De naam Elisabeth Bas is een soort sjibbolet: wie na 1970 is geboren gaat bij het horen glazig kijken (het zegt ze niets), mensen van voor 1970 beginnen meteen nostalgisch te mijmeren over de voorgoed voorbije tijd. Want iedereen die de jaren vijftig en zestig bewust heeft meegemaakt, denkt bij Elisabeth Bas meteen aan het sigarenbandje. Mannen op leeftijd rookten toen allemaal nog sigaren, en dat was vaak een 'betje bas'. En kinderen die sigarenbandjes spaarden, hadden áltijd wel een Elisabeth Bas. Ze waren ook heel mooi, die sigarenbandjes met haar portret: een dame op leeftijd met een wit kapje en een enorme molenkraag, zo uit de Gouden Eeuw gestapt, tegen een achtergrond van dieprood en prachtig goud. Je was er blij mee. Wie was deze streng ogende mevrouw, en hoe kwam ze terecht bij een sigarenmerk?

Kampen

Elisabeth Jacobsdochter Bas (ca. 1571-1649), ook wel bekend als Elisabeth van Campen, was een bekende herbergierster uit Amsterdam. Vanaf 1606 runde ze samen met haar echtgenoot een herberg in de Nes: een chic etablissement dat van oudsher de naam De Prince van Orangien droeg en waar deftige gasten logeerden. Het lag op de hoek van de Nes en de Pieter Jacobszstraat – toen heette dit gedeelte van de Nes nog Gansoord – in een buurt vol winkels, kroegen en eetgelegenheden. Haar man was een oorlogsveteraan. Na een indrukwekkende loopbaan als militair, zowel ter zee als te land, had hij besloten het op zijn 40ste wat rustiger aan te doen als herbergier.
Zijn naam was Jochem Hendriksz. Swartenhondt (1566-1627). Elisabeth Bas zou hem ruim twintig jaar overleven en bleef na zijn dood de herberg nog jaren alleen runnen. Ze was een van de ontelbare zakenvrouwen die Amsterdam in de 17de eeuw telde. Als hij van huis was, zorgde zij in haar eentje voor het thuisfront, als hij aan wal was, werkte ze als zijn partner in zaken, en toen hij stierf, zette ze de zaak zelfstandig voort. Het is een veelvoorkomend patroon in vrouwenlevens van de 17de eeuw. Op het portret blikt ze ons zelfverzekerd aan. Ze is een matrone in bonis, die ons de indruk geeft dat ze nergens van opkijkt: geen zee is haar te hoog.
Elisabeth Bas was een nieuwkomer in Amsterdam, zoals zo velen in die roerige tijden van het laatste kwart van de 16de eeuw. Ze kwam uit Kampen, waar haar vader (Jacob Jansz. Bas) een zaak had in 'victualiën' – levensmiddelen dus. Vermoedelijk foerageerde hij schepen. Een bemiddeld man, die in Kampen enige huizen bezat. Moeder Engeltje Lubbersdr. stierf toen Elisabeth een jaar of elf was. Waarschijnlijk is vader Bas een jaar later hertrouwd, want over Elisabeth en haar broertje Lubbert werden in 1583 voogden aangesteld en dat was alleen nodig als de overgebleven ouder hertrouwde.

Kindvluchteling

Rond 1585 verhuisde het gezin naar Amsterdam. Vermoedelijk wilden ze weg uit het oorlogsgebied dat Overijssel toen was. Dan weer was Kampen in handen van de Spanjaarden, dan weer in handen van de opstandelingen. In 1578 koos de stad definitief de kant van Willem van Oranje, maar ook daarna bleef het onrustig. Van de bloeiende hanzenstad was niet veel meer over. De 'negociatie en neeringhe' waren helemaal stil komen te liggen en de burgers vertrokken 'armoetshalven'. En zo kan Elisabeth Bas dus worden gezien als een kindvluchteling van de Tachtigjarige Oorlog.
In Amsterdam begon haar vader een zaak (vermoedelijk opnieuw in victualiën) aan het Singel, op de hoek van de Driekoningenstraat aan de voet van de stadsmuur. In datzelfde jaar 1585 was de stad net begonnen met het uitgraven van een vestinggracht voor de bedrijven en de lijnbanen die daar waren gevestigd – de latere Herengracht. Toen vader Bas in 1595 stierf, erfde Elisabeths broer Lubbert het pand en begon er een bakkerszaak.
Op 15 juni 1596 trouwde 'Lysbeth Jacobsdr. van Campen' met de Amsterdammer Jochem Hendricksz., kapitein op een oorlogsschip. Zijn achternaam Swartenhondt had hij nog niet. Elisabeth was 25 jaar oud, haar bruidegom 30. Wat ze had gedaan in de tien jaar dat ze in Amsterdam woonde, weten we niet. Wel is duidelijk dat ze niet meer aan het Singel woonde: bij haar ondertrouw gaf ze op aan de Oudezijds Achterburgwal te wonen, het oude deel van de stad. Werkte ze in een winkel of horeca-etablissement of was ze misschien inwonende dienstbode bij een familie? In deze buurt waren veel eet- en slaapgelegenheden. Veel vrouwen waren voor hun huwelijk werkzaam als dienstbode. Zo deden ze ervaring op met het werk dat ze getrouwd en wel thuis zouden gaan doen en bovendien spaarden ze zo voor hun uitzet. Er is gesuggereerd dat Elisabeth vóór haar huwelijk zelf een herberg runde, maar daarvoor is nog geen bewijs gevonden.

Engeltje

Jochem Hendrikcksz. was een geboren Amsterdammer van de Zeedijk, een van huis uit eenvoudige jongen die net was bevorderd tot kapitein in dienst van de admiraliteit van Amsterdam. Hij had al veel van de oorlog aan den lijve ondervonden. Zo was hij rond 1585 als matroos in handen gevallen van de Spanjaarden en had hij in krijgsgevangenschap op een galeischip moeten roeien. Later had hij als kanonnier de Spanjaarden moeten dienen – in die rol was hij getuige geweest van de vernietiging van de Armada (1588). Hij wist te ontsnappen en was in handen gevallen van zeerovers. Tussen 1590 en 1594 was hij met Maurits mee op veldtochten geweest. Daarna had hij zich als stuurman aangemonsterd op de oorlogsvloot. Omdat hij een heldenrol had gespeeld bij de entering van een Spaans schip in de Golf van Biskaje, werd hij door de Admiraliteit van Amsterdam bevorderd tot officier en in 1595 volgde zijn promotie tot kapitein. Zijn schip lag twee jaar lang bij Duinkerken, als onderdeel van een blokkadevloot.
De loopbaan van kapitein Jochem Hendriks (die zich Swartenhondt ging noemen, naar zijn geboortehuis aan de Zeedijk) is redelijk goed te reconstrueren – de historicus Tobias van Gent schreef in 2013 een informatief boek over deze 'ruwe bolster, blanke pit'. Veel lastiger is het om zicht te krijgen op het leven van zijn 'huisvrouw' Elisabeth Jacobsdr. Bas. Uit doopregisters en trouwboeken weten we dat ze tussen 1598 en 1608 in ieder geval zes kinderen kreeg: vier jongens en twee meisjes. De jongetjes (drie Hendrikjes, één Jacob) stierven als kind. Alleen Marritje en Engeltje bereikten de volwassenheid en alleen Engeltje zou haar moeder overleven. Het is bekend dat vrouwen van scheepskapiteins de foeragering van schepen voor hun rekening namen – zelfs de vrouw van admiraal Michiel de Ruiter deed dat – en dat gold ook voor Elisabeth Bas. Zo is er een notariële akte van 1602 waarin zij verklaart 3000 broden te hebben besteld bij broer Lubbert. Ook zien we haar grote hoeveelheden wijn inkopen bij wijnhandel Rey aan het Rokin – later zou dochter Marritje trouwen met diens zoon.

Standsbewust

In 1606 koos Elisabeths man voor een burgerlijk bestaan aan land. Op 7 april van dat jaar kocht hij herberg De Prince van Orangien (hoek Nes / Pieter Jacobszstraat), een vijfsterrenhotel waar de stadsbestuurders van Amsterdam hun hoge gasten ontvingen. Het kan niet anders of Elisabeth Bas was ten nauwste betrokken bij het runnen van de herberg. De historicus G. Kolleman suggereert zelfs dat Jochem de zaak voor Elisabeth kocht. Uiteraard is dat goed mogelijk. Een lange reeks van hoge heren heeft gelogeerd in De Prince, na verloop van tijd herdoopt in Den Swarten Hondt. Zo stuurde ze in 1608 een rekening van f 218,- naar de stad in verband met het verblijf van Frederik Hendrik. Ook andere illustere namen passeren de revue, onder wie de gezant van Perzië, graaf Ernst van Nassau en de gecommitteerden van Emden. Ongetwijfeld zullen ook grootheden als Rembrandt, Vondel, Bredero en Roemer Visscher het etablissement hebben bezocht – ze woonden en werkten er om de hoek.
Vanaf 1620 kwam het beheer van de herberg alleen op Elisabeth Bas neer. Haar man trad dat jaar weer in dienst van de admiraliteit (het Twaalfjarig Bestand was afgelopen) en ook na zijn dood in 1627 bleef ze de herbergierster. Rond 1632 verhuisde ze naar de Oudeschans, waar ze een huishouden met drie kleindochters had. In haar laatste testament, opgemaakt op 1 november 1648, trekt ze hun jarenlange kostgeld af van het portie waar ze recht op hebben. Financieel ging het haar niet slecht: in 1631 werd zij bij de Twintigste Penning (een vermogensbelasting van 5%) voor f 90,- aangeslagen. Zij behoorde tot de gegoede burgerij. Een uiting van haar standsbewustzijn is het portret dat ze rond 1640 heeft laten maken – de zakdoek met een kanten randje is een subtiel teken van haar welvaart. Dit portret en het konterfeitsel van haar Jochem uit 1627 liet ze na aan haar enige nog levende kind: Engeltje.

Sigarenbandje

Maar hoe kwam Elisabeth Bas nu op een sigarenbandje? Die vraag is simpel, het antwoord niet. Het ging zo: in 1880 legateerde de familie Van de Pol, nazaten van Engeltje Jochems, hun familiestukken aan het Rijksmuseum. Haar portret zou een Rembrandt zijn en daarmee was het museum bijzonder gelukkig, want het bezat zelf geen werken die zonder problemen aan hem konden worden toegeschreven. Dit stuk leek boven iedere discussie verheven, en het publiek was dol op 'het oude vrouwtje'. Ook sprak men wel van 'de moeder van Rembrandt', hoewel in 1881 was vastgesteld dat het ging om Elisabeth Bas, de grootmoeder van enkele andere geportretteerden uit het legaat-Van de Pol. In 1906 was haar portret een van de meeste geliefde stukken op de grote Rembrandt-tentoonstelling. Ze was de trots van het Rijksmuseum en de lieveling van het publiek. Toen Sjef van Susante in 1909 in Boxtel een nieuwe sigarenfabriek opende en op zoek was naar een naam die het publiek zou aanspreken, koos hij voor dit razend populaire portret van niemand minder dan Rembrandt. Zo werd Elisabeth Bas een begrip onder sigarenrokers. Dat kunsthistorici hevig met elkaar in de clinch gingen over de vraag of het wel een werk van de grote meester was, zal de firma niet veel hebben kunnen schelen. Betje Bas werd ook als sigaar bijzonder populair.
Na bijna een eeuw van debat onder kunsthistorici wordt het portret tegenwoordig toegeschreven aan Rembrandts leerling Ferdinand Bol. Om de verwarring compleet te maken heeft kunsthistoricus Pieter van Thiel in 1992 ook de identiteit van de vrouw zelf ter discussie gesteld. Hoe weten we zo zeker dat het Elisabeth Bas is? Daarom is het Rijksmuseum voorzichtig geworden. Het stuk heet nu: Portret van een oude dame, mogelijk Elisabeth Bas. En zo dankt Elisabeth Bas haar roem aan een intrigerend maar ongesigneerd en ongedateerd olieverfschilderij, maar vooral aan een sigarenbandje.