Naast traditionele zwervers dienden zich in de jaren tachtig nieuwe groepen daklozen aan: mensen die wegens huurschuld uit hun huis werden gezet, psychiatrische patiënten die als gevolg van hervormingen en bezuinigingen in de gezondheidszorg op straat kwamen, weggelopen jongeren, buitenlanders zonder verblijfsvergunning. De bestaande daklozenzorg zat vol en daarnaast was nu een variant noodzakelijk met een bescheiden en beperkt doel: het voorkomen dat mensen op straat doodvriezen.
Een groep activisten zette in februari 1989 de deur open van een gedeelte van het voormalige Emma Kinderziekenhuis en begon een avond- en nachtopvang voor daklozen die het Stoelenproject ging heten. Zij beschikten er over een keuken, een aangrenzende vrijwel lege ruimte met wat tafels en stoelen, een eenvoudige wasgelegenheid en toiletten. In de opvang gold de huisregel ‘geen drank, geen drugs, geen geweld’. Het project werd wel gekenschetst als de huisvesting van een zooitje ongeregeld.
Deze ‘wilde’ eerste start van het Stoelenproject strandde al na enkele weken. Via mond-tot-mondreclame groeide de toeloop snel en de vrijwilligers konden die niet beheersen. De opvang moest als gevolg van de toenemende klachten al in maart 1989 de deuren sluiten. Wel was ruimschoots bewezen dat het Stoelenproject voorzag in een leemte. Het was een overlevingsplek, een droog, warm en veilig alternatief voor de keiharde straat buiten, die nat, vies en koud is: een soort overdekte straat binnen, waar soep werd uitgedeeld en waar stoelen werden gebruikt om op te slapen.
Om nieuwe huisvesting te krijgen, bezochten de initiatiefnemers de gemeenteraadsfracties om te lobbyen en in de Boekmanzaal van het stadhuis werd een openbare hearing gehouden met schokkende verhalen over en van daklozen. De mensen vroren immers dood op straat. Vervolgens stelde de gemeente eind 1990 als huisvesting een voormalige noodschool ter beschikking aan de Oostelijke Handelskade te midden van grote loodsen, lege parkeerterreinen en verroeste spoorrails. De avond- en nachtopvang werd een soort buffer tussen de straat en de passantenverblijven, die een wat hogere drempel hebben. Geaccepteerd werd dat het Stoelenproject mensen opving die niet allemaal stonden ingeschreven in het Amsterdamse bevolkingsregister en die niet bij andere voorzieningen terecht konden.

Propvol en veel agressie

In plaats van de beoogde 80 mensen per nacht kwamen er meer dan 200 binnen en in de struiken om het gebouwtje heen lag de rest. De toestand in en om het gebouw werd berucht. Sommige nachten was het er propvol. De voorzieningen waren overbelast: iedere nacht raakten de wc’s verstopt. Maar vol of niet, alles was volgens de medewerkers beter dan de mensen buiten in de kou en nattigheid te laten overleven. In de nacht van 15 februari 1991 – midden in een periode met strenge vorst – noteerden ze weer meer dan 200 bezoekers. Er kon nauwelijks door de zaal worden gelopen zonder iemand aan te stoten, zo vol was het. Je moest over mensen heen stappen. Het straatbeeld in het centrum van Amsterdam veranderde tegelijkertijd: de portieken bleven ’s nachts leeg.
Het Stoelenproject werd in die winterperiode meerdere malen eenvoudig overlopen. Het ging aan het eigen succes ten onder. De huisregels waren niet bestand tegen de samenstelling en de omvang van de bezoekersgroep. Het ‘voordeurbeleid’ – dat in die dagen bestond uit het sluiten van de deur na het bereiken van de taks van 120 bezoekers – werd niet consequent uitgevoerd en bezoekers glipten ook via de ramen naar binnen. Het blijvend te grote aantal bezoekers van diverse nationaliteiten veroorzaakte steeds meer wrijving tussen de verschillende culturen. Er werd veel gegapt onderling. Soms wisten dealers binnen te komen. De agressie nam toe door territoriumgevechten om de stoelen, raciale tegenstellingen en onderlinge vetes. Na een steekpartij en enkele berovingen was het niet langer verantwoord open te blijven. In april 1991 werd het Stoelenproject noodgedwongen voor de tweede maal gesloten. Veel voormalige bezoekers bleven nadien om het gebouw bivakkeren. Er werd zelfs grond weggegraven om onder het gebouw te kunnen slapen…

Gemeente grijpt succesvol in

Voorafgaand aan de derde opening in februari 1992 werden harde afspraken door de gemeente afgedwongen die tot op heden bepalend zijn voor de inrichting van het Stoelenproject. De opvang kreeg definitief erkenning als aanvullende voorziening. Sindsdien worden maximaal 40 personen per nacht opgevangen, exclusief vijf crisisplaatsen die via de GG&GD en de politie kunnen worden ingevuld. Bij strenge vorst kunnen er door de extra winteropvang nog eens vijf plaatsen bijkomen tot het maximum van 50 bezoekers.
De toeloop wordt geregeld met een bonnensysteem. Iedere bon geeft recht op een overnachting. Voor de mannen geldt een maximum van tien nachten per maand, de vrouwen krijgen vier nachten extra. De reden voor het beperkte aantal nachten is vooral dat de beschikbare capaciteit verdeeld moest worden onder alle daklozen. In de zaal is achter een kamerscherm een speciale vrouwenhoek gecreëerd, bedoeld om vrouwen zich veilig te laten voelen
Professionele medewerkers zien toe op de instroom van bezoekers en zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. De idealistische aanpak met uitsluitend vrijwilligers, zoals werd voorgestaan door de activisten van het eerste uur, legde het loodje tegenover de eis van kwaliteitsverbetering door professionalisering. Het handhaven van de openbare orde eiste zijn tol. Gedurende de zomermaanden – van half mei tot half september – is het project gesloten. In die periode zijn de leefomstandigheden van de bezoekers immers minder slecht. Bij openblijven zou het Stoelenproject meer een pleisterplaats voor toeristen worden.
Ongeveer 80 vrijwilligers functioneren al twee decennia als gastheer en gastvrouw in de opvangruimte en draaien minstens tweemaal per maand een avond- en nachtdienst. Ze verstrekken voedsel, stellen kleding, sokken en schoeisel ter beschikking, maken een praatje met de bezoekers en zien erop toe dat de regels worden gehandhaafd.

Een grote huiskamer

De introductie en handhaving van de nieuwe regels deed de sfeer in het Stoelenproject veranderen ten opzichte van de eerste jaren. Na de chaotische toestanden in de beginperiode was het beeld nu meer dat van een grote huiskamer met TV en kaarten rond de tafel. Geslapen werd nog steeds op stoelen. Vaak drie tegen elkaar. Juist het geringere aantal bezoekers maakte het voor de vrijwilligers mogelijk contact te zoeken voor het voeren van meer persoonlijke gesprekken. De huiskamersfeer bood meer dan alleen een dak boven het hoofd. Het slapen op stoelen en op de grond, met de geur van opdrogende kleding, slaap en tabaksrook, veroorzaakt nog wel een rommelige situatie. En in weerwil van de luchtverversing kan het ’s nachts in de zaal flink stinken. Maar de nachtelijke sfeer met alleen veiligheidsverlichting is intiem en het gesnurk alom klinkt vertrouwd.
Op initiatief van de bezoekers werd nu ook eenmaal per maand de omgeving grondig schoongemaakt. Prostituees, toeristen en passagiers van de nabij afgemeerde cruiseschepen lieten veel vuil achter in de omgeving van de Handelskade. Ook het zogenoemde Durexplein bij het Centraal Station werd gereinigd.
In 1995 bracht de aanschaf van matrassen een enorme verbetering. Een stoel is immers geen geschikte plek om te slapen en veroorzaakt dikke benen. De speciale matrassen waren hygiënisch, want afwasbaar, en onbrandbaar. Ook minder lawaaierig dan voorheen bij het schuiven met de stoelen. En het werd rustiger: de strijd om wie welke stoel mocht hebben, was voorbij – alle matrassen waren gelijk en er waren er genoeg. ’s Avonds om 21.00 uur liepen de bezoekers nu spontaan op het eerste teken in een rij achter de coördinator aan om hun matras van de stapel te pakken en er een plekje mee te zoeken in de zaal.

Naar de Appeltjesmarkt

De huisvesting van het Stoelenproject moest in 1997 wijken voor de bouw van de nieuwe passagiersterminal. Als tussenoplossing is nog even gekozen voor een noodvoorziening met portocabines vlakbij het oude noodgebouw. Die locatie – onder Vrieshuis Amerika – werd begin maart 1998 betrokken en drie maanden later alweer vertrok het project naar de voormalige sluiswachterswoning aan de Sixhavenweg in Amsterdam Noord. Dankzij een ingrijpende verbouwing werd dit huis met kleine kamers omgetoverd tot een ‘paleis’ voor daklozen met een ruime, lichte en zeer geschikte ruimte voor de opvang. Helaas kon het Stoelenproject hier slechts twee jaar blijven. Het moest wijken voor de aanleg van de Noord-Zuidlijn.
Sinds september 2000 is het Stoelenproject gevestigd aan de Appeltjesmarkt (Marnixstraat 248) op het terrein van het busstation: de begane grond onder het gebouw van Europarking tegenover het hoofdbureau van politie. Na de gebruikelijke felle protesten uit de buurt tegen de komst bleven klachten vervolgens vrijwel uit. Door menigeen werd (en wordt) het project zelfs nauwelijks opgemerkt.
De ondergrond van de Appeltjesmarkt is ernstig vervuild en niet geschikt voor ‘gewone’ bebouwing. Nadat de vervuilde grond met plastic was afgedekt, werd het Stoelenproject gehuisvest in containers. Die staan op een gemetselde rand in een stalen frame boven de grond, opdat de zaak goed ventileert. Het gebouwtje van het Stoelenproject onderscheidt zich doordat op de wanden lichtbakken zijn aangebracht met een speciale beeldinvulling: tekeningen en gedichten die zijn vervaardigd door dakloze kunstenaars. Het gebouw is geschikt voor maximaal 50 bezoekers. De binnenkomst verloopt als vanouds via een toegangssluis voor de veiligheid. Naast de grote verblijfsruimte is een wasruimte, gescheiden voor mannen en vrouwen. Het gebouw is erg gehorig. De bussen maken vooral ’s nachts een enorm kabaal.

Een hardwerkend bedrijf

De laatste tien jaar is het Stoelenproject niet meer principieel veranderd. Per nacht werken er twee vrijwilligers en op de avonden drie. De bezoekers komen vanaf 18.00 uur (de vrouwen een half uur eerder) binnen via een sluis, waarvan de deuren door de beheerder worden geopend na controle van de toelatingsbon. De namen worden in het gastenboek geschreven; daarbij geldt dat iemand heet hoe hij of zij zegt te heten.
De hoofdmoot van de bezoekers bestond jarenlang uit Nederlandse alcoholverslaafden. De samenstelling is inmiddels meer verschoven naar asielzoekers, illegalen en drugsverslaafden. Velen kwamen (en komen) uit minderheidsgroepen, zoals Marokkanen, Surinamers en Antillianen. Ook psychiatrische patiënten en gestrande toeristen, die soms al vele jaren in Amsterdam rondhangen, behoren nu tot de bezoekers. Zo ook werkzoekenden (de laatste jaren veelal uit het voormalige Oostblok), ex-delinquenten en seropositieven.
De bezoekers ontvangen bij het afgeven van hun toegangsbewijs twee etensbonnen (voor avond en ochtend). In ruil voor de ‘dinerbon’ krijgen zij ’s avonds een kom soep en vier boterhammen; de tweede bon geeft ’s ochtends recht op gratis koffie recht en een pakket van vier boterhammen. De (betaalde) coördinatoren verrichten de portiersdiensten en begeleiden de vrijwilligers. De vrijwilligers op hun beurt noteren de ontbijtwensen, verstrekken het eten en drinken, werken met de afwasmachine, reinigen separaat de enorme soeppannen, houden het logboek bij en tellen de kas. Ook reiken ze plastic bakken met Biotex uit voor degenen die hun voeten willen wassen: de voeten zijn vaak aangetast door het vele sjouwen.
Het Stoelenproject is met veel horten en stoten uitgegroeid tot een hardwerkend bedrijf waar zo’n 10.000 overnachtingen per jaar worden verzorgd met een gemiddeld inzet van 80 vrijwilligers en vijf parttime beroepskrachten.