“Daar, geef dat eens aan die man.” Een Amsterdamse huisvrouw stopt haar dochtertje– of zoontje – een kleinigheid toe om aan een straatmuzikant te geven. De man mist beide voeten, heeft zich twee houten benen aangemeten en kan zo kennelijk, steunend op twee krukken, ook nog op zijn klarinet spelen. Christiaan Andriessen (1775-1846), de tekenaar, schetste het voor zijn ‘dagjournaal’, dat hij tussen 1805 en 1808 bijhield. De tekening vermeldt dat het 21 maart was.

Deze Amsterdamse geeft iets – en heeft dus een keus gemaakt die Amsterdammers tot op de dag van vandaag bezighoudt bij het zien van een bedelaar: geef ik iets of loop ik door? De aarzeling is niet onterecht. Bedelaars werden door de eeuwen heen gezien als een plaag. De praktijk werd zelfs landelijk bij wet verboden, een verbod dat in Amsterdam nog altijd geldt. Volgens de politie behoren de meeste bedelaars in de straten en in het openbaar vervoer vandaag de dag tot professionele bendes, meestal uit Oost-Europa. Ze worden met hetzelfde voorgedrukte ‘bedelbriefje’ de straat op gestuurd, sommigen doen alsof ze gehandicapt zijn; soms zijn het minderjarigen. De Amsterdamse VVD stelde al eens voor dit soort gebedel te bestrijden door de bedelaars hun geld af te nemen. De politie doet dat, maar heeft natuurlijk wel meer te doen. De vraag is bovendien of dat afpakken werkt.

Het dilemma is van alle tijden. In het romantische toneelstukje Geveynsde bedelaar of herstelde liefdevan Adriaan van Steyn (1661) wordt de keurige ‘Isabella’ aan de deur lastiggevallen door ‘Urbanus’: “Mejuffrouw wilt u gunst aan dees bedroefde toonen,/ Die om een aalmoes bid, den Hemel sal ’t u loonen!” Isabella vertrouwt het niet: “Ik seg nog eens gaat heen, en treet myn huys voorby,/ Ik geef geen vremdeling, misschien vol veynsery.” Urbanus vertelt haar dan over “Myn ramp, myn ongeval, en overgroote druk”, en hij voegt eraan toe: “Ik bid u om geen goud, noch vlei u om geen schatten [...] alleen van ’t overschot/ Versoek ik ’t kleynste deel.” Zij zal die kleinigheid niet missen, ze zal er later “in ’t hoog gestigt”, de hemel, voor beloond worden.

Isabella gaat er niet op in en gooit de deur dicht. Maar dan hoort ze Urbanus buiten verdrietig jammeren – “Ag my! rampsalige! waar sal ik my nog wenden?/ Waar sal ik nog myn leet en droevig leven enden? / Den Hemel stort een vloed van plagen op my neer” – en ze verandert van gedachten. Niet alleen geeft ze Urbanus zijn aalmoes, maar ze raakt ook plots verliefd op hem – het is per slot een romantisch stukje theater. Eind goed, al goed: de arme drommel krijgt zowel Isabella als haar geld.

Er leven in Amsterdam duizenden mensen op straat die te kampen hebben met “een vloed van plagen”, zoals Urbanus. We brengen ze in dit winternummer van Ons Amsterdam voor het voetlicht: de daklozen, de mensen met psychische problemen, de onbehuisden. Ze verdienen onze aandacht en onze hulp.

Koen Kleijn

Decembernummer 2019

Beeld: collectie Stadsarchief Amsterdam