“Het huis aan de Sarphatistraat had iets sombers. De kamers waren hoog; donker behangen, zwaar en degelijk gemeubileerd.” In het huis in de joodse wijk van Amsterdam zoekt de hoofdpersoon uit Het bittere kruid haar ouders op. Zij waren daarheen verhuisd als gevolg van een verordening voor alle joden boven de vijftig. De vader schreef aan het thuisfront dat ze er “op kamers woonden” en er veel bekenden ontmoetten. Ze hadden het er niet ongezellig. Hij noemde de buurt zelfs “een soort kille”, een gemeenschap. Onaangekondigd besluit de jongste dochter zich bij haar ouders te voegen, en dat terwijl steeds meer joden uit de buurt worden weggehaald. Minco beschrijft de gebeurtenissen ingehouden en met een wonderlijk gevoel voor het kleine detail. Als de buren uit hun huis worden gehaald, lezen we bijvoorbeeld: “Een paar beige kinderlaarsjes bleven voor ons venster staan. De neusjes stonden iets naar binnen en de veters van het ene laarsje waren donkerder dan van het andere. ‘Dat is Liesje,’ zei mijn moeder zacht. ‘Ze groeit zo hard. Die laarsjes zijn al veel te klein voor haar.’”
Het bittere kruid, dat vlak voor de herdenkingsdagen in 1957 uitkwam, werd een jaar later bekroond met de Vijverbergprijs. Inmiddels is het vertaald in veertien talen. In Nederland heeft het 43 drukken gehaald; een oplage van ruim 440.000 exemplaren. Behalve oorlogsromans, schreef Minco ook ironische korte verhalen voor het tijdschrift Mandril, vroeg-feministische vertellingen en (kinder-)verhalen die een speelser, zonniger auteur laten zien.
Schrijfster Marga Minco woonde in de jaren vijftig en zestig met haar man - de dichter en vertaler Bert Voeten - en kinderen in het Witsenhuis, Oosterpark 82. Het voormalige woonhuis van schilder/fotograaf Willem Witsen(1860-1923)wordt bij toerbeurten bewoond door schrijvers. Zij hoeven er geen huur te betalen en kunnen daardoor veel tijd steken in hun werk. Voor Minco bleek het een inspiratiebron. “Het Witsenhuis was een prettig huis om in te schrijven. Ik begon er met de eerste korte verhalen. Herinneringen uit de oorlog. Nadat ik er een paar had geschreven, volgden er meer. Successievelijk heb ik er één geheel van gemaakt.”
Dat haar boek zo’n indruk zou maken en zoveel lezers zou krijgen, had ze eigenlijk niet verwacht. “In de jaren vijftig dacht ik dat niemand dit boek wilde lezen. De oorlog was passé, mensen wilden opbouwen en die joden ook maar zo snel mogelijk vergeten. Zo cru, die tendens.” In 1985 is het boek verfilmd. Maar Minco kijkt op die verfilming nog steeds met nare gevoelens terug. Regisseur Kees van Oostrom verbouwde het verhaal zodanig dat de hoofdpersoon een relatie kreeg met een NSB’er. Er volgde een rechtszaak. De titel Het bittere kruid bleef voor de film gehandhaafd; de schrijfster mocht voorafgaand aan de vertoning een verklaring laten opnemen waarin ze afstand deed van het eindproduct. Al met al een teleurstellend compromis.

Kafkaësk Amsterdam

Niet voor niets gaf zij haar eersteling de ondertitel 'Een kleine kroniek' mee. Een kroniek berust namelijk op waarheid. Hoewel: in het verhaal ‘De mannen’, waarin de hoofdpersoon tijdens een razzia aan de Duitsers ontkomt, terwijl haar ouders worden weggevoerd, heeft Minco de realiteit enigszins aangepast. De gebeurtenis wordt ingeleid in de kenmerkende Minco-stijl: “toen viel er een stilte die we nauwelijks durfden verbreken. Ik zag mijn moeder naar haar half gevuld theekopje kijken en wist dat ze het leeg wilde drinken. Maar ze bewoog zich niet. Na enige tijd zei mijn vader: ‘We wachten nog tien minuten, dan steken we het grote licht aan.’ Maar voor die tien minuten om waren, ging de bel. Het was even voor negenen. We bleven zitten en keken elkaar verbaasd aan. Alsof we ons afvroegen: Wie zou daar zijn? Alsof we het niet wisten! Alsof we dachten: Het kan net zo goed een kennis wezen die op visite komt! Het was immers nog vroeg in de avond en de thee stond klaar.” Als de mannen binnen staan, houdt haar vader ze aan de praat en stuurt zijn dochter de kamer uit ‘om de jassen te halen’. Het geeft haar de gelegenheid weg te komen, de keuken uit. “Zacht trok ik het tuinpoortje achter me dicht en rende de straat uit. Ik bleef rennen tot ik op het Frederiksplein kwam. Er was niemand te zien. Alleen een hond liep snuffelend langs de huizenkant. Ik stak het plein over. Het was alsof ik alleen was in een verlaten stad.”
Over deze passage zei Minco eens: “De werkelijkheid was te gek om op te schrijven. Ik heb genoteerd dat ik het tuinpoortje doorging en wegrende. Maar ik ging terug. De ster had ik van mijn jas gerukt en liet die trillend aan de mannen zien.” Toch weet ze opnieuwe weg te komen en vindt onderdak bij haar broer Dave en diens vrouw Lotte op de Weteringschans.
Weet Minco nog waar in de Sarphatistraat het precies gebeurde? ”Op nummer 155. Het was vlak bij de Roetersstraat. Het is diep tragisch dat dat huis er nu niet meer is. Dat blok prachtige panden is na de oorlog gesloopt. Er moest een studentenhuis komen. Ook dat is afgebroken. Nu staat daar boekhandel Scheltema.” Bedachtzaam en schijnbaar emotieloos vertelt ze hoe ze deze plek nú ervaart. “Hoewel ik vaak door de Sarphatistraat rijd, loop ik daar nooit. Maar laatst ben ik dan van de fiets gestapt om in die boekwinkel te gaan kijken. Ik realiseerde me dat ik daar nu voor het eerst sinds al die jaren weer gelopen heb. Ik heb geen titel gezien. Ik wilde er gewoon maar even doorheen lopen…”

‘Ben je d’r nog?’

Nadat ze uit het huis in de Sarphatistraat was weggerend, maakte de angst plaats voor onverschilligheid. De Duitsers hadden haar persoonsbewijs, dus was ze gedwongen onder te duiken. Maar ze bleef gewoon de straat op gaan, met geblondeerd haar en een nieuwe identiteit. Broodnuchter klinkt het zes decennia later: “Ik ben een joods type. Maar ze hebben me gewoon over het hoofd gezien. Heel vreemd.”
Tante Mies, die als half-joodse in haar huis in de Waalstraat mocht blijven wonen, bracht haar in contact met ‘oom Hannes’, de bekende verzetsheld Johannes Boogaard. Hij bezorgde haar haar eerste onderduikadres buiten de stad. In de zomer van 1944 keerde Minco terug naar Amsterdam en belandde op Kloveniersburgwal 49. Het huis, dat ook wel de bakermat van de Beweging van Vijftig wordt genoemd, zat vol kunstzinnige onderduikers. Dit grachtenpand fungeert als uitvalsbasis in haar tweede roman, Een leeg huis (1966). De hoofdpersonen in het boek, Sepha en Yona, zijn net als de schrijfster hun familie kwijtgeraakt en kampen met gevoelens van leegte en schuld. De bevrijdingsfeesten gaan grotendeels aan hen voorbij. Net zoals destijds aan Minco voor wie het verwerkingsproces toen pas ècht begon. “Ik stond weer op de brug en pakte de vochtige ijzeren leuning. Het water trok, ik hoorde het tegen de kaden spoelen en langs de schuit. De gevels werden grauw. Achter de ramen van onze verdieping was het donker. Ik liep naar het huis naast ons, beklom de stoep en stak mijn hand door de brievenbus. ‘Als kind fietste ik wel door de gang.’ Ik voelde de kilte tegen mijn vinger, de kilte van een groot gat waar de wind doorheen blies. Snel trok ik mijn hand terug.”
De gevoelens van verlatenheid konden maar moeilijk een plek krijgen in de stad die in een bevrijdingsroes verkeerde. In Een leeg huis beschrijft Minco hoe Sepha op de Vijgendam in een euforische menigte terechtkomt. “Ik zie een platte, vierkante auto. Er zitten soldaten in met bezwete gezichten onder bronsgroene pothelmen. Een van hen houdt een bosje bloemen voor zich uit. Meisjes slaan hun armen om hem heen, zoenen hem, wuiven naar de menigte.” Sepha registreert het nauwgezet maar onaangedaan. “Ik wil roepen, zwaaien, handen drukken, maar ik kan alleen maar kijken. En het is alsof ik iets zie dat niet bestemd is voor mijn ogen. Ik voel geen vreugde.”
“Iedere schrijver verwerkt autobiografische elementen in zijn boeken,” zegt Minco, die in 1992 zelf de toneelbewerking van Een leeg huis verzorgde voor het Theater van het Oosten. “Anders kun je net zo goed een verslag schrijven in plaats van proza.” Wat onder meer opvalt is hoe weinig mededogen er na de oorlog was voor hen die de oorlog en de concentratiekampen overleefden. In Een leeg huis wordt dat pijnlijk beschreven. De schokkende scène die Yona overkomt, heeft Minco zelf ervaren: “Ik liep door de Plantage. Tegenover Artis kwam me een jongen achterop met een mand op zijn fiets, zeg maar een slagersjongen. Hij reed me langzaam voorbij alsof hij me herkende en riep: ‘Hé Sara, ben je d’r nog?’”

Identiteit

Een nazi-wet had op 1 januari 1939 alle Duitse en statenloze joodse vrouwen de tweede voornaam ‘Sara’ voorgeschreven en mannen de naam ‘Israël’. Hoewel dit voorschrift in Nederland niet bij wet werd bekrachtigd, was men hiervan wel op de hoogte. Het toeval wil dat de schrijfster, geboren op 31 maart 1920 in het Brabantse Ginneken als Sara Minco, als kind ontevreden was met haar voornaam. Ze werd namelijk veel gepest met het liedje ‘Sara, je rok zakt af’. Daarom liet ze zich Selma noemen. Dat bleef zo totdat ze in Amsterdam moest onderduiken. Haar eerste valse persoonsbewijs stond op naam van Margaretha Faes. Een voornaam die haar zo goed beviel dat ze hem in verkorte vorm heeft gehouden. Uit overlevingsdrang kroop ze tijdens de bezetting meerdere malen in andermans huid; een vaardigheid die haar later als schrijfster van pas zou komen, maar die ook voor de nodige verwarring zorgde.
Over het geworstel met identiteit schreef Minco in De glazen brug, het boekenweekgeschenk van 1986. Dat vertelt het verhaal van de onderduikster Stella, die een persoonsbewijs krijgt op naam van Maria Roselier en na de oorlog op zoek gaat naar die in mei 1940 overleden jonge Zeeuwse vrouw. Ook hier is sprake van een autobiografische parallel, want Minco’s best uitgevoerde persoonsbewijs stond eveneens op naam van een overleden vrouw: de blonde Friezin Fimkje Kooi. En evenals de schrijfster bezoekt Stella de Kunstnijverheidsschool op de Kloveniersburgwal en geeft tekenles aan een joodse lagere school. We volgen haar leven in Amsterdam na de deportatie van haar ouders. Wanneer Stella bij een razzia naar het dak is gevlucht, klopt de omgeving met die van Sarphatistraat 155. “De koperen koepel van de Diamantbeurs glansde in de namiddagzon. Ik zag de ramen op de hoogste etages van de Joodsche Invalide, waarvan de dichtgeschoven gordijnen geborgenheid suggereerden.”

Erfenis van het Merwedeplein

Het vertrekpunt van wat ze zelf haar meest autobiografische roman noemt, Nagelaten dagen (1997), is het Merwedeplein in de Rivierenbuurt, in het boek omgedoopt tot Wedemerplein. Hier woonden Minco’s zus en zwager, Bettie en Hans. Tijdens een van de eerste razzia’s zijn ze er opgepakt. “Het Wedemerplein heeft de vorm van een trechter en komt uit op een korte, smalle straat die stuit op een hoog flatgebouw dat er haaks op staat, waardoor het lijkt of het plein in die hoek doodloopt. Ik reed enkele rondjes om het plantsoen, een grasveldje omzoomd met dichtbegroeide struiken en in het midden een sculptuur van drie bronzen blokken die met hun bolvormige bovenkant als drie komma’s doelloos in het perk staan.”
De roman Nagelaten dagen borduurt voort op de in 1970 verschenen novelle De dag dat mijn zuster trouwde. Ruim vijftig jaar na de deportatie van Bettie en Hans leest in Jeruzalem ene Miriam Weissbach die novelle en ontdekt dat ze een ver familielid is als ze voorin de naam van Hans ziet staan. Samen met Eva, de zus van Hans, delen de vrouwen hun herinneringen en hun zoektocht naar familieleden. Eva, die inmiddels in Amerika woont, vermoedt dat de toenmalige (niet-joodse) buren van Hans en Bettie aan het Wedemerplein in het bezit zijn van een voor haar belangrijk voorwerp. De hoofdpersoon in Amsterdam gaat daarop op onderzoek uit en ontmoet uiteindelijk ook Miriam Weissbach, al worden daarbij de locaties niet met name genoemd. Een van de favoriete Amsterdamse etablissementen van de schrijfster diende als inspiratiebron. “Dit keer sprak ik met haar af in een restaurant op de bovenste verdieping van een warenhuis in de binnenstad. We zaten voor een groot raam met uitzicht over een ruim assortiment klok-, hals- en trapgevels, dat voor een buitenlander een pittoreske aanblik bood.” Minco, enthousiast: “Ik had de zesde etage van Metz in de Leidsestraat in gedachten, toen ik dat schreef. Daar kom ik nog steeds graag met buitenlands bezoek. Dat uitzicht op gevels en grachten, daar geniet ik enorm van.”
Weg uit de stad wil ze dus zeker niet, ook niet nu ze de tachtig is gepasseerd. “Amsterdam is nog steeds de enige stad waar ik wil wonen. Ik heb me hier gesetteld in alle betekenissen van het woord.”

Monumentje tegen intolerantie

Ophouden met werken, ook daarover piekert Minco niet. Haar werk is haar motor en daarvoor mocht ze in 2001 al de prestigieuze Annie Romein-prijs in ontvangst nemen. Ook op haar huidige adres in de Oosterparkbuurt, waar ze een eind-19de-eeuwse officierswoning bewoont, werkt ze gestaag verder. Recent verscheen haar verhalenbundel Storing, die veel jeugdherinneringen bevat. En ze denkt alweer hard na over een nieuw boek. Reeds vanuit haar werkkamer in het Witsenhuis had ze uitzicht op de serre en de achtertuin die ze sinds 1970 de hare mag noemen. Al bij de eerste aanblik werd ze verliefd. Het huis telde vele kamertjes. Jan Rietveld, een vriend van de familie, heeft het verbouwd.
Dat ze ondanks alle nieuwe boeken nog steeds met Het bittere kruid wordt geassocieerd, stoort haar niet. “Want met het ouder worden, heb ik beseft dat het een monumentje is voor mijn familie.” Door over hen te schrijven, wilde ze haar familieleden laten leven. Vandaar de opdracht: “Aan de nagedachtenis van mijn ouders, Dave en Lotte, Bettie en Hans.” Hoewel zij het niet schreef vanuit die optiek, heeft ze er destijds mensen mee wakker geschud. Indirect werd het een monumentje tegen intolerantie.
Minco schrikt van de suggestie dat het boek aan actualiteit heeft gewonnen nu docenten geen les meer durven te geven over de jodenvervolging. Het beangstigt haar dat het antisemitisme opnieuw de kop opsteekt. Ze hoopt dan ook dat dat niet de reden zal zijn voor een eventuele revival van haar debuut. Maar een boek van een dergelijk literair kaliber heeft de actualiteit ook niet nodig om nog steeds door velen (opnieuw) te worden gelezen.