Het werd een gedenkwaardige avond, die maandag 2 november 1868. Uit alle hoeken van Amsterdam trokken honderden werklieden naar veilinglokaal De Zwaan op de Nieuwendijk. De meesten kwamen rechtstreeks na hun twaalfurige werkdag op werven, suikerbakkerijen, kuiperijen, pakhuizen en timmerwerkplaatsen. Zij wilden het fijne weten over een nieuw soort vereniging, die hoop bood om uit hun ellendige huisvestingssituatie verlost te raken.
Het Amsterdamsch Volksblad was er in mei 1868 over begonnen. De krant schetste op de voorpagina een plan waarin arbeiders onderling "een bouwmaatschappij voor burgerwoningen" oprichtten. Het idee was simpel: als aangesloten arbeiders elke week een dubbeltje betaalden, hadden ze na een jaar een aandeel van f 5,-. Bij 2000 leden kwam er aldus per jaar f 10.000,- in kas, goed voor de bouw van vijftien à twintig percelen met een beneden- en bovenwoning, die dan onder de leden verloot konden worden. Elke perceelwinnaar loste vervolgens met zijn huur en met de verhuur van een etage (huur f 1,- per week) in twintig jaar de bouwkosten af en werd zo eigenaar van de gehele woning. Met deze kasstroom kon de vereniging vervolgens steeds meer woningen bouwen.
Het was een gewaagd idee. Zoiets bestond niet in Nederland. Er waren in Amsterdam wel al drie verenigingen die arbeiderswoningen bouwden, maar die werden geleid door notabelen. De Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen was principieel een zaak van, voor en door arbeiders. De achterliggende coöperatieve gedachte was op andere terreinen al succesvol – in Amsterdam functioneerden meerdere brood-, inkoop-, levensmiddelen- en gereedschapcoöperaties – dus waarom niet met woningen?
Bovendien was de nood enorm. De stad barstte uit haar voegen. Kelders – vanwege de drassige Amsterdamse veengrond vooral bedoeld als vochtwering en opslagruimte – werden volop bewoond. In 1873 werden er 5000 bewoonde kelders geteld, waar ruim 20.000 mensen (8% van de bevolking, gemiddeld 4,14 bewoners per kelder) de nachten doorbrachten. In de achterafsteegjes heerste 'de geur des doods'. In 1866 had een cholera-epidemie in Nederland op een bevolking van 3,5 miljoen mensen nog 21.000 slachtoffers geëist, van wie 1100 in Amsterdam. Precies uit de gebieden met de meeste slachtoffers (Jordaan en Oostelijke Eilanden) trokken de meeste mensen naar veilinglokaal De Zwaan.

Kas

Er meldden zich 700 mensen bij de deur, 500 wisten een plaatsje in de zaal te veroveren. De stemming was vol verwachting. Boekdrukker Ferdinand Vislaake, het brein achter de oprichting, hield zijn gehoor voor dat er slechts één weg was om uit de treurnis te komen: "Helpt U zelven!" De zaal ging er goed voor zitten toen mede-oprichter en houtzaagmolenaarsknecht Klaas Ris het woord nam. Ris genoot in Amsterdam al een reputatie als bestrijder van onrecht en voorvechter van de arbeidersbelangen. Hij was een volksmenner: hoe groter zijn gehoor, des te gepassioneerder hij sprak. Hij legde uit hoe uit de dubbeltjes eigen woningen van arbeiders voort zouden komen. Aan het eind van de avond gaven zo'n 500 Amsterdammers zich op. Potloden werden uit handen gerukt, hele families – ook kinderen – kregen een plek op de lijst. Op de eerste ledenvergadering twee weken later waren het er al 1145 en voor het einde van het jaar 1400.
Zoveel leden die elke week een dubbeltje moesten afdragen, terwijl een fors aantal krap bij kas zat: bleek bepaald geen sinecure. Dat vroeg om een goede organisatie. Acht werklieden traden toe tot het bestuur. Een bouwvoorman, een metselaar, een kuiper, een koopman, een steenkoper, twee timmermannen en zaagmolenaarsknecht Klaas Ris, allemaal ambachtslieden die elke dag zo'n twaalf uur per dag hun bazen dienden. Zij moesten na werktijd de vereniging van de grond tillen. Dat betekende: het entreegeld (f 0,25) incasseren en dubbeltjes ophalen, administreren en bij de kassier bezorgen. Ze moesten op zoek naar bouwgrond en aanvullend kapitaal, om snel te kunnen bouwen en aan de leden te tonen dat ze waar kregen voor hun dubbeltjes. Helaas ging het de Bouwmaatschappij op geen van deze punten voor de wind.

Chaos

Binnen een half jaar was de eerste voorzitter, bouwvoorman Y.J. Kool, verantwoordelijk voor het verdwijnen van f 100,-. Zijn verklaring bracht een golf van woede teweeg. Hij had thuis de kas opgemaakt, zei hij, en was even iets anders gaan doen, terwijl de administratie op de keukentafel lag. Zijn vrouw zag wat papiertjes liggen en had die, nijver en proper als ze was, in de kachel geworpen. Verschillende bankbiljetten waren zo in rook opgegaan. Niemand geloofde dat verhaal. De politie moest eraan te pas komen om te voorkomen dat vergaderingen op een handgemeen uitliepen. Nog lang werd bitter gegrapt over de 'kool' die de Bouwmaatschappij was gestoofd.
Er was een diepe wond geslagen. Kool trad af. Desastreus was vooral de forse uitstroom van leden, die hun geld terugeisten. Dat kon: de dubbeltjes bleven – na aftrek van administratiekosten – van de inlegger. Maar onduidelijkheid in de reglementen leidde tot misverstanden, waarop de leden weigerden nieuwe bestuurders te kiezen. Het was, kortom, chaos. En dat bleef niet onopgemerkt. Pogingen om bij het stadsbestuur grond te verwerven, leden schipbreuk; particuliere geldschieters krabden zich wel drie keer achter de oren om aan dit ruziënde gezelschap arbeiders geld te lenen.
De resterende bestuurders lieten zich niet uit het veld slaan. Ze geloofden in het Grote Doel en waren ervan overtuigd dat ook werkmannen zoals zij dat voor elkaar konden krijgen. In mei 1870 lukte het om aan de Mauritskade een lap grond van ruim 3000 m2 te kopen voor f 2,- per m2. De kas was daarna wel leeg. Om te bouwen moest er extra kapitaal komen. Pogingen "de meergegoeden voor onze zaak te winnen" leverden niks op. De beoogde vijftig woningen zaten er dus voorlopig niet in. Het bestuur besloot in kleinere stappen te werk te gaan. De droom moest tastbaar gemaakt worden. Eerst vier huizen, dan opnieuw geld verzamelen, dan weer wat huizen, en zo verder tot er een echte doorbraak naar een groot bouwblok mogelijk was.

Radicaal

Tussen 1871 en 1875 wist de Bouwmaatschappij aan de Mauritskade het aantal 'dubbeltjespanden', zoals ze in Amsterdam bekend zijn komen te staan, tot 26 uit te breiden. Het bracht de jonge vereniging geen rust. Eerder het tegendeel. Er werd gerommeld met de verhuur, nieuwe huiseigenaren vroegen handgeld voor de onderhuurders, anderen wilden versneld aflossen en onduidelijk was wat er moest gebeuren met eigenaren die hun huur niet betaalden. De Bouwmaatschappij steunde op de goeder trouw van arbeiders, die op basis van onderlinge solidariteit lotgenoten aan een betere woning hielpen. Die gedachte bleek naïef en nauwelijks bestand tegen jaloezie en kortzichtig eigenbelang.
Dat was niet het enige probleem. De huur van f 1,- per week was onvoldoende om de organisatie financieel gezond te houden. De huur moest omhoog. Lang niet iedereen was het daarmee eens, niet in het bestuur en evenmin onder de leden. Voorzitter Klaas Ris – hij was in februari 1874 na de zoveelste bestuurscrisis gekozen – beschouwde alleen al de suggestie van huurverhoging als verkwanseling van de idealen.
Ris was in Amsterdam uitgegroeid tot een bekend boegbeeld van morrende arbeiders. Medio 1869 besloot hij met enkele andere initiatiefnemers van de Bouwmaatschappij een Amsterdamse afdeling van de socialistische Internationale Arbeiders-Associatie (de Eerste Internationale) op te richten onder de naam Nederlandsch Werklieden-Verbond (NWV). Hij organiseerde tweewekelijkse bijeenkomsten in de uitspanning Dalrust bij de Hogesluis, die steeds massaler werden bezocht. Zijn toon werd radicaler: "Zij die een arbeider zijn loon onthouden moeten terecht staan en bij volharding ter dood worden gebracht, want ze zijn gevaarlijker dan de cholera."

Samenwerken

De bom barstte in de vroege zomer van 1874, toen Klaas Ris met veel theater zijn functie als voorzitter neerlegde. Er kwam een commissie om alle grieven te onderzoeken. Alles wat mis was gegaan en nog steeds misging kwam langs op de wekelijkse twee vergaderingen: verdwenen geld, fouten in de bouw, aanbestedingen aan vriendjes, slechte administratie. De conclusie eind november 1874: "Zoo kan en zoo mag het niet blijven, de Administratie is onrein; het Reglement dat in dit alles moet voorzien, werkte de kwade praktijk in de hand; (...) de Maatschappij wordt grotendeels beheerd door mannen, bezield met kwalijk geplaatste heerszuchten, die de werkplaats aan de Vergaderzaal verbinden; de gelden worden niet voordelig genoeg voor de Maatschappij belegd; de Rekeningen en Verantwoordingen zijn niet genoeg gespecificeerd, zodat zij de leden duidelijk kunnen zijn (...). Hierin moet verandering komen, zo mag het nieuwe boekjaar niet ingaan."
Het lot van de Bouwmaatschappij lag nu in handen van Ris' opvolger als voorzitter de schoenmaker Johannes van Buuren. Lid van het eerste uur, had hij zich tot dan buiten de twisten en intriges gehouden. Naast zich wist hij (ook nieuw) vicevoorzitter Bernard Heldt: meubelmaker, voorman van de vakbond van meubelmakers en timmerlieden, en in 1871 oprichter en eerste voorzitter van het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (de verre voorvader van de FNV). Het ANWV vermeed de confrontatie – die de mannen van de Internationale juist opzochten – en koerste op samenwerking en harmonie. "Wij zoeken", schreef Heldt enkele jaren later, "het heil in samenwerking met de overige groepen in de maatschappij; wij zoeken de oplossing niet buiten, maar in de maatschappij. Een geheel ander begrip dus dan dat van hen, die de grondslagen op welke de tegenwoordige maatschappij rust, verrot noemen."

Notabelen

Het duo Van Buuren-Heldt bracht rust in het bestuur van de Bouwmaatschappij. Heldt was een strateeg, een tacticus, een sociaalliberaal, die langs parlementaire weg het lot van arbeiders wilde verbeteren. In het najaar van 1885 werd hij voor de Liberale Unie in het parlement gekozen en was zo de eerste arbeider die tot de Tweede Kamer wist door te dringen. Van Buuren en Heldt wisten de Bouwmaatschappij uit haar langgerekte 'geboortelijden' te verlossen. Ze forceerden een forse huurverhoging (van f 1,- naar f 1,60 per week) en omringden zich in de verenigingsgeledingen met mensen die "ijver en lust bezitten, om met het Bestuur, de nieuwe organisatie der Maatschappij tot stand te brengen".
Er kwam ook een Commissie van Toezicht met vijf notabelen: Jac. Wertheim (uit een bekend Amsterdams bankiersgeslacht en betrokken bij de financiering van meerdere woningbouwinitiatieven), Gerard Heineken (bierbrouwer), Henrick van Lennep (jurist, telg uit een bekend Amsterdams geslacht en oprichter van Bouwmaatschappij Concordia), Gijsbert van Tienhoven (wethouder van Financiën, later burgemeester van Amsterdam) en Willem van der Vliet (procureur-advocaat en later oprichter van de Leidsche Duinwatermaatschappij). Deze heren kregen moeiteloos deuren openen die eerder angstvallig gesloten waren gebleven.
Het werkte. Vanaf 1878 begon de woningproductie op stoom te komen. De trots betrof niet langer een groots ideaal, de trots gold het resultaat: solide woningen met betaalbare huren. De verwerkelijking in de Czaar Peterstraat van het eerste echte complex van 180 dubbeltjeswoningen in 1879 was een grote overwinning. De woningen op de Mauritskade werden afgebouwd en rond 1900 was de Bouwmaatschappij met een kleine duizend woningen de grootste woningbouwvereniging van Amsterdam. De aanhouder had gewonnen.