“Er is iets groots in ons klein land geschied,” dichtte Herman Gorter euforisch in 1903. In januari van dat jaar rommelde het in de Amsterdamse haven – maar dat was niet zo ongebruikelijk. Dat de onrust massaal oversloeg naar de spoorwegen was dat wel en deed menig socialistisch hart opgewonden kloppen. “De leeuw toont zijn klauw,” jubelde SDAP-voorman Pieter Jelles Troelstra aangenaam verrast in Het Volk. Hij voorzag “een reuzenstaking” en riep de arbeiders op “de rijen te sluiten”. En dat deden de spoorwegarbeiders ook. Binnen een paar dagen werden gevestigde verhoudingen volledig op hun kop gezet: het “proletariaat” hield het overrompelde “grootkapitaal” stevig bij de strot.

De havenarbeiders waren al herhaaldelijk in opstandgekomen tegen de “wantoestanden” op de werkvloer, want het zware werk en de lange dagen leverden hen steeds wisselende inkomsten op en bovendien kenden ze onzekere periodes van werkloosheid zonder enig inkomen. Volgens A.J.C. Rüter, die een standaardwerk over de spoorwegstakingen schreef, heerste er zelfs “volslagen anarchie in het havenbedrijf”. Het jaar 1902 was echter nagenoeg geruisloos voorbijgegaan, maar daarna was het gedaan met de inschikkelijkheid. Na een klein conflict bij het Blauwhoeden- en Vriesseveem riepen de vakverenigingen in een manifest alle dok- en havenarbeiders op zich voor 1 januari 1903 bij een vakbond aan te sluiten. Deze dwingende oproep tot organisatie betekende een greep naar de macht en de werkgevers waren dan ook ‘not amused’. Het Blauwhoedenveem – dat zich van het personeel weinig wenste aan te trekken – zette daarop ongeorganiseerde arbeiders in. Op 9 januari brak er bij het veem dan ook een staking uit die zich als een olievlek over de Amsterdamse haven uitbreidde. De strijdlust bleek groot en sloeg over naar de anders weinig militante spoorwegarbeiders. De machinisten en conducteurs waren weliswaar niet tevreden met de omstandigheden waaronder zij moesten werken, maar waren zelden voor hun belangen opgekomen.

Het spoorwegpersoneel maakte met enige regelmaat werkdagen van veertien tot twintig uur, of nog langer. Sommige machinisten draaiden onverantwoorde diensten van 24 tot 36 uur, met maar zeer korte rustpauzes. In 1890 vertelde een machinist aan de enquêtecommissie die dat jaar in de Amsterdamse en Rotterdamse haven en bij het spoor de “algemeene toestand” onderzocht, dat het “na een lange diensttijd dikwijls is gebeurd, dat de beenen onder mij begonnen te beven, zoodat ik het hoofd door het gat moest steken, om door de felle afkoeling mijne oogen te kunnen openhouden.”

Tegenover de vele arbeidsuren stond vaak een karig loon, zeker voor het lagere personeel zoals de wisselwachters en de stationsarbeiders. Een spoorwegbeambte die zijn superieur eens om een beetje loonsverhoging vroeg, kreeg voor de voeten geworpen dat “een werkman niets anders noodig heeft als een stuk brood en een aardappel”. De beambte werkte al veertien jaar voor dezelfde maatschappij voor 96 cent per dag – te weinig voor de noodzakelijke uitgaven. Samen met zijn vrouw, die als wachteres een kwartje verdiende, deed hij dagelijks dienst van ’s ochtends halfzes tot ’s avonds halfelf.

Ingegeven door deze beroerde arbeidsomstandigheden, betoonden de spoorwegarbeiders zich spontaan en massaal solidair met de stakende havenarbeiders. Op 28 januari 1903 weigerden een aantal rangeerders van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HIJSM) in de Rietlanden een wagon te rangeren van een havenbedrijf dat met ‘onderkruipers’ werkte. De dag daarop volgde rangeerder Dirk Vreeken hun voorbeeld – hij werd onmiddellijk geschorst. Uit protest legden al zijn collega’s van het rangeerterrein in de Rietlanden het werk neer, evenals het spoorwegpersoneel op het goederenstation Oostenburgergracht. Niet veel later pakten de arbeiders op het oostelijk deel van het Centraal Station hun boeltje en verlieten de machinisten hun locomotieven.

Opgewonden noteerde dichteres, publiciste en socialiste Henriëtte Roland Holst: “Het ondenkbare werd een feit en het ongeloofelijke waarheid. Het geheele verkeer naar en van Amsterdam stond stop, de hoofdstad was geïsoleerd. Door het spoorwegpersoneel van het gehele land ging een siddering van verlangen zich in de strijd te werpen. (…) de machtige kapitalistische groep der spoorwegmaatschappijen lag weerloos ter aarde. Zij voelde de ijzeren greep van het proletariaat.”

“De geestdriftige stemming was niet te dooven”

De impulsieve solidariteitsstaking van de Amsterdamse spoorwegarbeiders verraste vriend en vijand. Ook de sociaal-democraat Jan Oudegeest, voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (NV). De vakvereniging, die door de spoorwegdirecties niet werd erkend, was volstrekt niet voorbereid op een algemene staking en had dan ook geen strijdplan klaarliggen. Maar “de geestdriftige stemming was niet te dooven” en de lust tot staken “ongebreideld”; overal in het land gingen lijnen plat en in allerijl werd een stakingscomité samengesteld.

De HIJSM en haar enige concurrent de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen (SS) waren ontredderd; de eveneens overdonderde regering hield zich afzijdig. Van de weeromstuit capituleerden de spoorwegmaatschappijen op 31 januari voor de meeste eisen van het spoorwegpersoneel en accepteerden schoorvoetend de NV als serieuze onderhandelingspartner. De arbeiders hoefden niet langer samen te werken met ‘besmette’ havenbedrijven en ontslagen stakers werden weer in dienst genomen. Zelfs de twee gestaakte dagen zouden worden uitbetaald.

De spoorwegarbeiders, die zich en masse hadden verzameld in Plancius aan de Plantage Kerklaan 41, besloten onder luid gejuich de staking op te heffen. Ze hadden een klinkende overwinning behaald en zich voor het eerst met succes ontworsteld “aan een stelsel van strakke discipline en absolute gehoorzaamheid”. Het nog niet eerder beproefde middel van een algemene werkstaking was effectief gebleken – eendracht maakte inderdaad macht.

“Duizende arbeidersharten heeft zij hoog en snel doen kloppen,” juichte Henriëtte Roland Holst, “de rustig herkauwende bourgeois uit den zoeten dommel opgeschrikt, de gansche kapitalistische klasse in ’t geweer gebracht tegen de klasse der arbeiders.” Het socialistische kamp was meer dan opgetogen. Onderlinge geschillen waren terzijde geschoven – voor zo lang het duurde. Troelstra, in normale doen voorstander van de parlementaire weg, zag in de euforie opeens het algemeen kiesrecht binnen handbereik: middels een – niet-parlementaire – algemene werkstaking.

Socialisten en arbeiders verkeerden in een overwinningsroes. Burgerlijk Nederland daarentegen was heftig ontdaan. Dat de gewone man het openbaar vervoer naar believen kon stilleggen was ongehoord – voor sommige burgers was de door marxisten gepredikte sociale revolutie wel angstig dichtbij gekomen. De “rode terreur” moest gestopt! Dat de staking geen politieke maar een economische was geweest, was door de opgezweepte emoties bij beide partijen wat op de achtergrond geraakt.

De meeste dagbladen oordeelden – in meer of minder aardige bewoordingen - dat de spoorwegarbeiders het algemeen belang hadden geschaad. In sommige kringen deed het rijmpje “Weg met koning Oudegeest, te lang reeds is hij vorst geweest” de ronde. Maar ook de regering onder leiding van de antirevolutionaire Abraham Kuyper moest het ontgelden. Fel hekelde de pers zijn lakse optreden, waardoor de oproerkraaiers vrijelijk hun gang hadden kunnen gaan. Ruim veertien dagen na de glorieuze overwinning sloeg een door alle kritiek getergde Kuyper terug met zijn beruchte wetsvoorstellen, die staken bij de overheid en bij het spoor strafbaar stelden. De zogenoemde ‘worgwetten’ werden inzet van een nieuwe staking.

Socialisten van uiteenlopende ideologische snit sloegen de handen ineen in een Comité van Verweer, dat kwartier hield in het vakbondsgebouw van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB). Onder voorzitterschap van de gematigde Oudegeest moest het comité zien te voorkomen dat het parlement de worgwetten zou aannemen. Als uiterste pressiemiddel dreigde het met een algemene werkstaking.

“Nu is alles verloren”

Ondertussen bleef het in de hoofdstad zeer onrustig. Aangestoken door het succes van het spoorwegpersoneel gistte het in verschillende bedrijfstakken. Burgemeester W.F. van Leeuwen luidde de alarmbel. Op 4 februari deelde hij aan de commissaris der Koningin in Noord-Holland mee dat de toestand “hoogst ernstig” was. De gemeentewerklieden hadden eisen gesteld, “die niet ingewilligd konden worden” en dreigden het werk neer te leggen. Van Leeuwen vreesde solidariteitsstakingen. Volgens de commissaris der Koningin was het landsbelang in het geding, want “indien aan de zucht om steeds hooger eischen te stellen, geen paal en perk werd gesteld, zou een geest van overmoed zich over het gansche land verbreiden.” De regering riep twee lichtingen militairen onder de wapenen. Amsterdam werd een belegerde stad.

De spoorwegmaatschappijen, inmiddels van de schrik bekomen, krabbelden ook weer op en zonnen op eerherstel. Rüter vermoedde dat ze een nieuw conflict eerder wensten dan vreesden “omdat het revanche en hersel van almacht brengen zou”. Het tij keerde zich - onder de arbeiders taande de militante geest met de dag en binnen het Comité van Verweer staken al snel (oude) tegenstellingen de kop op.

De meer radicale socialisten opteerden onverminderd voor een algemene werkstaking en vonden – vooralsnog – de temperamentvolle Troelstra aan hun zijde. Meer gematigde geesten vroegen zich echter af of het gebruik van dit machtsmiddel wel verstandig was. Henriëtte Roland Holst betoogde dat de vakorganisatie er nog niet sterk genoeg voor was en er alleen maar “grote schade door zou lijden”. Jan Oudegeest meende dat door het veranderende klimaat een nieuwe staking niet langer massaal gesteund zou worden. Hij vreesde zelfs dat “de boel in een halve dag [zal] worden neergeschoten”. Maar binnen het comité kregen de anarchisten de overhand.

De behandeling van de ‘worgwetten’ door de Tweede Kamer was nakende. In de nacht van zondag 5 op maandag 6 april riep het Comité van Verweer de spoorwegstaking uit. Maar de spoorwegmaatschappijen waren deze keer grondig voorbereid. De baas van de HIJSM, R. van Hasselt, had twee maanden lang “koortsachtig” aan een nooddienstregeling gesleuteld, die met behulp van stakingsbrekers en militairen ‘voortreffelijk’ bleek te werken. Toen hij op 6 april ’s ochtends om halfzes de eerste trein op tijd het station zag verlaten, zo schreef hij aan een vriend, was dat voor hem het sein dat “we de baas waren gebleven”. Later vertelde de dochter van een van de stakingsleiders hoe ze thuis opeens een verre fluit van een locomotief hoorden. Haar vader legde het hoofd in zijn handen en zei: “Nu is alles verloren.”

“Ge zijt hier nu bijeen in opwinding”

De spoorwegdirecties haalden hun gram. Gezinnen van stakers werden uit hun huis gezet en steeds meer treinen werden door ‘onderkruipers’ bemand. Meer en meer spoorwegarbeiders gaven de strijd op. Troelstra, die zich zo sterk had gemaakt voor de algemene werkstaking, zette opeens toch al zijn kaarten op het parlementaire debat. Om te redden wat er te redden viel, besloot het Comité van Verweer op 8 april de algemene staking uit te roepen. Maar de volgende dag nam de Tweede Kamer Kuypers worgwetten aan en gooide het Comité van Verweer in opperste verwarring de handdoek in de ring.

“De woede en teleurstelling onder de stakers, die alles op het spel hadden gezet en zich nu in de steek gelaten voelden, was onbeschrijfelijk,” schreef Elsbeth Etty in haar biografie van Henriëtte Roland Holst. De spoorwegmaatschappijen kenden geen genade en zetten tweeduizend mensen op straat. Die kregen weliswaar een getuigschrift mee, maar daarin stond vermeld dat ze aan de staking hadden deelgenomen. Geen aanbeveling voor een toekomstige werkgever. Zo zoet als de overwinning in januari was geweest, zo bitter was de nederlaag nu. De ontslagen werknemers vervielen veelal tot ernstige armoede, want financiële steun was nauwelijks voorhanden. Voor de jonge arbeidersbeweging was de tweede staking uitgelopen op een traumatische gebeurtenis.

Binnen het Comité van Verweer vlogen de verschillende socialistische stromingen elkaar furieus naar de keel. Volgens de radicale Ferdinand Domela Nieuwenhuis had de SDAP het beëindigen van de staking er doorgedrukt en daarmee de beweging verraden. De Vrije Socialisten wilden doorstaken totdat de worgwetten weer werden ingetrokken. Henriëtte Roland Holst sprak de verhitte menigte toe: “(…) Ge zijt hier nu bijeen in opwinding en levert het schouwspel aan uw vijanden, dat uw beste mannen elkaar verscheuren. We hebben gestreden en we zijn overwonnen, dat is de waarheid.” Daar namen de aanwezigen echter geen genoegen mee.

Tijdens twee langdurige en “afschuwelijke nachtvergaderingen” in het ANDB-gebouw kwam de ‘schuldvraag’ ter tafel. Stoelen vlogen door de zaal en woedende anarchisten wilden sociaal-democraten te lijf gaan. Jan Oudegeest, die het zwaar te verduren kreeg en later vanwege ernstige bedreigingen met zijn gezin moest onderduiken, noemde de vergaderingen erger dan de gevangenis. “Ze zijn de hel.” Troelstra, die de sfeer als “moordzwanger” omschreef, kreeg een zenuwinzinking en wilde zich laten doodschieten door met revolvers gewapende anarchisten, zo beschrijft Elsbeth Etty.

Uiteindelijk oordeelde een onderzoekscommissie dat van verraad geen sprake was geweest – er waren ernstige fouten gemaakt, dat wel. Maar van eenheid binnen de socialistische gelederen zou heel lang geen sprake meer zijn.

Met dank aan Nico Markus, medewerker van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en samensteller van de tentoonstelling over de spoorwegstaking van 1903 Gansch het raderwerk….

M. van der Weg is freelance journaliste.

Literatuur

Elsbeth Etty, Henriëtte Roland Holst 1869-1952 - Liefde is heel het leven niet, Olympus, Amsterdam 2000.

H. Roland Holst, De groote spoorwegstaking, de vakbeweging en de SDAP, gebr. Stuffers, ’s-Gravenhage 1903.

A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903, Sun Nijmegen 1978.

J.H. Schaper, Het woelige kwartaal, Groningen 1903.