Begin tegen een oudere Amsterdammer over Heck’s en je bent het eerste halfuur nog niet van hem af. Onvermijdelijk kom je dan terecht bij het Rembrandtplein waar de ‘Grote Heck’ was gevestigd in de voormalige cabaret- en concertzaal Mille Colonnes. Na een grondige verbouwing van dit roemruchte etablissement opende op 16 oktober 1930 een nieuwe publiekstrekker de deuren: Heck’s Victoria Lunchroom en Café, door de bezoekers simpelweg Heck’s genoemd. Huisarchitect Logemann was rigoureus te werk gegaan; de gevel oogde strak en zakelijk, het interieur monumentaal. De kranten berichtten er uitgebreid over. In Het Volksdagblad viel daags na de opening te lezen: “Het publiek dromde onafgebroken door de draaideur binnen. De 14 biljarts waren de eerste vijf minuten al bezet. Men stond er in zijn hemdsmouwen te ‘knikkeren’ of men er al volkomen thuis was.” In de lunchroom was plaats voor zo’n 900 gasten en om die allemaal van drankjes en maaltijden te voorzien waren ruim 90 dienstmeisjes en 45 man keukenpersoneel ingehuurd.

Het publiek kwam massaal op deze nieuwe attractie af. Heck’s Lunchroomketen veroorzaakte zelfs een kleine revolutie in de geschiedenis van het Nederlandse horecawezen. We kunnen namelijk gerust stellen dat deze keten het Nederlandse publiek heeft leren uit eten gaan. Het concept was uniek in die dagen. Niet alleen kon je in de lunchrooms goed en betaalbaar eten, maar tegelijkertijd kon je er luisteren naar live muziek. In de grote vestigingen, waar plaats was voor 500 tot 900 mensen, speelde elke avond en middag een orkest. Eten bij Heck’s was een echt uitje, zonder pijn in de portemonnee.

Heck’s op het Rembrandtplein was niet het eerste filiaal van dit horecafenomeen. Die primeur ging naar Leiden, waar de eerste Heck’s Lunchroom openging op 28 juli 1923. De eerste vestiging in Amsterdam ging datzelfde jaar open op Nieuwendijk 192 onder de naam Heck’s Victoria Lunchroom. Binnen tien jaar opende Heck’s verschillende vestigingen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Nijmegen, Breda, Amersfoort, Hilversum en Leiden. De grote man achter de keten was Henri van der Wolk, een Rotterdammer die was begonnen met een likeurstokerij en vervolgens samen met de bierbrouwersfamilie Rutten uit Limburg een reeks koffiehuizen en proeflokalen exploiteerde. Die bouwde hij langzamerhand om in Heck’s filialen en later tot de lunchrooms of cafetaria’s van Rutten’s en Ruteck’s. (Lees onderaan de pagina de ontstaansgeschiedenis van de keten)

In de jaren dertig waren er in Amsterdam alleen al zes Heck’s, die wel allemaal van elkaar verschilden. Schuin tegenover de ‘Grote Heck’, op de hoek van de Reguliersbreestraat, was sinds 1936 Heck’s Popularis gevestigd. In tegenstelling tot de lunchrooms was hier geen tafelbediening. Hier bestelde je bij het buffet wat je wilde eten en nuttigde dat vervolgens staande aan een rond tafeltje. Het was een ideale plek om ‘zaken’ te doen. Er werd van alles verhandeld, ook dingen die het daglicht niet konden verdragen. De heer Thöne, als leerling-kok begonnen bij Popularis, denkt er nog vaak met weemoed aan terug. “Het was er altijd druk, dus het was hard werken geblazen, maar het was ook de gezelligste tijd van mijn leven.” Soms kwam Heintje Davids de zaak binnen, stevende op een bezoeker af en riep: “Jongen, kom jij eens even hier en help mij eens even over straat.”

Even verderop in de Reguliersbreestraat, zat Heck’s Automatiek. Deze in 1931 geopende zaak was een cafetaria waar je met speciale penningen moest betalen. Het Handelsblad van 1 november meldt hierover met enig ontzag: “Heck’s Automatiek biedt iets nieuws, in zoover, dat ze volautomatisch is: men behoeft er niet aan handles te trekken of op knoppen te drukken. Een of twee Heck-penningen is voldoende en liften beginnen te dalen met roastbeef en broodjes pekelvleesch, paling en harde eieren. Kranen spuiten op magische wijze schuimend pils en aan de buffetten staan koffie- en soepmeneeren die niet automatisch, doch van vleesch en bloed zijn, doch evenals het mechaniek voor luttele penningen hun goede gaven spendeeren.” Ook op zondag was de automatiek open. ’s Morgens om acht uur stond de Amsterdamse penoze voor de deur. Haring Arie en Sjakie Vet waren vaste bezoekers, zo beweert een voormalige buffetdame.

Heck’s Victoria Lunchroom op Nieuwendijk 192 was zoals gezegd de eerste vestiging in Amsterdam en de concurrent van de ‘Grote Heck’. In 1940 ging het totale interieur van deze zaak bij een grote brand in vlammen op, maar nog geen jaar later werd hij al weer heropend. De verbouwing leverde zelfs 150 extra zitplaatsen op. “Volle bak, volle bak,” hoorde je het personeel op zaterdagavond met verhitte koppen roepen en dat betekende dat er meer dan 700 bezoekers binnen waren. Het orkest zat op een podium, direct daarachter bevond zich de biljartzaal. Podium en biljartzaal werden gescheiden door een gordijn, dit tot ergernis van menig muzikant. De heer Levendig, violist bij het orkest van Malando, kon zich er flink druk over maken. “Achter dat gordijn was het altijd een rotherrie, het personeel liep achterlangs van het drankbuffet naar de grote zaal en dat ging met nogal wat gooi- en smijtwerk gepaard. En het biljartpubliek kon z’n mond niet dichthouden. Soms kon ik mijn eigen viool niet meer horen.”

Wie even snel een kop soep of koffie wilde, liep naar Nieuwendijk 108. Hier was sinds 1931 Heck’s Klein Buffet gevestigd. En in de Kalverstraat, als je komend vanaf de Nieuwendijk de Dam overstak, kon je ook terecht bij Rutten’s Cafetaria, die andere tak in de keten, het latere Ruteck’s Self Service Restaurant. De inrichting was een combinatie van cafetaria en lunchroom. Behalve de sta-tafels waren er ook zitjes. “Soms was het paniek,” vertelt de heer Thöne. “Tijdens de avonddienst stond je er als kok alleen voor. Kreeg je ineens een busgezelschap van veertig man binnen die allemaal gebakken aardappelen wilde. Dat was dus onbegonnen werk, maar we hadden er een trucje voor. Tijdens het bakken gooiden we er paprikapoeder doorheen. Zagen de aardappelen er toch lekker bruin uit. En niemand die het ooit gemerkt heeft.”

Hard werken voor weinig geld

Werken bij Heck’s betekende hard werken, soms meer dan twaalf uur per dag, en in ploegendienst. De serveersters kregen voor de oorlog niet betaald (later een gulden per week), maar waren voor hun inkomen aangewezen op de fooien. Elke dag kreeg een serveerster een andere wijk toegewezen en dat leverde nog wel eens scheve ogen op. De wijken in de buurt van het orkest of aan de balustrade van het balkon waren zeer populair. Hier werden de meeste fooien gegeven. Mevrouw Van Wijk kan het zich nog goed herinneren. “We droegen een zwarte blouse en rok en zwarte kousen. Bij aanvang van de dienst moest ik mijn schoenen uitdoen en werd er gekeken of ik geen gaten in mijn kousen had. Voor mijn serveerdoek en speld moest ik een gulden borg betalen. We mochten niet ‘peuken’ (roken). Dat deed je dan stiekem op het toilet, terwijl anderen op je wijk letten.”

De heer Vegerstee, veertien jaar zaalchef bij de ‘Grote Heck’, vertelt een soortgelijk verhaal. “Ik heb er keihard moeten werken, maar ik heb me ook te barsten gelachen.” En dan komen de anekdotes: “Het was op een zaterdagmiddag. In het orkest van Josephine Peusens zat een jonge gitarist die het populaire liedje ‘Ghostriders in the sky’ zong. Bij navraag – hij stond niet op de loonlijst – bleek niemand, ook Josephine niet, deze man te kennen. Het bleek de acteur Johnny Kraaykamp te zijn die een deuntje wilde meespelen. Vegerstee vervolgt: “En dan al die orkesten. De Ramblers, Paul Godwin, Marek Weber, John Kristel, Dajos Béla, de damesorkesten van Clara de Vries en Juultje Cambré en niet te vergeten het showorkest van Boyd Bachman. Boyd was een echte entertainer. Soms sprong hij bij een mooie bezoekster op schoot en zong dan ‘Snoepie, kijk mij eens even aan’.”

Als ik hem vraag wat dat nu precies was, gebakken ijs, antwoordt Vegerstee: “Dat was een schaaltje ijs waarop een laagje schuim was gespoten. Als je het even in de oven zette kreeg het een mooi bruin kleurtje. Kinderen vonden het prachtig.”

Toch, aan de gloriedagen van Heck’s en later ook Ruteck’s – waar in de weekenden ’s middags vele gezinnen aanschoven – kwam na veertig jaar een eind. Tot eind jaren vijftig was de formule een ongekend succes. Het kwam veelvuldig voor dat bezoekers in de rij moesten staan om een tafeltje te bemachtigen. In 1960 begon de teloorgang; steeds meer gezinnen hadden thuis een televisie en voor entertainment hoefde men niet meer per se de deur uit. Het was voor Heck’s en Ruteck’s het begin van het einde. De ketens werden in 1963 opgekocht door Reinier Zwolsman, die ze twee jaar later al weer overdoet aan vastgoedmagnaat ‘Maup’ Caransa. De meeste vestigingen worden opgeheven, zo ook de ‘Grote Heck’ op het Rembrandtplein. Caransa zag er geen heil meer in. “Dit ding is ten dode opgeschreven,” vertelde hij. De hele inboedel werd geveild, een tijdperk was voorbij.

Alleen het restaurant in Rotterdam heeft het nog gered tot 1970. Toen was het echt voorbij; sindsdien moeten we het doen met de herinneringen. Mijmerend in het schemerlicht, met de ogen gesloten, loop ik weer bij Ruteck’s binnen en krijg ik zin in ‘gebakken ijs’ met muziek.

Een nieuwe trend in de horeca

De geschiedenis van de lunchrooms en cafetaria’s van Heck’s en Ruteck’s begint bij de oprichting in 1893 van Rutten’s Bierbrouwerij De Zwarte Ruiter door leden van de Limburgse brouwersfamilie Rutten en de Rotterdamse likeurstoker Henri Franciscus van der Wolk. De laatste exploiteert tevens een aantal koffiehuizen (en al snel ook een aantal proeflokalen en slijterijen) in het westen des lands waar het Maastrichtse gerstenat geschonken wordt. Dat was natuurlijk waar het de vennoten van De Zwarte Ruiter om te doen was: de verkoop van het eigen bier in de eigen etablissementen. De Eerste Wereldoorlog zorgt voor een kentering: de economie verslechtert en er is moeilijk aan grondstoffen te komen om goed bier te brouwen. De brouwerij wordt in 1920 verkocht aan Heineken, die deze nog tot 1929 in stand houdt.

Van der Wolk en de familie Rutten breiden in 1922 de zaak (die dan ongeveer 70 koffiehuizen en proeflokalen omvat) uit met de Dordtse slijterij A.J. Heck & Co. Enkele van de koffiehuizen krijgen kort daarop een nieuwe inrichting én een nieuwe naam: Heck’s Proeflokaal of Heck’s Monopool. In datzelfde jaar maakt de directie kennis met de lunchrooms van Lion’s in Engeland. Het concept wordt overgenomen en op Nederlandse leest geschoeid.

Op 28 juli 1923 is het zover: in Leiden wordt de eerste Heck’s Lunchroom feestelijk geopend. Van der Wolk sluit in dezelfde periode een overeenkomst met een vriend van hem, Dirk Reese. Samen starten ze in Amsterdam op Nieuwendijk 192 Heck’s Victoria Lunchroom. Al snel openen zij ook elders Heck’s Lunchrooms en na tien jaar hebben ze vestigingen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Nijmegen, Breda, Amersfoort, Hilversum en Leiden.

Speciaal voor de Olympische spelen van 1928 in Amsterdam richten de twee in 1927 de N.V. Heck’s Maatschappij tot Exploitatie van sport- en feestterreinen op: Heck’s verzorgt tijdens de Spelen alle catering.

In 1932 gaat het mis tussen Reese en Van der Wolk en ze verdelen de zaak. Reese krijgt de vestigingen in Amsterdam (Rembrandtplein), Rotterdam (Coolsingel en Noord Blaak) en Den Haag (Spui). De overige vestigingen blijven behouden voor de oorspronkelijke vennootschap.

Ondertussen werkt Henri van der Wolk aan een tweede concept. Zijn zoon Hendrik vertelt hem na een reis door Zuid-Amerika over de cafetaria’s (of cafeteria’s) die hij daar zag: eet- en drinkgelegenheden met een open buffet, waarbij men staande aan een bar zijn bestelling nuttigt. Hij is er direct enthousiast over en opent in 1932 zijn eerste Rutten’s Cafetaria. (Op Kalverstraat 42-44 opent Van der Wolk in 1938 ook een vestiging met deze naam). De Cafetaria’s blijken een succes. Goedkoop maar goed voedsel en voor 7½ cent een prima kop koffie. Dat slaat aan! Van der Wolk claimt de naam Cafeteria exclusief voor Nederland, maar de rechter beslist anders: cafeteria mag niet als eigennaam worden gevoerd en er ontstaan snel concurrerende teria’s en taria’s.

Naast de Heck’s Lunchrooms worden de cafetariavestigingen van Rutten een begrip. Juist in de crisisjaren zijn de cafetaria’s door hun lage prijzen populair en veel kleinere lunchrooms worden omgebouwd tot cafetaria of buffetaria (zo ook die op Nieuwendijk 108). Tussen Van der Wolk en Reese komt het eind jaren dertig weer goed en de mannen voegen het Heck’s-imperium weer samen, al blijft Reese de scepter zwaaien over de Amsterdamse lunchrooms.

Franciscus van der Wolk overlijdt kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Dan zijn tijdens het bombardement op Rotterdam al alle drie zijn lunchrooms en de twee cafetaria’s daar verwoest. Zijn zoon Wilhelm zet het bedrijf voort.

Op de cafetaria in de Rotterdamse Mathenesserlaan verschijnt in 1946 voor het eerst de naam Ruteck’s, vermoedelijk een samentrekking van Rutten en Heck’s. Ook andere vestigingen worden spoedig omgedoopt. De filialen die in het bezit zijn van Dirk Reese blijven echter Heck’s heten.

Beeld header: De 'grote Heck' op het Rembrandtplein, midden jaren '30. Stadsarchief Amsterdam/Bernard Eilers.