Dienst nemen bij de WIC of de VOC was dan vaak de enige uitweg, want als je tekende kreeg je twee maanden gage vooruitbetaald, als handgeld. Als dat niet genoeg was om je schulden te af te lossen kon je betalen met een transportbrief, een groter voorschot op papier, op nog uit te keren gage. Dat ging in de vorm van een door een notaris opgestelde akte waarmee je vervolgens je schuld bij een logementhouder, tapper of winkelier kon aflossen.

In Amsterdam was er een levendige handel in dit soort papieren. Veel logementhouders verkochten de akte liever voor een lager bedrag, dan dat ze wachtten op uitbetaling door de Compagnie. Het leidde ook tot allerhande woekerpraktijken.

Op 12 april 1640 tekenden twee broers uit Wales, Thomas en Jan Prijs, zo’n transportakte. Zij waren in dienst genomen door VOC om als adelborst met het schip de Salamander naar Azië te vertrekken. Volgens de akte hadden zij 160 carolusguldens schuld bij de gasterijhouder Henric Jans, voor overnachting en wat tabak en brandewijn. Dat was een astronomisch bedrag van zestien maandsalarissen, acht maanden per persoon.

Nadat de klerken braaf de papieren hadden opgemaakt kwam het de notaris ter ore dat hier iets niet in de haak was. Hij zette een groot kruis door de akte en schreef er naast: ‘Is geroyeert alsoo ick verstont dat dese maets eerst op gisteren ten huijse van dese waert gekomen waren, ende heeden of morgen vertrecken moesten’, oftewel: de notaris had gehoord dat de twee maats pas de dag ervoor bij de waard in huis gekomen waren.

Met zulke woekerpraktijken liet hij zich niet in, en dus besloot hij in te grijpen: ‘ende derhalven een gruwel van sulcken woecker hebbende hier van geen kennis willen neemen.’

Dat niet alle notarissen het zo nauw namen met hun controlerende taak blijkt uit een verklaring vijf jaar later. Op 11 april 1645 vertelt de Schot Hugus Strato van Aberdeen uitgebreid hoe hij opgelicht was door een echtpaar gasterijhouders in Amsterdam.

Een maandje eerder was Strato in de stad aangekomen. In de omgeving van het West-Indisch Huis aan de Haarlemmerdijk werd hij aangesproken door ene Eduart Richerts, een Engelsman, met de vraag of hij ‘socht dienst te neemen bij de [Westindische] Compagnie alhier’. Strato antwoordde dat hij dat inderdaad wel zou willen en samen gingen zij het West-Indisch Huis binnen, waar hij aangenomen werd als soldaat.

Vervolgens nam Richarts hem mee naar huis waar hij met zijn vrouw een gasthouderij dreef. Een kort verblijf zou het zijn, het schip Elias lag al in de haven. Na zes dagen kon Strato aanmonsteren, en al met al had hij dus maar zes nachten gelogeerd bij Richarts. Daarvan had hij twee dagen geen eten of drinken gekregen omdat Richarts buiten de stad was, zo vertelde Strato aan notaris Schaef.

Op de ochtend van zijn aanmonstering vroeg de echtgenote van Richarts aan de kersverse soldaat ‘wat brief hij voor haer op sijn gagie soude laten macken’, waarop hij antwoorde dat ‘hij hier ter stede vreemt’ was en dus niet precies wist hoe dat allemaal werkte. Waarop de vrouw, misbruik makend van zijn onwetendheid, zei dat je geen transportbrief kon laten maken voor minder dan zes maanden gage.

Daarna werd hij niet naar de vaste notaris Schaef meegenomen, maar naar een notaris bij de Beurs op het Rokin, van wie Strato de naam niet had onthouden, maar wel zijn uiterlijk. Het was een ‘jongachtig man, corpulent van persoon met pock-dalen in sijn aengesicht’. Bij deze pokdalige notaris werd een transportakte opgesteld voor zes maal acht gulden, zijn maandgage. En daar bleef het niet bij: Strato gaf zijn hospita veertien gulden en acht stuivers van zijn handgeld om voor hem ‘een pack linne clederen, drie hembden, twee paer coussen, drie dasgen, een rote muts’ en wat spaanse zeep voor hem te kopen. De vrouw beloofde die aan boord van het schip te brengen.

Tien dagen later had zij zich nog steeds niet laten zien. Strato besloot met een maat naar haar toe te gaan. Tevergeefs, de vrouw weigerde het geld terug te geven, noch had ze de spullen voor hem aangeschaft. Ook probeerde hij de transportakte geroyeerd te krijgen, maar de pokdalige notaris was nergens te vinden. Al met al, zo vertelde Strato ten einde raad, stond hij nu op het punt naar zee te vertrekken zonder kleding, met slechts een pondje tabak als bagage. Geplukt, nog voor hij iets had verdiend.

De pokdalige notaris in kwestie was waarschijnlijk Philips Venturin, wiens akten merendeels verloren zijn gegaan in de stadhuisbrand van 1762. Niet alleen hield Venturin kantoor bij de Beurs, hij werd in 1641 meerdere keren door ene Griet Bontius uitgescholden voor ‘pockig aesje’ (schelmpje). Dat kan toch haast geen toeval zijn.

Met dank aan Petra Schoenmaker (†).