Twee maanden gage voor iedere geworven marineofficier kreeg kapitein-commandeur Wybrandt Scheltinga in 1715 van de Russische agent te Amsterdam Osip Solojev. Dat geld diende om de reis van de zeemannen naar Rusland te bekostigen. Tsaar Peter de Grote had dringend zo’n 200 bekwame officieren nodig voor zijn vloot. Scheltinga’s wervingsacties in de Nederlandse Republiek waren strikt geheim. De Staten-Generaal hadden dat jaar Nederlanders namelijk verboden dienst te nemen in buitenlandse legers. De Noordse Oorlog was in volle gang en de Republiek wilde strikt neutraal blijven. Het is vermoedelijk een andere agent van de tsaar in Amsterdam geweest, Johannes van den Burgh, die er achterkwam dat de geheime missie toch ontdekt was. Scheltinga werd gewaarschuwd, maar die ging gewoon door met zijn illegale wervingsacties. Deze verliepen in eerste instantie probleemloos. De animo onder de Nederlanders bleek groot. Eind 1715 stonden er ruim 344 rekruten klaar voor transport. Op 2 april verlieten ze met een fluit- en een oorlogsschip de Amsterdamse haven. Toen ging het mis. In het Vlie werd het fluitschip door Hollandse commissarissen aangehouden, met het argument dat de wervingsacties in strijd waren met de plakkaten van de Staten-Generaal. Wat nu? Van den Burgh schoot te hulp. Op Eerste Paasdag ging hij langs bij de Amsterdamse admiraliteit. Hij wist dat ze de Russen welgezind waren. Vanwege de officiële Nederlandse neutraliteit hadden ze de wervingsacties niet openlijk kunnen steunen, maar nu gaven ze wel een brief af waarmee een vrije doorvaart voor het schip werd bevolen. Het fluitschip mocht verder.

JOHAN ZIELSTRA, ‘EEN PUBLIEK GEHEIM. RUSSISCHE WERVINGSACTIES IN DE REPUBLIEK, 1715-1716.’ TIJDSCHRIFT VOOR ZEEGESCHIEDENIS JRG. 23, NR. 2, 2004.

Arjan Terpstra & Emma Los

Juli/augustus 2005

Beeld: Bezoek van czaar Peter de Grote aan de werf van de Oost-Indische Compagnie op Oostenburg, 1697. Collectie Beeldbank Amsterdam.