Dit verhaal over de Grieks-orthodoxe kerk in Amsterdam begint in het verre Batavia. Midden 18de eeuw werd de Nederlandse handelskolonie geteisterd door tegenspoed. Er werd weliswaar volop gehandeld en de schepen voeren af en aan, maar een malaria-epidemie dreef de bevolking de stad uit. De lucht was er “considerabel ongesond”, schreef de klerk August van Greven, en deed “menig jongmens hier schielijk na de eeuwigheit helpen”. In 1748 bezweken ook twee Grieks-orthodoxe handelaren uit Filibe (tegenwoordig Plovdiv, Bulgarije): Dimitrios Athanasios en Konstantinos Mavroudoglou.

Met de handel in de Oost hadden ze een vermogen van ongeveer 5.000 florijnen verdiend. Dit bedrag was in Batavia aan de Nederlandse gouverneur-generaal toevertrouwd, bestemd voor hun familieleden in Filibe. Voor een dergelijke transactie was de Weeskamer verantwoordelijk. De Weeskamer in Batavia verzond het geld naar het hoofdkantoor in Amsterdam, waar het dankzij succesvolle investeringen bijna verdrievoudigd werd. Intussen kregen de families in Filibe bericht over het overlijden en het vermogen van Dimitrios en Konstantinos.

Enige jaren later, in 1762, arriveerden twee vertegenwoordigers van de families in Amsterdam. Zij kwamen de erfenis claimen, maar stuitten op wantrouwen van de lokale overheid. Het bleek praktisch onmogelijk om hun identiteit na te laten gaan bij de Nederlandse autoriteiten. Wat te doen? Een ​​prominente figuur uit de Grieks-orthodoxe gemeenschap genaamd Nektarios wist raad. Hij was een voortvarend man, die de erediensten leidde van de Grieks-orthodoxen in een woning in de Koningsstraat. Zijn suggestie was dat hij een ander lid van de Grieks-Amsterdamse gemeenschap, Antonios Zingrilaras, zou vragen om borg te staan ​​voor de twee vertegenwoordigers. Samen met een Nederlandse vriend, de advocaat Herman More, kon Zingrilaras hen helpen om de nalatenschap te verkrijgen.

Kerk

Maar Nektarios verbond een voorwaarde aan deze dienst. De Grieks-orthodoxen in Amsterdam zouden ongeveer een derde van de erfenis mogen houden, met het oog op de stichting van de eerste ​orthodoxe kerk in de stad. Hij beloofde dat de patroonheilige van de kerk Sint Nikolaas zou worden, de beschermheilige van de zeelieden en de koopvaardij. Omdat er geen andere opties waren, accepteerden de vertegenwoordigers zijn aanbod. Na het sluiten van de overeenkomst werd de erfenis afgehandeld.

Twee jaar later was het zover. Met een deel van de erfenis kocht de Griekse gemeenschap in 1764 het grachtenpand Oudezijds Voorburgwal 91 (tegenover de Oude Kerk) en verbouwde dat tot een orthodoxe kerk. Een wand met iconen (de iconostase) scheidde de ruimte voor kerkgangers van het altaargedeelte en er waren armleuningen – de dienst was staande – en haakjes om de hoeden op te hangen. De kerk had voor de Grieks-orthodoxe Amsterdammers behalve een religieuze ook een sociale functie. Ene Stamatis Petrou schrijft bijvoorbeeld dat na elke dienst de Griekse handelaren een tijdje bleven praten over religie of zaken. Petrou vertelt ook met grote verontwaardiging dat zijn geleerde huisgenoot Adamantios Korais ophield de kerk te bezoeken, terwijl hij slechts enkele panden verderop woonde. Korais werd uiteindelijk zo kritisch ten opzichte van zijn geloof en achtergrond dat hij de priester niet meer thuis wilde ontvangen, evenmin als zijn Griekse collega-kooplieden.

Katoen

De Grieken vormden in Amsterdam vooral een handelsgemeenschap. In de eerste helft van de 18de eeuw waren Grieken uit onder meer Smyrna (tegenwoordig Izmir) en het gebied rond de Egeïsche Zee naar de stad gekomen, waar ze zich voornamelijk bezighielden met de katoenhandel. De kwaliteit van hun producten was volgens de Amsterdamse koopman Thomas de Vogel uitstekend. Hij schreef in 1765 dat hij bij de Grieken “int’ generaal beeter qualityd & bedieninge” krijgt en vindt vooral de rode katoendraad van ene Stathis Thomas “zo moy als dien oyt gesien zyn”. Telkens wanneer Stathis, die ook angorawol en gedroogde zuidvruchten importeerde, zijn rode katoen ter veiling aanbood, zagen andere handelaren zich gedwongen hun prijs te verlagen.

De meeste Amsterdamse Grieken pendelden heen en weer tussen de Republiek en het Osmaanse Rijk. Enkelen verkregen het Amsterdams burgerschap. Een van hen was de eerdergenoemde Antonios Zingrilaras, hoewel hij door een plotselinge vlucht vanwege financiële problemen de Griekse gemeenschap een slechte naam bezorgde. De eerste Osmaanse consul in Amsterdam –de Griekse koopman Nikolas Marcella –vond hier een nieuw thuis en werd stamvader van een patriciërsfamilie.

Onder de Griekse geestelijken die de orthodoxe kerkdiensten in Amsterdam leidden, zaten ook enkele beruchte figuren. Ioannis Pringos vertelt in zijn dagboek dat Nektarios, de priester die ervoor had gezorgd dat er een echte orthodoxe kerk in gebruik werd genomen, na de opening zei dat “hij niet langer wilde blijven en naar de Levant wilde gaan en dat zijn kosten meer waren dan zijn inkomen, enzovoort”. Pringos vervolgt verontwaardigd dat Nektarios echter in de Republiek bleef en zich bekeerde tot het calvinisme “om zijn onverzadigbare buik te stillen en te trouwen”. Zijn voorganger Ambrosios Partzikalas was ook al niet zuiver op de graat. Deze priester had volgens de dagboekenschrijver meer liefde voor de Russen dan de Grieks-orthodoxen, stal de bezittingen van de kerk, inclusief de geschenken van de Russische baron Stroganoff, en ontsnapte daarmee via Texel naar Smyrna. “Jullie priester stampte en rende weg”, kreeg Pringos te horen op de beurs. De Amsterdamse Grieken waren heel even de risee van de handelsgemeenschap.

Rusland

De orthodoxen aan de Oudezijds Voorburgwal richtten zich ondertussen op Rusland voor (financiële) steun – niet zo verwonderlijk, gezien de internationale politieke ontwikkelingen. In de zomer van 1762 was Catharina de Grote op de Russische troon gekomen en hadden de Russen een actiever beleid ingezet ten aanzien van de orthodoxe onderdanen van de Osmaanse sultan. Vier jaar later werd de orthodoxe kerk in Amsterdam het dubbele eigendom van de Grieken en de Russen “ten behoeve van de Griekse en Russische gemeente die alhier van tijd tot tijd hier zal weesen of komen”. Ioannis Pringos en gezant graaf Van Woensoff tekenden de overeenkomst. Kerkheilige werd Sint Catharina, niet Sint Nikolaas zoals beloofd aan de families van de twee overleden kooplieden uit Filibe. Een geste naar de tsarina?

Pringos was pro-Rusland. Hij hoopte dat het Russische rijk de Grieks-orthodoxen zou bevrijden van “het zware en onverdraaglijke juk, de onrechtvaardige, de plunderaar, de ongelovige Turk”. Vreemd was zijn keuze niet, want de Russisch-Osmaanse oorlogen (1768-1774) maakten de zwakte van de Ottomanen duidelijk. Maar enige tijd later was hij minder positief. Het vooruitzicht van een Griekse staat, vrij van het Osmaanse rijk en onder Russische bescherming, bleek ineens ver weg na het sluiten van de vrede in 1774 en de Russische annexatie van de Krim. De inkt van het verdrag was amper droog of Pringos veroordeelde de onwetendheid van de Grieken en beschuldigde hen – en waarschijnlijk ook zichzelf – ervan dat zij hun hoop vestigde op Rusland in plaats van op God.

Pringos overleed in 1789. Als hij rond 1800 nog in leven was geweest, had hij verbaasd kunnen vaststellen dat de eerst zo terughoudende Osmaanse sultan de buitenlandse handel meer was gaan steunen en dat de Amsterdams-Griekse kooplieden, hun pro-Russische houding hadden laten varen. Ze ijverden inmiddels voor Griekse onafhankelijkheid en vroegen vrijstelling van de nieuwe gemeentebelasting op grond van het feit dat ze onderdanen waren van het Osmaanse Rijk. Enig pragmatisme was de Griekse handelaren in Amsterdam niet vreemd.

Anna Paulowna

De sfeer in de orthodoxe kerk in Amsterdam werd steeds meer Russisch. Toen de Deens-Duitse diplomaat en bankier Barthold Niebuhr er in 1808 uit nieuwsgierigheid een kerkdienst bijwoonde, merkte hij op dat de priester een gebed “zo volmaakt” in het Kerkslavisch (de liturgische taal) uitsprak, “dat ik twijfelde of hij Grieks of Slavisch was”. Er waren zowel Griekse als Russische gelovigen aanwezig, schreef hij aan zijn vader. “Een donkerharige man, die ik door de vorm van zijn snor voor een Griekse matroos uit de archipel hield, kruiste zich nog veel krachtiger dan onder Russen gebruikelijk is. En de priester zong met zulke frases, dat enkelen uit de kleine gemeenschap, waarschijnlijk Russen, een onbetamelijke glimlach niet konden onderdrukken. Omdat de priester ook nog toonloos zong, zonder koor of instrumentele begeleiding, kan je je het geloei wel voorstellen.” Teleurgesteld besloot hij: “Hier ga ik niet nog eens naartoe.”

Na het huwelijk in 1816 van de Russische prinses Anna Paulowna met prins Willem (de latere koning Willem II) raakte de kerk in de volksmond bekend als de Russisch-Griekse kerk. Vanaf toen profiteerde de kerk van de welwillendheid van de Romanov-dynastie. Ten minste vier schenkingen waren er, in 1831, 1832, 1833 en 1837. De prinses bezocht de kerk zelf ook enkele keren. Als symbool van de goede Nederlands-Russische betrekkingen werden er twee plaquettes aangebracht ter nagedachtenis aan de veldslagen waaraan de tsaar en prins Willem in 1831 deelnamen in respectievelijk Polen en België.

Sluiting

Na het overlijden van Anna Paulowna in 1865 was het gedaan met de financiële steun van de Romanovs. Op 23 april 1866 sloot de kerk op last van de Russen. Bij de arrondissementsrechtbank van Amsterdam eisten zij een verdeling van de goederen, waar de inmiddels minieme Griekse gemeenschap zich niet tegen verzette. De priester van de kerk werd al jaren door de Russen betaald en na zijn terugroeping was het onmogelijk een orthodoxe kerk in Amsterdam te handhaven. Het pand ging voor f 5555,- naar een makelaar. De liturgische voorwerpen (onder meer een avondmaalkelk en “een malachieten kruis”) werden getaxeerd op ongeveer f 1400,-. Het Russische deel van de opbrengst was voor de staatskas van de tsaar, terwijl de Grieks-orthodoxe kerk de Griekse opbrengst mocht opeisen. De marmeren plaquettes bleven in Nederland; prins Hendrik kreeg ze cadeau – als tastbare herinnering aan zijn moeder en aan de kleine orthodoxe kerkgemeenschap aan de Oudezijds Voorburgwal.

HASAN ÇOLAK IS HISTORICUS EN WERKT AAN DE TOBB UNIVERSITEIT VOOR TECHNOLOGIE IN ANKARA; FROUKE SCHRIJVER IS HISTORICA, DOCENT EN AUTEUR.

Beeld: “Bediening van het H. Avondmaal in de Grieksche Kerk te Amsterdam”, zette uitgever Martinus de Bruyn onder deze prent van het interieur, gemaakt door J. L. van Beek en Jacobus van Meurs. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Meinummer 2019