Felix Meritis (Latijn voor ‘Gelukkig door Verdiensten’) is de naam van het pand Keizersgracht 324 en de stichting die daar nu culturele activiteiten ontplooit. Oorspronkelijk was het de naam van het genootschap dat in 1777 werd opgericht op initiatief van horlogemaker (en verdienstelijk tekenaar) Willem Writs. De oprichters hadden het hoog in de bol: ze wilden zich wijden aan zowel handelskennis, natuurkunde, tekenkunst, de letteren als de muziek. Voor de vijf disciplines werden ‘departementen’ opgericht, die op een eigen avond in de week bijeenkwamen in Writs’ huis aan de Leidsegracht, dat al snel veel te klein was.

Na jaren van plannenmakerij en geldinzameling kon in 1788 een majestueus eigen pand worden geopend aan de Keizersgracht, met indrukwekkende Corinthische zuilen tegen de gevel, ontworpen door Jacob Otten Husly. In het voorhuis was een grote gehoorzaal, boven zaten een tekenzaal en een ruimte voor natuurkundige proeven, op het dak stond een sterrenkundig observatorium. De verdiepingen werden (en worden) verbonden door een brede en rijk gedecoreerde wenteltrap tussen voor- en achterhuis.

De grote ovale concertzaal met haar gekiende akoestiek in het achterhuis was de bijzonderste ruimte in Felix Meritis. Daar speelde het eigen orkest, half-om-half bestaand uit beroeps- en vrijetijdsmusici, onder leiding van achtereenvolgens: Joseph Schmidt (1790-1791), Bartolomeus Ruloffs (1791-1801), Carl A. Fodor (1801-1830), Johannes B. van Bree (1830-1857), Johannes Verhulst (1857-1884) en Julius Röntgen (1884-1888). De concerten vormden het bindmiddel bij uitstek tussen alle leden én de grootste aantrekkingskracht voor het lidmaatschap. Want ze waren alleen toegankelijk voor leden en soms introducés.

Lid werd je, zacht gezegd, niet zomaar. “Er was een strenge ballotage”, zegt geschiedenisstudente Mascha van Nieuwkerk. Ze is zelf celliste en organisator van kleine concerten en doet onderzoek naar de concertpraktijk van Felix Meritis en het Concertgebouw. “Je moest man zijn en rijk en in het gezelschap passen. Middenstanders en Joden kwamen er niet in en vrouwen alleen als introducé.” De oudste regentenfamilies van Amsterdam haalden overigens hun neus op voor de nouveaux riches. Zij hadden eigen muziekavondjes in hun joekels van grachtenhuizen.

Johannes Verhulst

Wie waren dan wel lid? “Ik heb de ledenlijsten van 1864 tot 1871 bekeken”, zegt Van Nieuwkerk. “In 1864 woonden 79 leden op de Herengracht en 95 op de Keizersgracht. Enkele koopmansfamilies (Van Eeghen, Waller, Bunge, Heineken, Joosten, Matthes) telden wel vier, vijf leden. Men wierf ook onder collega’s op kantoor. De directie en twee topmedewerkers van De Nederlandsche Bank troffen elkaar ook ’s avonds in Felix bij concerten. Een ander groepje leden kwam uit de kringen van de Amsterdamse suikerindustrie. Er waren Eerste Kamerleden, rechters, advocaten en griffiers van de Arrondissementsrechtbank.”

Felix Meritis in 1790. Noach van der Meer / Stadsarchief Amsterdam.

Van Nieuwkerk heeft boeiende papieren gevonden van ene Johannes de Clercq, die in 1860 als 18-jarige rechtenstudent werd toegelaten tot Felix Meritis. Zijn vader was al lid. Johannes’ aantekeningen in de kantlijn van concertprogramma’s geven een uniek inkijkje op de beleving van muziekminnaars in die dagen. Op 9 december 1864 noteerde hij enthousiast: “Waarlijk Felix gaat eene grote toekomst tegemoet! ’t Aantal leden boven de 300. Tachtig jongelui, in plaats van een half dozijn waarmee wij voor vier jaren begonnen, een goede, flinke spirit onder ons allen.” Het genootschap had eerder zware jaren doorgemaakt: door een handelscrisis kelderde tussen 1857 en 1859 het ledental.

Het optimisme groeide verder door het aantreden in 1864 van Johannes Verhulst als nieuwe dirigent, al moest De Clerq eerst even wennen aan deze Rotterdammer. “Ik moet erkennen dat Verhulst dan wel een brusque, lompe maar daarentegen een zeer bekwaam, oplettend, ijverig dirigent is, die bij de noodige kennis een opgewektheid en ambitie bezit, zooals we die in ons land niet veel gewend zijn.”

Wel ergerde De Clercq zich aan medeleden die vooral kwamen om te ‘netwerken’ en van muziek weinig verstand hadden. Van Nieuwkerk: “Hij is geschokt als hij directeur Insinger van De Nederlandsche Bank tegen zijn nichtje hoort zeggen dat een aria uit Mozarts Die Zauberflöte een Amerikaans melodietje is! Hinderlijk was ook dat al tijdens het laatste stuk mensen opstonden om weg te gaan. Er stond een file van koetsjes voor de deur en niemand wilde lang wachten. Één voor één werden de namen van de vertrekkers na het concert afgeroepen Vaak kwam de politie eraan te pas om de orde te handhaven in de wirwar van mensen en voertuigen op smalle Keizersgracht.”

Muzikale smaak

Medio 18de eeuw kreeg Felix Meritis als concertpodium steeds meer concurrentie. Willem Stumpff richtte in 1849 het Parkorkest op, dat speelde in de Parkzaal (waar nu het Wertheimpark is). Het eerste orkest in Nederland dat zijn musici een salaris gaf. Na de opening van het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein in 1864 werd het Paleisorkest gevormd, onder leiding van Johan Coenen: dat bestond helemaal uit beroepsmusici. In 1882 gingen beide orkesten samen als de Amsterdamsche Orkest-Vereeniging (AOV), dat zowel in het ‘Volkspaleis’ als de Plantage optrad, op die laatste plek met dirigent Willem Kes.

De concerten van deze nieuwe orkesten waren (tegen betaling) openbaar. Dat was nieuw en ook de sfeer was er aanzienlijk minder gewijd dan in Felix. Het publiek zat aan ronde tafeltjes en terwijl het orkest speelde konden consumpties worden besteld. Het kostte de muzikanten vaak moeite het geroezemoes te overstemmen. Geregeld zong het publiek een moppie mee.

Had het elitaire Felix Meritis ook het allerbeste orkest? Niet per se. Op den duur werden de nieuwe orkesten zelfs duidelijk professioneler. De dirigenten van het chique genootschap wisten de matige kwaliteit van de ‘lagere lessenaars’ echter te camoufleren door internationaal vermaarde solisten te arrangeren, die soms tevens componist waren. Zo haalde Verhulst beroemdheden als Robert en Clara Schumann, Camille Saint-Saëns en Johannes Brahms binnen.

Zijn muzikale smaak was behoorlijk conservatief. De romantische, harmonische stijl van Beethoven, Mozart en Mendelssohn was voor hem de norm. Van relatieve nieuwlichters als Liszt, Chopin en vooral Wagner moest hij niets hebben. Dat leverde hem en Felix Meritis steeds meer kritiek op van een nieuwe generatie muziekkenners. Ook de zelfgenoegzame beslotenheid van het genootschap paste steeds minder in de sfeer van de tijd, waarin de betere middenstand zelfverzekerder werd. Binnen Felix namen de twisten toe, het ledental kelderde weer en in 1888 werd het genootschap opgeheven – een paar maanden na de opening van het Concertgebouw.

Andere concertcultuur

In 1884 schrok de beroemde Johannes Brahms zó van de vertolking van zijn Derde Symfonie door een Amsterdamse gelegenheidsorkest, dat hij uitriep: “Nach Amsterdam komme ich nur zurück um gut zu essen und zu trinken!” Toch kwam hij weer in hetzelfde jaar, nu om met de fameuze Meininger Hofkapelle te laten horen hoe het wél moest. Vaak is geschreven dat Brahms pittige kritiek de Amsterdamse musici met een schok de noodzaak van professionalisering deed beseffen en zo de stoot gaf tot de bouw van het Concertgebouw en de oprichting van het Concertgebouworkest. “Maar dat kan toch niet kloppen”, zegt Mascha van Nieuwkerk, “want het initiatief kwam al in 1881 van zes Amsterdamse muziekliefhebbers. En de bouw begon in 1883.”

Tegelijkertijd stelt zij vast dat er een wereld van verschil is tussen de concertcultuur van Felix Meritis onder Verhulst en het jonge Concertgebouworkest. Kwaliteitsconcerten kwamen nu onder bereik van een veel breder publiek, alleen al omdat de Grote Zaal veel ruimer was dan de concertzaal van Felix Meritis (en de Parkzaal) en de toegang minder dan de helft kostte. De samenstelling van het publiek veranderde drastisch. In het Concertgebouw waren ook winkeliers welkom en die maakten al snel 10% van het publiek uit: als beroepssector kwam zij op de derde plaats na de kooplieden (27%) en de bankiers (24%), nog boven de onderwijzers (6%) en de ambtenaren en de juristen (beiden 7%).

Ook de beoogde professionalisering slaagde. Terwijl de helft van het Felix Meritisorkest in het dagelijks leven koopman, chirurg of jurist was, waren bijna alle 72 Concertgebouworkestleden beroepsmusici. De twee uitzonderingen waren kleermaker J. Poppelsdorff en hoeden- en pettenwinkelier B. Bos, beiden van de ‘tweede violen’. En dirigent Willem Kes was streng, voor zijn muzikanten (stevig repeteren!; op tijd komen!) én voor zijn publiek (niet meer drinken tijdens het concert en koppen dicht!). Het niveau steeg snel.

Erfgoed Felix

Er kwam nóg een verandering. Overboord ging de programmering die muziekliefhebbers in de 18de en 19de eeuw bij Felix Meritis en elders gewend waren. Geen ‘potpourrimodel’ meer om het zoveel mogelijk luisteraars naar de zin te maken: tien tot vijftien zeer verschillende stukken op een avond, instrumentele solo’s, aria’s, ouvertures, een stukje symfonie, een mars, een lied – alles door elkaar. Die tijd was voorbij. Homogeniteit werd de norm in het Concertgebouw: een avond lang kamermuziek, of een héle symfonie van begin tot eind. De 20ste eeuw deed zijn intrede.

Toch was 1888 een minder abrupt keerpunt dan steeds is aangenomen, ontdekte Van Nieuwkerk. “Het erfgoed van Felix Meritis ging zeker niet in één klap verloren. De Felixleden vormden maar een klein coterietje in het veel grotere Concertgebouw, maar ze leverden wel een groot deel van de aandeelhouders!” Belangrijker nog: de nieuwe, homogene programmering van Willem Kes was al in de laatste twee jaren van Felix Meritis (1886-1888) geïntroduceerd door de dirigent die daar ‘het licht uit mocht’ doen: de stormachtig vernieuwende Julius Röntgen (1855-1932), pianist, componist en medeoprichter van het Amsterdams Conservatorium. Felix Meritis kon hij er niet mee redden, maar zo droeg hij wel bij aan het succes van het Concertgebouworkest.

En de Felix Meritistraditie leeft op nóg een manier voort in de Van Baerlestraat, weet Van Nieuwkerk: “De Kleine Zaal van het Concertgebouw is een iets uitvergrote kopie van de beroemde ovale concertzaal in het gebouw aan de Keizersgracht.”