In de 18de eeuw profiteerden herbergiers van het ‘nieuwe kolf’, een beschaafde variant op een onstuimige middeleeuwse voorganger. Massaal kwamen burgermannen af op de door hen aangelegde kolfbanen, waarvan er in de hoogtijdagen zo’n 200 waren in Amsterdam. Dankzij de uitvinding van een speciale lamp kon ook ’s winters of in het donker worden gespeeld.
Bezorgde burgers wezen echter op de negatieve kanten van het kolfspel, waarover zij bozige brieven stuurden naar tijdschriften als De Denker. De kolfbaan was een speelplaats voor verwijfde, werkschuwe burgermannen, die zich liever richtten op de laatste Franse mode dan dat zij de handen uit de mouwen staken om het vaderland uit het slop te trekken. Andere auteurs namen het juist op voor het kolfspel. Zo beschreef een toneelschrijver het als een vaderlandslievend spel waarmee het verval van de Republiek zelfs kon worden tegengegaan.
Eind 18de eeuw verminderde de populariteit van het kolfspel en kwam er een nieuwe golf van kritiek, nu uit de kring van de ‘volksverlichters’. Een verderfelijk tijdverdrijf was het: een onnuttig, zedeloos, niet-cultureel en hersenloos spel. Minder felle criticasters meenden dat er wel mocht worden gekolfd, maar niet om geld en drank. Spelers dienden hun driften in bedwang te houden. Gaandeweg verdween het kolven bji de herbergen en uit het maatschappelijk debat. In de 19de eeuw maakte de edele biljartsport zijn opgang - voor herbergiers goedkoper in de aanleg en bij weer en wind te spelen.

ARNOUT JANMAAT, ‘EEN KOLFJE NAAR IEDERS HAND’. DE WISSELENDE PERCEPTIE VAN HET KOLFSPEL IN DE ACHTTIENDE EEUW, SKRIPT 32.4 (2011) 216-227.

Maarten Hell
Mei 2011

Foto: De vermaarde Herberg Stadlander, even buiten Amsterdam, van 't einde derzelver Kolfbaanen te zien. De kolfbaan achter de herberg Stadlander aan de Boerenwetering ter hoogte van de Albert Cuypstraat.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam / Aartman, Nicolaas (1713-1760)