Noordzee over, op uitnodiging van de Engelse koning KareI I. Dat intussen op diezelfde zee de oorlog met Engeland werd uitgevochten, lijkt hen weinig te hebben gedeerd. Oorlog en kunst zag men als gescheiden werelden.

Held en inspirator

De Van de Veldes kregen van de koning een vorstelijk atelier ter beschikking in Queen’s House, een paleisje aan de Theems in Greenwich. Daarnaast ontvingen ze een koninklijk jaargeld: honderd pond voor ‘William Vande Velde the Elder for taking and making draughts of sea fights’ en hetzelfde bedrag voor zijn zoon ‘for putting the draughts of sea fights into colour’. In Greenwich werkten ze onder meer aan de ontwerpen voor een serie wandtapijten van de Zeeslag bij Solebay (1672), bestemd voor het koninklijke hof. Twee daarvan zijn onlangs aangekocht door het Amsterdamse Scheepvaartmuseum.

Het meeste werk dat de Van de Veldes in Engeland maakten, wordt door kenners minder hoog aangeslagen dan hun Amsterdamse productie. Toch zijn er ook uit hun latere jaren enkele sublieme schilderijen, vooral van de Jonge. Een groot schilderij, het oorlogsschip de Gouden Leeuw op het IJ van het Amsterdam Museum, behoort tot zijn latere topwerken. Hij maakte het toen hij in 1686 korte tijd in Amsterdam verbleef, in opdracht van de Amsterdamse havenmeesters. Die waren hun geëmigreerd stadgenoot kennelijk niet vergeten.

Willem van de Velde de Oude overleed in 1693 in Londen, zijn zoon in 1708. Het familieatelier hield op te bestaan, maar niet zonder sporen na te laten. Engelse zeeschilders namen het stokje over. Willem van de Velde de Jonge werd hun held en inspirator. Onder hen was William Turner, die, na het zien van een werk van Van de Velde zou hebben gezegd: ‘This made me a painter’.

Beeld: Schepen voor de kust, Willem van de Velde (de jonge). Na 1670. Rijksmuseum.