Cineast en essayist Philo Bregstein maakte in 1970 de film Dingen die niet voorbijgaan, over de historicus en hoogleraar Jacques Presser. Mijn vader en ik zagen de film in een café naast een eenvoudige camping nabij Kortrijk waar wij onze kampeerwagen hadden geïnstalleerd. We reisden mijn moeder en zuster vooruit. Er werd ons een gehaktbal met frieten voorgeschoteld. De televisie stond hard aan: Presser vertelde in en buiten beeld zijn levensgeschiedenis. Niemand keek, behalve wij.

Als ik op stap was met mijn vader kreeg ik een permanent college geschiedenis – je moest goed opletten want hij maakte de ene na de andere associatie met flauwe grappen en verwees naar schrijvers en denkers die hij bewonderde. Presser was een held van hem. Hij was de historicus een keer tegengekomen in de Maasstraat en had hem toen gecomplimenteerd met zijn tweedelige boek De Ondergang over de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom. Presser had er vijftien jaar aan gewerkt.

Bregstein heeft Presser zeven keer geïnterviewd, eind 1969 en begin 1970. De weerslag daarvan in het boek Gesprekken met Jacques Presser heeft een verpletterende indruk op mij gemaakt – tot de dag van vandaag. Het is alsof Presser uit het boek opstaat: hij spreekt als een schrijver en schrijft als een spreker. Alle details in zijn verhalen doen ertoe.

Hij geeft indringende schetsen van het Amsterdam van de jaren twintig en dertig. De lyrische wijze waarop Presser het studeren beschrijft, doet je verlangen naar avonden lang lezen en nog eens lezen. Hij leerde zichzelf piano spelen, Mozart en de sonaten van Schubert. Kunstgeschiedenis kreeg hij van de oude Jan Six, één keer per week een uur in het Rijksmuseum. Presser dweepte met Duitse literatuur en dichtkunst, vooral met Heinrich Heine.

Hij bereisde Duitsland land vaak. ‘1932 was de laatste keer en je kon wel zien dat het mis was, overal die kerels op straat en overal die hakenkruisen.’ Hij bewonderde zijn vriend Jan Romein. ‘Romein dacht wat wij dachten. Hij had de kijk op het fascisme als een geweldige rancunebeweging, als een opstand van achtergeblevenen, van gefrustreerden, van kleinburgers, van in het algemeen de beroerdste elementen van een volk.’

Indrukwekkend is Pressers visie op de rol van de historicus. ‘Ik heb voor “De Ondergang” 15 jaar in de documentatie gewerkt (…). Je wordt continu geconfronteerd met de doden, met de stemmen van de doden.’ Bij Presser ontwaakte het bewustzijn dat de man die schrijft over de mensen van vroeger, de taak heeft de doden een stem te verlenen. ‘De doden moeten kunnen spreken en als men hen het spreken belemmert dan sterven ze tweemaal.’