In de jaren vijftig kwamen de vreedzame toepassingen van kernenergie meer in de belangstelling te staan. Het idee voor het organiseren van een internationale expositie over kernenergie in Amsterdam was echter puur toeval: de deftige Amsterdammer Daniël A. Delprat, voorzitter van de Kamer van Koophandel en later VVD-senator, en journalist en schrijver Gerrit H. Knap, waren van mening dat het te stil was geworden in de stad en dat ‘er weer eens iets moest gebeuren’. Zij riepen op 12 april 1955 stichting Het Atoom in het leven die een tentoonstelling moest verwezenlijken over de talloze vreedzame voordelen van kernenergie.

Aanvankelijk werd het initiatief gedragen door een flink aantal bedrijven, waaronder het Shell-laboratorium in Amsterdam. Toen de kosten veel hoger bleken dan verwacht werd de gemeente Amsterdam erbij betrokken, die uiteindelijk voor de totale kosten van zesenhalf miljoen gulden opdraaide.

Vanuit pers en bevolking kwam hier veel kritiek op, maar de gemeente was van mening dat de tentoonstelling een visitekaartje was van Amsterdam als moderne metropool die werkte aan de toekomst van Nederland en de wereld. In Brussel zou twee jaar later bovendien de Expo 58 openen, met als hoogtepunt het iconische Atomium, een 165 miljard keer uitvergrote kristalstructuur van zuiver ijzer, als eerbetoon aan de moderne en vreedzame tijd. Amsterdam kon daar natuurlijk niet bij achterblijven.

Sculpturale vormen

De Amsterdamse architect Arthur Staal werd door het bestuur van de stichting gevraagd een tentoonstellingsontwerp te maken van circa 10.000 m². Staal stond bekend als iemand die zijn meningen over architectuur niet onder stoelen of banken stak. In de jaren dertig had hij geëxperimenteerd met uiteenlopende architectuuropvattingen; zijn carrière kwam na de Tweede Wereldoorlog echt van de grond met onder meer het ontwerp voor de Shell-toren op de noordzijde van het IJ en het lange kantoorgebouw De Metropool aan de Weesperstraat.

Staal maakte graag grote gebouwen en gebruikte daarbij scherpe, sculpturale vormen. Voor de atoomtentoonstelling kwam hij dan ook met een zeer uitgesproken ontwerp: een gigantische piramide van staal en aluminium.

Er werden zes locaties in Amsterdam onderzocht voor een plek waar deze kon staan: bij het Olympisch Stadion, het Amstelstation, het R.A.I-terrein, het tentoonstellingsterrein Amstel (nu het Amstelpark), de Centrale Markthallen, en een terrein bij de Sloterplas. De nog open ruimte ten noorden van de Sloterplas werd uiteindelijk het meest geschikt bevonden, en voor die locatie maakte Staal verschillende ontwerpen en maquettes.

Dit deel van Slotermeer was medio jaren vijftig volop in ontwikkeling. In het Algemeen Uitbreidingsplan van Van Eesteren kregen de plas en het groen een belangrijke recreatieve functie toebedeeld, compleet met promenade, zonnepaviljoen, zwembad, uitkijktoren en ‘vermaakcentrum’. Een reusachtige piramide paste goed in dit profiel.

Zelfdragende constructie

Staals piramide besloeg een oppervlakte van 100 x 100 meter en was 70 meter hoog. Het geheel bestond uit stalen buisspanten van 1000 ton staal die werden bedekt met voor die tijd vernieuwende platen van aluminium (van 70 ton en 0,8 mm dik), die zowel dak als wand waren. Deze ingewikkelde, zelfdragende constructie – waarbij er binnen geen enkel steunpunt was – werd uitgewerkt door ingenieur J.B. van Rossum.

Rondom de piramide was een tien meter brede gracht gepland om de gigantische hoeveelheden regenwater van de schuine vlakken op te vangen en af te voeren. Het geheel moest tevens sterk genoeg zijn om een winddruk van maximaal 100 kilogram per vierkante meter te weerstaan.

Inwendig was het gebouw geheel open en donker. Bezoekers liepen vanuit de ingang een spectaculaire ruimte met kunstlicht binnen. Centraal in de piramide, direct onder de 70 meter hoge spits, lag een rond amfitheater waar de bezoeker ‘de theoretische atoomles zou kunnen leren’. Daaromheen kwamen op de begane grond en een verhoogde omloop tentoonstellingen waar bezoekers de historie, de ontdekkingen, de instrumenten en de toepassing van (kern)energie konden bestuderen. Aanvankelijk was er ook een echte mini-kernreactor gepland, maar er ontstond enige twijfel of die in de piramide zelf of in een apart paviljoen op het terrein moest komen.

Uitvergrote atomen

Afgezien van Staals voorkeur voor opvallende vormen is het niet duidelijk waarom hij voor de wat raadselachtige piramidevorm koos. Een ludieke verwijzing naar het oude Egypte ligt gezien het serieuze karakter van kernenergie niet voor de hand. Een mogelijkheid is dat de architect zich had laten inspireren door het ontwerp voor een mausoleum in piramidevorm van de verlichte 18de-eeuwse Franse architect en theoreticus E-L. Boullée. Boullée’s visionaire ideeën spraken modernistische ontwerpers namelijk erg aan.

Bovendien komen in de moleculaire geometrie piramidale vormen voor waarbij de atomen zo geplaatst zijn dat ze driehoekige vormen aannemen. De atoompiramide zou zo, net als het Atomium in Brussels, als een soort uitvergrote versie bedoeld zijn van de atomen die de reactor binnen in het gebouw produceerde. Of Staal dat ook zo gedacht heeft is zeer de vraag.

Het ontwerp voor de piramide bestond uit gestandaardiseerde constructie-eenheden zodat die elders opnieuw gebruikt konden worden en de kosten konden drukken. Maar de totale bouwkosten van 2.500.000 miljoen gulden werden te hoog geacht voor een tijdelijk bouwwerk. In tegenstelling tot het Brusselse Atomium was het spectaculaire Amsterdamse piramideontwerp daarom geen lang leven beschoren: het ging in 1955 van tafel.

Blauwe gloed

Wel werd Staal door Ben Merkelbach, directeur van de Dienst der Publieke Werken, gevraagd om een bescheidener tentoonstellingsgebouw bij luchthaven Schiphol te ontwerpen. Dit deed hij in samenwerking met tentoonstellingsmaker J. Kleiboer en de architecten A.N. Oyevaar en H.W.Chr. Stolle. Het werd een strakke, donkere en geheel gesloten doos met binnenplaats, die na gebruik dienst moest gaan doen als loods voor de luchthaven. Een ideale locatie voor internationale bezoekers maar niet te vergelijken met Staals spectaculaire piramideontwerp.

Hier werd op 28 juni 1957 Het Atoom geopend, en het werd een daverend succes – kaartjes kostten namelijk 50 cent, ‘inclusief toegang tot de luchthaven’. Vooral de door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aangekochte Amerikaanse miniatuurreactor was een absolute hit.

De reactor, met 620 gram 20 procent verrijkt uranium splijtstof, werd door Prins Bernhard bij de opening in bedrijf gesteld. De bedieningsploeg constateerde dat het echt op vermogen brengen veel te lang zou duren. Feitelijk doofde bij de opening alleen het licht onder in het bassin, waardoor een blauwe gloed (de Tsjerenkov-straling) zichtbaar werd. Maar zo kon de bevolking dan toch zien – en voelen – dat atoomenergie niet eng of gevaarlijk was. Het was immers de bedoeling bij het grote publiek te veranderen ten gunste van de vreedzame toepassingen van kernenergie.

De tentoonstelling, die tot 15 september duurde, trok in totaal 750.000 mensen. Ook de gemeente Amsterdam was tevreden: ondanks de hoge kosten kwamen er vele bezoekers naar de stad.

Op de oorspronkelijke locatie van de piramide aan de Sloterplas bouwde architect Piet Zanstra eind jaren vijftig de drie reusachtige, schuingeplaatste flatgebouwen die er nog steeds staan. En direct aan de Sloterplas kwam het zogenaamde Schip van Slebos, een strak en fris paviljoengebouwtje waar Amsterdammers nieuwe energie van een geheel andere soort konden opdoen.

BEELD:

[piramide 1]

Maquette van de Atoompiramide met inkijk.

Uit A. Staal, ‘Atoom-Piramide’, Forum 12 (1957).

[piramide 2]

A.A. Land, secretaris van stichting Het Atoom, en Mies Bouwman voor de camera van een draadtelevisie distributiesysteem op de tentoonstelling.

FOTO HARRY POT/ANEFO/NATIONAAL ARCHIEF

[piramide 3]

Koningin Juliana en Prins Bernard kijken in de kernreactor bij de opening van de tentoonstelling Het Atoom op 28 juni 1957.

SPAARNESTAD PHOTO