Anthony en zijn familie leefden op Curaçao in slavernij, maar in Amsterdam was hun status niet zo duidelijk. Slavernij was in Amsterdam van oudsher officieel niet toegestaan. In de boeken met Keuren en Costumen van Amsterdam was sinds 1644 een duidelijke regel over slavernij opgenomen, een letterlijke kopie van een Antwerpse regel die teruggaat tot in de 16de eeuw. Onder ‘Van den Staet ende conditie van persoonen’ stond de bepaling: ‘Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.’

Dat lijkt een duidelijke bepaling dat ieder mens in Amsterdam als vrij persoon gezien moest worden. Het tweede artikel stelt echter wel dat het aan degene was die ‘tegens haeren danck’ in slavernij gehouden werd om die vrijheid bij het bestuur van de stad op te eisen. Met andere woorden: er werd niet actief opgespoord, een slaaf moest zelf naar het stadhuis stappen.

Die wetgeving was ook op Curaçao onder de slaafgemaakten bekend. Sommigen probeerden daarom als verstekeling aan boord van schepen naar de Republiek te komen om daar de vrijheid te verkrijgen. Meestal tevergeefs. In de loop van de 18de eeuw verbleven honderden tot duizenden slaafgemaakte mensen uit onder meer Suriname, Berbice en Curaçao een tijd in Amsterdam, waarbij hun juridische status vrijwel hetzelfde bleef, zeker na terugkeer in de kolonie.

Die situatie veranderde in 1771 toen twee Surinaamse vrouwen na een verblijf in de Republiek terug in Paramaribo met succes hun vrijheid claimden. Vanwege de onrust die ontstond besloten de Staten-Generaal de vrijheid in te perken. Niet langer zou een slaafgemaakte bediende in de Republiek direct vrij zijn, maar pas na een verblijf van zes maanden, een periode die ook nog eens met zes maanden verlengd kon worden. Pas als hij of zij daarna nog steeds in de Republiek woonde, werden ze echt vrij.

Doof en blind

Anthony, Magdalena en Emanuel kwamen terecht in een huis aan de Nieuwe Herengracht, op het huidige nummer 105. Hoe lang ze daar hebben gediend, is (nog) niet bekend. Ook weten we niet hoe oud Emanuel was en of hij ook moest werken. Vooralsnog kennen we deze Afro-Curaçaose familie slechts uit één document: het testament van de op Curaçao geboren Portugees-Joodse koopman Isaac Pardo. Dat werd enkele maanden na hun aankomst in Amsterdam opgesteld. Met drie getuigen toog notaris Johannes van de Brink op 8 december 1783 van zijn kantoor aan het Rokin naar de Nieuwe Herengracht. Drie getuigen in plaats van de gebruikelijke twee, omdat ‘den testateur blind is’, zo noteerde de notaris aan het einde van de akte.

Dat Isaac Pardo, Anthony, Magdalena en Emanuel in december nog niet zo lang in Amsterdam waren, blijkt onder meer uit het feit dat Pardo in september 1783 voor het eerst finta (belasting) betaalde aan de Portugees-Joodse Gemeente. Hij werd aangeslagen in de hoogste categorie, en was dus een rijk man. Na een lange carrière als koopman in Curaçao had hij besloten zich in de Republiek te vestigen, misschien ook vanwege de betere medische voorzieningen. Pardo was oud en blind, en waarschijnlijk grotendeels afhankelijk van zijn bedienden.

In zijn testament liet Pardo vastleggen dat na zijn dood de bediende Anthony vrij zou zijn en ontslagen van alle ‘slaafschen diensten’. Daarnaast droeg hij zijn kinderen op Anthony, zijn ‘huijsvrouw’ Magdalena en hun zoon Emanuel zolang Anthony leefde te voorzien ‘van kost en drank mitsgaders kleeding en huisvesting ten hun huijzen’. Daarvoor moesten deze wel de nabestaanden dienen ‘zoals denzelve thans ten dienst van den testateur [Pardo] zijn’.

Uitkering

Mocht een van beide partijen, dus ook Anthony en zijn familie, geen prijs meer stellen op dit dienstverband, dan moesten Pardo's zonen Anthony jaarlijks 400 gulden betalen. De uitkering was niet overdraagbaar op Magdalena, in het geval Anthony eerder zou sterven, maar wel zouden Magdalena en Emanuel dan op kosten van de Pardo's naar Curaçao mogen terugkeren, en – heel belangrijk – vrij worden gemaakt.

Het zou kunnen dat dit de juridische bevestiging was van een eerder gemaakte afspraak tussen Anthony, Magdalena en Isaac Pardo. Zoals dat het geval was geweest met de Afro-Curaçaose Juan Francisco Ado, die in 1731 in Amsterdam arriveerde met Anna Levina Leendertsz, vrouw van de voormalige gouverneur van Curaçao en oud-schepen van Amsterdam Jan Noach du Fay. Al voor vertrek uit Curaçao hadden zij afgesproken dat als ‘de slaaff haar (…) behoorlijk mochte dienen en oppassen geduurende de reijse’, Ado in de Republiek zijn vrijheid zou krijgen.

Isaac Pardo overleed anderhalf jaar na het opmaken van het testament, op 21 juni 1785. Hij werd begraven op de Portugees-Joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel. Een jaar later werd zijn ‘magnifique en deftige’ inboedel verkocht.

Hoe het leven van Anthony, Magdalena en Emanuel verder is verlopen, weten we nog niet. Zijn ze teruggekeerd naar Curaçao? Of hebben ze een eigen leven kunnen opbouwen in Amsterdam? Wellicht zullen er in de toekomst nog documenten over hen opduiken in het archief van de Amsterdamse notarissen.

Stadssverwanten

Het verhaal van Anthony, Magdalena, Emanuel en Isaac is een van de vele verhalen die verteld worden tijdens de tentoonstelling Stadsverwanten in het Stadsarchief.

Header: Een koopman en zijn tot slaaf gemaakte bediende in de tweede helft van de 18de eeuw, waarschijnlijk in Suriname of Guyana. Rijksmuseum Amsterdam