In de nieuwjaarsnacht van 1910 ontstond er een vechtpartij op een terreintje aan de Notweg, waar een aantal woonwagens stonden. De scharenslijper V., “die een kwaden Nieuwjaarsdronk in had”, aldus De Telegraaf, kreeg ruzie met een familielid en stak zo wild met een mes of een schaar om zich heen, dat hij een andere scharenslijper trof, die niets met de zaak te maken had. “Bloedend zakte de getroffene ineen, zoodat hij naar het gasthuis vervoerd moest worden.” De dader gaf zich de volgende ochtend zelf aan.

De Notweg begrensde een soort niemandsland tussen de spoordijk en de nieuwe Spaarndammerbuurt, ongeveer op de plek van het huidige volkstuinenpark ‘Zonnehoek’. Formeel lag het in de gemeente Sloten, maar in de gemeenteraad van Amsterdam en in de pers werd veel geklaagd over de ongezonde toestand ter plaatse. “’t Was onbegrijpelijk, dat de modderpoel, die men Notweg noemt, en de ellendige hoop krotten, die daar woningen heeten, deel uitmaken van het groote Amsterdam. De zoogenaamde weg is niets anders dan een modderrivier ...”, schreef De Telegraaf in december 1907. Een buurtbewoner had de situatie proberen te verbeteren, maar hij was door B&W, het Polderbestuur, de politie, de reinigingsdienst en de gezondheidsdienst van het kastje naar de muur gestuurd.

In 1909 stelde het raadslid Pieter Nolting “de onhygiënische toestand” van de Notweg nog maar eens aan de orde, “waar stukken grond verhuurd worden aan woonwagenbewoners die al hun vuil en afval daar neergooien zonder dat dit ooit behoorlijk wordt opgeruimd”. Weer zei B&W dat ze machteloos stond: het terrein was particulier bezit, de stadsreiniging kon er formeel niet optreden.

Opvallend was dat de erbarmelijke situatie niet aan de tijdelijke bewoners werd geweten, maar juist aan de overheid en de verhuurder van het terrein. De Telegraaf schreef, na dat incident met Oud en Nieuw: “De bewoners van deze wagens verdienen hun brood met scharenslijpen, ketellappen, het verkoopen van lampewisschers enz. In het zomerseizoen gaan zij den boer op, maar ’s winters keeren zij naar Amsterdam terug en huren op het terrein aan den Notweg voor ongeveer f 1,- per week een staanplaats voor hun wagens. Over het algemeen geeft het gedrag van deze menschen geen reden tot klagen; de politie heeft bijna nooit last van hen.” Maar er was nu duidelijk iets helemaal misgegaan: “Gisternacht was er echter de duivel los.”

Daags daarna kwam hoofdcommissaris Hubertus Hordijk een kijkje nemen aan de Notweg. Hij maakte een paar foto’s van de wagens en hun armoedige bewoners. ‘Stalen Bart’, zoals zijn bijnaam luidde, was tussen 1903 tot en met 1913 hoofdcommissaris. Hij fotografeerde veel van het straatleven en de criminaliteit; het Stadsarchief bewaart vijf van zijn albums.

Vandaag de dag telt Amsterdam achttien locaties voor woonwagens, met 192 standplaatsen. De bewoners huren een plek, de wagens zijn hun eigendom. Er bestaat nog altijd een Notweg, maar die ligt nu in Osdorp Oost.

Koen Kleijn

Januari/Februarinummer 2020

Beeld: Stadsarchief Amsterdam