"Nooit zal ik het oogenblik vergeten van zijn binnentreden in het spreekkamertje, waar ik hem wachtte", zo schreef Louis Lamberts Hurrelbrinck, strafrechtadvocaat aan de Herengracht. "Nooit heb ik zulke oogen gezien; de pupillen bijkans zoo bleek als het wit der oogen, 't was of ik voor mij zag een blinde, die mij aanstaarde met flauwe, matte, kleurloze oogappels." Het was half april 1894 en de eerste keer dat Hurrelbrinck Hendrik de Jong (1861) zag, die vastzat voor oplichting in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Wat de Amsterdamse politie betrof was die grond een noodsprong, want zij zag Hendrik liever achter slot en grendel voor moord.
De advocaat vond zijn cliënt een vreemde verschijning; een niet onknappe, tengere man met een regelmatig gelaat, waarin hij echter geen uitdrukking of leven kon bespeuren. Hendrik ging keurig gekleed, met blinkend gepoetste rijgschoenen. In zijn handen hield hij een hoge zijden hoed, die bovendien keurig was gestreken. "De eerste en ook de eenige maal, dat ik dit hoofddeksel in het huis van bewaring heb gezien in de handen van een gevangenen", verbaasde de advocaat zich.

Ook opmerkelijk was dat Hendrik geen zweem van ongemak of gêne vertoonde. Integendeel. Met een hoge piepstem vroeg hij zijn verdediger vrijwel meteen om wat 'negerhet'. Toen zijn advocaat het pruimtabakmerk Nigger Head niet bleek te hebben, weigerde De Jong te spreken alvorens hij een sigaar zou krijgen. Vervolgens griste hij de sigarenkoker uit Hurrelbrincks hand en pakte er de sigaren uit. Een brutaliteit – maar zoals wel vaker het geval was met Hendrik, bleek de verdediger ontwapend ('désarmé'). Pas nadat hij zijn mond had volgestopt met een halve sigaar, was de arrestant tevreden: "Nou ben ik tot uwe orders, nou kunt u me uithooren."

Babbelen

Waarmee overigens niet gezegd was dat Hendrik opening van zaken gaf. Hij mocht dan graag babbelen, veel waars vertelde hij doorgaans niet, zeker niet over zichzelf. Hij vond de dagvaarding maar 'nonsens' en begreep niet dat de politie dacht dat hij "zoo'n ploert, zoo'n schooier [zou] oplichten voor 'n paar onnoozele honderd pop". Die 'schooier' was een fatsoenlijke burgerman, die een logement dreef aan de Martelaarsgracht 8. Hij had nog een appeltje te schillen met naamgenoot Hendrik.

Hendrik groeide op in Weesperkarspel en bleek al jong een lastpak. Na de dood van zijn ouders werd hij in 1877 samen met zijn zus en twee broers korte tijd in het Armenweeshuis van Weesp ondergebracht en als blikslager bij een blikfabriek aan het werk gezet. Nadat hij een collega met een blikschaar had verwond en de directeur had bedreigd kon hij vertrekken. Hendrik zal er niet rouwig om zijn geweest, want het avontuur lonkte. Hij verliet Weesp en ging aan de slag als verver in Den Haag. Collega's herinnerden zich dat hij ondanks de vlekgevoeligheid van het werk doorgaans "gekleed als een gentleman" op de werkvloer verscheen. Schone schijn, want achter zijn joyeuze uiterlijk school een "hooghartig en twistziek" karakter, noteerden de kranten later.
Hoewel liever lui dan moe, reikte Hendriks ambities verder dan het gewone handwerk. Tot twee keer toe monsterde hij aan als trompetter en tamboer voor krijgsdienst in Indië. Wegens 'lichamelijke ongeschiktheid' hield hij het er slechts kort uit. En dat gold voor de meeste baantjes, al bleek zijn betrekking als portier bij het deftige krankzinnigengesticht Meerenberg in Bloemendaal (1886) later wel 'leerzaam'. Waar Hendrik vooral in excelleerde, was bluffen en oplichten; menig goedgelovig vrouwenhart moest het bezuren.

'Slimme natuur'

Hij rommelde onder meer met de vrouw bij wie hij een kamer huurde en onderhield warme betrekkingen met een dienstbode wier spaarpenningen hij – tevergeefs – in handen probeerde te krijgen. Tegelijkertijd maakte hij de 17-jarige Jeanne Deynema het hof, de dochter van een niet onbemiddelde weduwe, met wie hij in 1889 in Amsterdam trouwde. De bruidegom had moeder en dochter wijsgemaakt dat hij zijn artsenstudie had moeten afbreken, omdat hij niet tegen bloed kon en nu werkzaam was als boekhouder op een effectenkantoor.

Toch zat hij voortdurend om geld verlegen en Jeannes moeder kreeg argwaan, zeker ook omdat Hendrik nogal losse handjes bleek te hebben. De deconfiture liet niet lang op zich wachten: Hendriks baan bleek non-existent en de waardepapieren waarop hij duizenden guldens van zijn schoonmoeder had geleend, waren waardeloos. De weduwe schakelde de politie in. Voor het eerst zat Hendrik serieus in de problemen.

Maar hij was niet voor een gat te vangen. Wellicht geïnspireerd op het gesticht Meerenberg begon hij in het huis van bewaring opeens "hakkelend en stootend" te praten en zich merkwaardig te gedragen. Uiteindelijk smeet hij zelfs zijn uitwerpselen door het luikje van zijn celdeur. De ingeschakelde deskundigen waren niet onder de indruk: de gedetineerde had een "slimme natuur" en er was sprake van "gesimuleerde krankzinnigheid". De rechter deelde die mening en gaf de inmiddels weer 'normale' Hendrik twee-en-een-half jaar voor oplichting.

Een bijzondere verdachte, dat wel, maar een cause célèbre was het niet. Hendrik zocht na zijn vrijlating een oude bekende op: Hendrik Kramer, wiens hotel-café aan de Martelaarsgracht hij al eens eerder had bezocht. Dat hij in de tussentijd was getrouwd én in de gevangenis had gezeten, liet hij wijselijk achterwege. Wel bazuinde de 'gepensioneerde onderofficier' rond dat hij inmiddels was gepromoveerd tot landmeter 1ste klasse en dat hij leuke inkomsten genoot uit landerijen in Duivendrecht, die hij van zijn vader had geërfd. Hij liet zelfs 'officiële' documenten met lak en zegel zien om zijn beweringen te staven. En dat deed hij niet voor niets, want Kramer had een dochter van huwbare leeftijd.

Gekwetste ijdelheid

Vriendinnen vonden De Jong een rare snuiter "zonder manieren", maar Grietje was gevoelig voor Hendriks avances. Zij en haar vader stemden in met een huwelijk. Hendrik liet zich als aanstaande echtgenoot niet onbetuigd en hielp mee met het organiseren van het trouwfeest. Ondertussen leende Kramer hem af een toe wat tientjes, omdat Hendriks 'notaris' niet een-twee-drie geld kon vrijmaken. De hotelhouder zag zijn geld niet meer terug, want kort voor het huwelijk, bleek de aanstaande in de zomer van 1892 met de noorderzon vertrokken. Zeker bij Kramer senior dreunde de emotionele klap lang na.

Later vroeg Hurrelbrinck zich in de rechtszaal af hoe de logementhouder zich zo had laten beetnemen door de brieven en documenten die Hendrik hem had laten lezen; ze konden volgens de raadsman onmogelijk zijn geschreven door "een gewezen officier der marine." Dat was tegen het zere been van zijn cliënt. Diep gekwetst in zijn ijdelheid sloeg Hendrik met zijn vuist op de bank en schreeuwde dat de "brieven heel goed geschreven waren en dat iedere officier zou willen, dat hij het zoo kon". Kramer was niet de enige 'schoonvader' die zich door de papieren van Hendrik liet misleiden. De fantast stond aan de vooravond van een van zijn luguberste kunststukjes.
De zomer van 1893 liep op zijn einde toen er bij de Amsterdamse recherche een verontrustend bericht binnenkwam. Ene Daniël Juett uit het Britse Maidenhead (nabij Londen) kreeg geen contact meer met zijn doorgaans zo oppassende dochter Sarah. Op 15 juni van dat jaar was ze in de plaatselijke kerk getrouwd met de Nederlander Hendrik de Jong en vervolgens op huwelijksreis naar het Sluis Hotel in Arnhem vertrokken. Na een paar brieven bleef het plotseling stil. Hoofdrechercheur Christiaan Batelt was er niet gerust op.

Tranen

Kort na zijn affaire met Grietje was Hendrik aangemonsterd als hofmeester op een veerboot op Groot-Brittannië. Daar ontmoette hij de opgewekte, maar wat verlegen Sarah, in wie hij meteen een nieuw slachtoffer herkende. Ze raakte al snel in de ban van die vlotte, gesoigneerde man uit Holland en ook haar ouders, die hij in Maidenhead bezocht, voelden geen nattigheid. Hij masseerde ze met een indrukwekkend document van De Nederlandsche Bank, waaruit bleek dat hij f 12.000,- in deposito had. De Juetts waren alleen het Engels machtig en hadden niet in de gaten dat het Hendriks ontslagpapieren betrof van de gevangenis uit 's Hertogenbosch, waar hij f 12,00 had verdiend. Die derde nul had hij later zelf toegevoegd.

Vol vertrouwen gaven de ouders hun dochter aan hun kersverse schoonzoon mee. En er leek die wittebroodsweken in Arnhem weinig aan de hand. Volgens het hotelpersoneel ging het pasgetrouwde stel 'allerliefst' met elkaar om en maakte het in de bosrijke omgeving veel uitstapjes. Zo ook op 7 juli – met dit verschil dat Hendrik die middag alleen in het hotel terugkeerde. Hij pakte de koffers en vertrok.
Aan zijn schoonouders vertelde hij met tranen in zijn ogen dat Sarah er vandoor was met een rijke Amerikaan. Tranen die hij in Amsterdam goed verborgen hield, waar hij ondertussen kennisgemaakt had met de zusters Schmitz uit de Pijp, die zeer te spreken waren over zijn "buitengewoon fatsoenlijke manieren". Tussen hem en de jongste zus, de 40-jarige Maria Sybilla, bloeide in luttele dagen iets moois op.

Maria werkte als modiste in de Utrechtsestraat en was volgens De Tijd "zeer gezien bij de andere dames". Omdat ze "spoedig in het huwelijk hoopte te treden" nam ze ontslag. Ze was inmiddels ook bij Hendrik ingetrokken, eerst in hotel Rotterdam op het Weesperplein en later in hotel Van Gelder aan het Damrak. Maar terwijl Maria op haar roze wolk bivakkeerde, verkwanselde Hendrik op 28 augustus achter haar rug om de meubels die zij en haar zus hadden opgeslagen bij de firma Paris.

Koffer

Voor de Don Juan leek er geen vuiltje aan de lucht. De kastelein van koffiehuis Thorbecke verklaarde later aan hoofdinspecteur Batelt dat Hendrik een groot deel van de avond van de 30ste in zijn etablissement aan het Rembrandtplein had doorgebracht. Op middernacht toastte hij met andere gasten op de verjaardag van prinses Wilhelmina en zong het Wilhelmus. Later die nacht vertrok hij met een "dame van verdachte zeden" richting Nes. Toch was hij 's ochtends al weer vroeg bij de pinken om samen met Maria de verjaardag van de prinses op de Laarderheide te vieren. Ook nu keerde hij 's avonds alleen terug, ruimschoots op tijd om met een vriendin het vuurwerk op de Amstel te kijken.

Terwijl Hendrik feestvierde, had Batelt niet stilgezeten. Op 7 september 1893, zo schreef het Algemeen Handelsblad, pakte de politie Hendrik de Jong op voor de verdwijning van Sarah Juett. Maar al gauw ontdekte de recherche dat ze met twee vermissingen te maken had: sinds de vroege avond van 31 augustus had niemand Maria meer gezien.
Nadat het nieuws van Hendriks arrestatie bekend werd, stroomden de verklaringen binnen. "In de geheele zaak-de Jong", zei Batelt tijdens het onderzoek, "is opnieuw gebleken, hoe voorzichtig men moet zijn met getuigen-verklaringen, zelfs de meest pertinente". In het logement van Van Gelder aan het Damrak nam de politie een koffer van Hendrik en Maria in beslag. Hendrik bleek de kleding van haar en Sarah grotendeels te hebben verpatst. Tussen zijn bezittingen werd wel een kleine schep met lange steel gevonden, die "wellicht als zij spreken kon, veel zou openbaren", meende De Tijd.

'Wraakzuchtig'

Wat de politie niet vond, waren (de lijken van) Sarah en Maria. Een politieman herinnerde zich later hoe ze de omgeving van de Laarderheide in linie met veldwachters, speurhonden, jachtopzieners en "een geheel bataljon infanterie en enige compagniën vesting-artillerie" hadden uitgekamd. Tevergeefs. Hendrik wreef zich in zijn cel in de handen. Hij hield vol dat hij op 30 augustus met juffrouw Schmitz naar Londen was gegaan en dat ze daar was gebleven. Sarah zou er met een rijke Amerikaan vandoor zijn. Hoewel aantoonbaar onjuist, kon de politie na zeven maanden onderzoek moord niet hard maken. Dus greep Batelt terug op een andere affaire.

"Nooit heb ik een gedrang gezien, zoo compact, zoo geweldig, als in de Reguliersdwarsstraat, voor de hooge nauwe deur, die toegang geeft tot de publieke tribune, als dien dag, waarop De Jong terecht zou staan", schreef Hurrelbrinck. Er een "doodsche stilte" toen een opgepoetste, zelfbewuste beklaagde de rechtszaal binnentrad. Hendrik wuifde naar de familie Kramer en gedroeg zich afwisselend verontwaardigd en parmantig en deed alsof hij van de prins geen kwaad wist. Hij moest zich verantwoorden voor het oplichten van Hendrik Kramer ter waarde van f 100,- gulden – een relatief klein vergrijp, waarvoor hij met vier jaar cel zwaar gestraft werd. "Wraakzuchtig", oordeelde een zeer verbolgen Hendrik, die Hurrelbrinck gelijk beroep liet aantekenen.

Terwijl hij de uitslag van het hoger beroep afwachtte, schopte Hendrik wild om zich heen. Kranten die kwaad van hem spraken, dreigde hij met vervolging en hij stuurde een dreigbrief naar de president van het hof. Als deze zijn straf niet zou terugdraaien, zou hij zich "op al zijn onrechtvaardige en wetverkrachtende rechters op bloedige wijze" wreken. Het baatte hem niet.

Even na achten in de ochtend van de 18de augustus 1897 werd Hendrik uit de strafgevangenis aan Amstelveenseweg ontslagen. Hij moest nog even wennen aan de aanwezige verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden, maar al snel snoefde hij weer als vanouds. Hij vertelde dat hij naar Australië wilde, "omdat ik daar veel vermogende vrienden heb". Of hij dat heeft gedaan is onduidelijk, maar vertrokken is hij wel. In de nacht van 18 op 19 augustus 1898 vermoordde hij met gruwelijk geweld een Gentse herbergierster en haar dienstbode, waarna nooit meer iets van hem is vernomen. Hij werd in België bij verstek ter dood veroordeeld.

Foto header: Trouwfoto van Hendrik en de Britse Sarah Anna Sujet, 15 juni 1893.