‘Met pikhouwelen sloegen wij net zo lang op een brok [beton] tot er een stuk afbrak, en nog een, tot de massa als puin kon worden vervoerd. Wij hakten met veel geweld als er een Duitse soldaat in de buurt was, of tilden bij zijn komst-in-de-verte plotseling de kruiwagen op waarachter wij hadden staan praten, en maakten loze gebaren als de kust weer veilig was.’

Dit schrijft de joodse Amsterdammer Sal Santen over zijn tewerkstelling op Schiphol. Hij herinnert zich zware arbeid, kou en lijfstraffen. Wie niet hard genoeg werkt, krijgt klappen: ‘Een dikke, astmatische feldwebel van middelbare leeftijd en met een Hitler-snorretje joeg hijgend met een stuk hout achter je aan als je niet snel genoeg op je hurken rondsprong omdat hij je had betrapt op nietsdoen: sabotage.’ Een andere veelgebruikte straf is deportatie naar Westerbork.

Dat lot wacht uiteindelijk alle joden die in de eerste oorlogsjaren tewerk worden gesteld. Op 2 oktober 1942 omsingelt de Grüne Polizei de werkkampen op Schiphol en in het Amsterdamse bos. Alle aanwezige mannen worden opgepakt en met hun families gedeporteerd. De werkkampen worden daarna tijdelijk opgeheven.

Tijdelijk, want in de winter van 1944 heropent de bezetter de kampen rondom Amsterdam. Gemengd gehuwde joden - die tot dan toe aan vervolging wisten te ontkomen - worden nu tewerkgesteld. Santen behoort tot deze groep. De gemengd gehuwde joden mogen thuis blijven wonen, maar moeten overdag bomkraters vullen op Schiphol en putten graven in het Amsterdamse Bos. Na enkele maanden worden de meesten doorgestuurd naar werkkampen in Drenthe, en van daaruit soms ook naar Westerbork.

Santen zal de oorlog uiteindelijk - als enige van zijn familie - overleven.

Tot 3 april is een expositie over de joodse werkkampen te bezoeken in de Boswinkel: https://www.amsterdamsebos.nl/joodsewerkkampen/

Beeld: Collectie Joods Historisch Museum