Drie bekeerde Zoeloes houden het publiek in het Amsterdamse Bellevuetheater in spanning door op zich te laten wachten. Eerst moet gezongen, gehallelujaad en gecollecteerd worden voor het Leger des Heils, dat de “kaffer-broeders” hier laat optreden. Na aanhoudend gejoel verschijnen kapitein Mahadu, luitenant Sioelevlogobo en Tom Moeley in “Zoeloe-kostuums” op het podium. “Grotendeels bloot bovenlijf en blote benen tot de knieën: om den kroeskop allerhande kleurige veeren en in de handen schilden van dierenhuiden, lansen en knotsen,” aldus het Algemeen Handelsblad in 1903.
Spoedig verdwijnt het drietal weer achter de coulissen om terug te keren in “Heilslegerkostuum dat bij lange na niet zoo goed staat als hun vaderlandsche kleedij”. Tom Moeley begint in het Zoeloes Heilsliederen te zingen en gaat over tot woeste dansen “op één been en op twee benen, hij doet allerlei clown-achtige sprongen, die natuurlijk niet nalaten de Heilsoldaten in extase en het publiek in verrukking te brengen.” Na deze vertoning collecteren de zwarte broeders voor het “bekeringsfonds in Zoeloeland” en volgen nog allerlei liederen, gespring en gedans.
De vrolijke avond had echter volgens de krant veel afstotends. “De Zoeloes worden blijkbaar gebruikt als levende reclamemiddelen, als onbeschaafden die hun kunsten moeten vertonen.” Deze kritische toon ontbrak tot dan toe in kranten- en tijdschriftartikelen over dergelijke happenings in Amsterdam. We naderen met de bekeerde Zoeloes dan ook het einde van dit fenomeen, waarbij negers, indianen of Aziaten tegen betaling te bezichtigen waren. In Europa kwam dat geregeld voor in de laatste decennia van de 19de eeuw, de hoogtijdagen van het imperialisme. Eerst woonden ze in nagebootste eigen behuizingen, maar na verloop van tijd werd dat te saai. Wilde actie was nodig, zoals krijgs- en kannibalendansen of strijdtaferelen.

Schedelmetingen

In Amsterdam begon het allemaal op de wereldtentoonstelling van 1883 op het Museumplein. Op een grote ronde tent van ruim dertig meter doorsnede wapperde een banier met het opschrift ‘Surinaamsche Inboorlingen’. Hoewel de extra entreeprijs van een kwartje aan de hoge kant was, bleek de belangstelling overweldigend. Onder grote toeloop gaven “roodhuiden, bos- en stadsnegers en verschillende gekruiste rassen” een halfjaar lang een inkijkje in hun gewoonten en gebruiken. Ze maakten kano’s, bakten potten, vlochten matten en speelden op trommels, temidden van zelfgebouwde hutjes. De “hoger ontwikkelde stadsnegers” verkochten eenvoudige sieraden en zelfgemaakte souvenirs in hun marktkraampje.
Slenterend langs een eenvoudig houten hek bekeken verbaasde bezoekers de tentoongestelden van alle kanten. Om de exotische sfeer te verhogen waren de binnenwanden van de tent door de Belgische schilder Waterkeijn beschilderd met een Surinaams panorama van riviergezichten en het gouvernementsgebouw in Paramaribo. In deze “rotonde der Surinamers” moesten bezoekers zich in de kolonie wanen. Zo wilden de particuliere initiatiefnemers meer begrip kweken voor de levenswijze van deze West-Indiërs, en daarnaast antropologen uit binnen- en buitenland een studieobject bieden. “De schedels van verscheidene inboorlingen zijn reeds door deskundigen met veel belangstelling onderzocht,” meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
Elders op het tentoonstellingsterrein was een Oost-Indische kampong nagebouwd op initiatief van de Nederlandse regering. Uit alle regio’s van Nederlands-Indië waren karakteristieke huizen bijeengebracht om hier bewoond te worden door Javanen. Zij gaven demonstraties van het ploegen met een span buffels, vertoonden theaterstukken met wajangpoppen en speelden gamelanmuziek. Vergeleken met hen zaten de Surinamers er nogal verveeld en passief bij. Toch hadden die de twijfelachtige eer de grootste rariteit van de expositie te zijn. Zodoende is aardig wat over hen gedocumenteerd, waardoor hun verhaal een goed beeld schetst van dit fenomeen.
Voor Nederland waren de geëxposeerde inboorlingen een primeur. Op de wereldtentoonstelling waren alle landen waarmee Nederland handelde present met technische hoogstandjes en kunstuitstallingen. Daarover schreef de pers vol ontzag. In schril contrast daarmee stond de toon van de artikelen over de Surinamers. Zo sprak dagblad De Tijd over een “legerplaats van wilde stammen”, waar bezoekers als vliegen door honing naartoe getrokken werden. “Hier zijn namelijk de beroemde, echte Arowakken en boschnegers rechtstreeks uit de binnenlanden van Suriname geïmporteerd, met een ethnografisch doel! Of de ethnographie bij die etalage van menschenvlees veel voordeel zal hebben, valt ernstig te betwijfelen, maar als kermisaardigheid is het de moeite waard er een kwartje aan te verkijken.”
Ook in de tentoonstellingscatalogus werd weinig vleiend over de geëxposeerden geschreven. De indianen zouden hartstochtelijke liefhebbers zijn van sterke drank, “en zoo zij die kunnen machtig worden, deelen zij zelfs de zuigelingen daarvan mede. Pogingen om hen te beschaven bleven steeds vruchteloos. De boschnegers zijn jaloersch, wantrouwend en haatdragend van karakter en daarbij zeer lui, vooral de mannen. Tot geregelden arbeid heeft men hen nog niet kunnen bewegen.”
De vrouwelijke stadscreolen werden in krantenberichten daarentegen als vrolijk, rumoerig en vriendelijk omschreven. Deze groep, die zich verheven voelde boven de rest, bestond voornamelijk uit marktvrouwen met kleurige hoofddoeken en sjaals. Zoals de 24-jarige Jaqueline Riket, die na een leven op de plantage als marktvrouw in Paramaribo werkte. Zij was “zeer gevat” en sprak en schreef Nederlands. Haar driejarige dochtertje Lina werd door het publiek vertroeteld. Een verslaggever van de Katholieke Illustratie kwam minder ver in zijn contact met een ‘inboorling’. Hij hield hem vier sigaretten voor, waarvan de man er één vriendelijk lachend aannam. Verrast door zoveel bescheidenheid en beschaving van een ‘wilde’, stopte de journalist hem ook de andere drie toe. Maar toen hij een gesprekje wilde aanknopen, kon hij het antwoord van de Surinamer niet verstaan, waarna die zich verlegen uit de voeten maakte.

Een klein negertje op schoot

Hoe kwamen de Surinamers hier eigenlijk? Enkele vooraanstaande Amsterdammers, die in Parijs geïnspireerd waren door een expositie van “overzeesche natuurgenooten”, benaderden een zekere William Mackintosh in Suriname om een gezelschap samen te stellen. De creolen in de stad boden zichzelf aan om te gaan, zelfs meer dan er mee konden. Maar het kostte nogal wat moeite de bosnegers en indianen, “die zich nimmer op het zoute water waagden en wier wetten dit zelfs verbieden”, over te halen. Dat lukte uiteindelijk door hen voor te spiegelen dat zij de geëerde gasten op het grote wereldfeest van koning Willem III zouden zijn: de vorst die 20 jaar eerder de afschaffing van de slavernij formeel had bekrachtigd.
Zo liet de 28-jarige indiaan Johan Hi-A-Lé zijn beide echtgenoten achter, omdat hij ongestoord wilde genieten van de reis en zijn verblijf in Nederland. Hij stelde een beloning in het vooruitzicht aan de vrouw die hem bij thuiskomst de meeste cassave kon aanbieden. Bosneger Kwamina-Boja, ook 28, kwam zeer tegen de zin van zijn ouders mee. Zij vroegen de gouverneur zelfs hem de reis te beletten, maar die legde uit dat hun zoon meerderjarig was voor de Nederlandse wet.
Op 4 april 1883 voeren de 28 mannen, vrouwen en kinderen van Paramaribo per mailboot naar de Franse havenplaats Saint-Nazaire. “De reis ging naar wensch en de verstandhouding tusschen het wilde en niet-wilde gedeelte der passagiers werd gaandeweg beter.” De blanke reizigers waren eerst verbijsterd over dit gezelschap, maar raakten algauw aan hun medepassagiers gewend en trakteerden hen geamuseerd op wijn en sigaren. “De dames betwistten elkaar meermalen het genoegen om een deel van den dag met een klein negertje of indiaantje op den schoot te zitten,” meldde het blad Eigen Haard.
Vanaf Saint-Nazaire restte een treinreis naar Amsterdam waar de Surinamers op 26 april arriveerden. Daar stond een houten gebouw achter het tentoonstellingsterrein voor hen klaar met voor “elk ras een afzonderlijk vertrek”. Hier trok de groep zich ’s avonds terug. Of men zelfstandig het terrein af mocht, staat nergens vermeld. De verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant gaf hoog op van de kwaliteit van hun maaltijden die in Europese stijl werden bereid. Met klem sprak hij de berichten tegen dat de Surinamers hadden geklaagd over de verzorging en het “vreemde eten”. Hij schetste een idyllisch beeld van een gezelschap dat ’s avonds gezellig bijeenzat, met biertje en sigaar, elkaar verhalen vertelde en “nationale amusementen” opvoerde.
Maar het verblijf was zeker niet alleen maar idyllisch. Na een aantal maanden overleed de 21-jarige indiaan Colhee, zoon van de geliefde indiaanse prins Albert van Koerkabo, aan een borstkwaal. Vermoedelijk had hij die al in Suriname opgelopen. De onvoldoende verwarmde tentoonstellingstent, waar kranten eerder van berichtten, zal de schaars geklede ‘roodhuid’ geen goed gedaan hebben. Naar aanleiding van het incident plaatste de organisatie dan ook zo spoedig mogelijk kachels.
Met de wereldtentoonstelling bijna op haar eind kregen de Surinamers toch nog bezoek van het koninklijk paar – zij het incognito. Tijdens de feestelijke opening was koning Willem III alleen bij de Oost-Indiërs langsgegaan en wegens vermoeidheid niet bij de Surinamers, die daarover zeer teleurgesteld waren (“als hij moede was zouden wij hem wel hebben gedragen”). Toen hij eindelijk kwam opdagen, zongen ze het hoge bezoek verheugd toe in het ‘neger-Engels’, het huidige Surinaams, op de wijs van ‘Wien Neêrlands bloed’ – als dankzegging voor de afschaffing van de slavernij.
Na de wereldtentoonstelling bleef de tent nog twee weken staan en mochten de Surinamers zelf de ƒ 2000 entreegeld uit die periode houden. Een paar dagen later zat het avontuur erop en gingen ze weer op huis aan. Ieder kreeg ook nog een geldgeschenk mee van de Franse amateur-etnoloog prins Roland Bonaparte, een achterneef van Napoleon III. Hij wijdde een dik, luxueus uitgevoerd boek aan de Surinamers waarin ze alle 28 met foto’s waren afgebeeld, met daarbij aangetekend hun maten, karakterbeschrijvingen en andere observaties. Wat zijzelf voelden of van de situatie vonden, kwam niet aan de orde. Ook in kranten en tijdschriften vroeg niemand zich dat af.

Inboorlingen als publiekstrekker

Het was geen toeval dat juist Surinamers en Indonesiërs geëxposeerd werden in Amsterdam. De wereldtentoonstellingen waren sinds hun ontstaan in 1851 uitgegroeid tot een graadmeter voor het westerse industriële kunnen. Daarnaast golden ze als een maatstaf voor koloniale en raciale hegemonie. Daarin pasten paviljoens met kunstnijverheid en gebruiksvoorwerpen uit de koloniën, compleet met inheemse bewoners van die gebieden. Het vertonen van onderworpen volkeren als trofeeën van de overwinnaars is overigens een oude traditie. Al in het Romeinse Rijk werden inheemse gevangenen in triomftochten meegevoerd. En rond 1500 werden Amerikaanse indianen naar Spanje en Portugal gebracht om hen te tonen aan het hof en als exotische attractie op jaarmarkten.
Een andere traditie was het tentoonstellen van mensen met ‘afwijkingen’. Dit gebeurde al eeuwenlang, maar groeide in de 19de eeuw uit tot een massavermaak. Zo had je kermissen in Amsterdam op het Leidseplein waar dwergen, kolossen, vrouwen met baarden en mannen met kreeftenklauwen aan het nieuwsgierige publiek werden getoond. Dat was in de eerste plaats ter vermaak, maar ook wel ter educatie, zoals het ‘showen’ van de afschrikwekkende gevolgen van geslachtsziekten. Ook in het Paleis voor Volksvlijt waren geregeld opzienbarende mensen te zien, zoals een reus van 2,58 meter, een aan elkaar gegroeide tweeling en een ‘hondmensch’.
In een dergelijke tijdgeest kon het niet uitblijven dat een keer een neger werd geëxposeerd. De eerste keer gebeurde dat in de Antwerpse dierentuin, nog vóór de wereldtentoonstellingen. In 1845 bood kapitein Louis Meyer er een negerjongen van ongeveer tien jaar oud aan, toen hij een paar tropische vogels kwam afleveren. Deze jongen, Jozef Moller, kreeg een plaats in de dierentuin en mocht er ongekooid rondlopen. Gekleed in een donkerblauw uniform met knopen van blinkend koper fungeerde hij jarenlang als publiekstrekker.
Toen exposities van ‘inboorlingen in hun natuurlijke omgeving’ bleken aan te slaan op de wereldtentoonstellingen, werden ze ook afzonderlijk georganiseerd. Zo begon de Hamburgse dierentuin in 1879 met zogenaamde ‘volkenexposities’. De eerste keer omvatte de uitstalling een kudde rendieren met een Lappenfamilie, inclusief tenten, sleeën en huisraad. Nog vele bevolkingsgroepen als Nubiërs, Eskimo’s, Vuurlanders, Kalmukken, Bella-Coola-indianen, Singalezen, Ethiopiërs en Somaliërs volgden elkaar in een bonte parade op. Het initiatief werd een paar jaar later overgenomen door een Parijse dierentuin.
Zulke aparte volkenexposities kwamen steeds vaker voor in Europa. Zoals in 1900 de ‘Schillukkaravaan’ in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Zestien mannen, vrouwen en kinderen uit Soedan waren uit het Boven-Nijlgebied gehaald voor deze etnografische tentoonstelling. “Men moet naar de Schilluks gaan kijken als men zich interesseert voor iets dergelijks als Artis. Iets vreemds, iets wilds, iets dat je zo tegenkomt in de woestijn,” tipte het Algemeen Handelsblad. Het etnografische element vond de verslaggever echter ver te zoeken. “Men kan toch geen ethnografie zien in een ritueel gebed dat bij het geven van een stoot op een fluitje plotseling eindigt! Het enige waarvan men zich nog overtuigen kan, is dat de eenvoudige dans en het monotoon gezang inhaerent zijn aan het cultus, zoals dat bij alle Oostersche volken is.” Had de journalist dus geen hoge pet op van de vertoonde culturele gebruiken, wel was hij onder de indruk van de inzet van de inheemsen. “De mannen en vrouwen zijn ernstig bij hun werk. Zij laten zich niet afleiden en verkoopen geen grapjes tegen elkaar, wat anders zeer gebruikelijk is. Het klimaat scheen een der mannen parten te spelen. Hij maakte tenminste druk gebruik van een zakdoek, die zeer wit afstak tegen zijn chocoladekleurige vel.” Zo vergaapten Europeanen zich tot het begin van de 20ste eeuw aan spektakelstukken met tentoongestelde ‘wilden’. In Amsterdam was in het Paleis voor Volksvlijt bijvoorbeeld nog een groep Abessiniërs te zien en in 1906 zelfs een heel Marokkaans dorp, wat bijna net zo verwonderlijk was als de groep bekeerde Zoeloes waarmee het Leger des Heils drie jaar eerder goede sier had proberen te maken. Pas met de opkomst van de (documentaire) film taande de belangstelling voor dit soort exposities.