Op 18 april 1676 ging Abraham Vredricksen in ondertrouw, voor de tweede keer in zijn leven. Hij gaf bij die gelegenheid op dat hij arbeider was en in de Lindenstraat woonde, aan het Karthuizerskerkhof waar hij werkte als doodgraversknecht. Zijn eerste vrouw, Jannetje de Reijger, was kennelijk overleden; zijn tweede echtgenote werd Jacomijntje Hendricx, weduwe van Pieter Hendricxsen. De aanstaande echtelieden hadden volgens de akte ‘aan de verplichtingen jegens de weeskamer voldaan’, wat betekent dat beiden de zorg hadden voor een of meer minderjarige kinderen. Gegevens over Jacomijntjes eerdere huwelijk en haar kinderen ontbreken.

Het Karthuizerskerkhof was voor Abraham vertrouwd terrein. Als kind keek hij erop uit, als volwassene woonde hij ernaast en tot 1677 was hij er werkzaam, eerst in dienst van doodgraver Hans de Rijver en later van Jacob Coeijmans.

Linnen kleed

Doodgravers of gravenmakers werden aangesteld door de burgemeesters. Het was een van de vele ambten die door het stadhuis werden vergeven en door de stad werden betaald. Het sterftecijfer in de dichtbevolkte stad lag altijd hoog; in het midden van de jaren 1660 stierven er in Amsterdam omstreeks 25.000 mensen aan de pest.

Wie het zich kon veroorloven werd in de kerk begraven of – iets goedkoper – op de begraafplaats bij de kerk. Wie zich geen begrafeniskosten kon veroorloven, bezorgde het stoffelijk overschot op de armenbegraafplaats, het St. Anthonieskerkhof aan de Nieuwe Herengracht.

Het begraafwerk zelf werd gedaan door personeel dat door die ambtsdragers werd aangenomen, uiteraard tegen een veel geringer loon dan waarvoor zijzelf hun hand ophielden. Toen het ambt voor het Karthuizerskerkhof overging op Jacob Coeijmans vond die het nodig het loon van zijn doodgraversknecht te halveren. Van dat geld kon Abraham zijn gezin niet meer onderhouden. Hij nam ontslag – of werd ontslagen.

Abraham stond op 26 maart 1677 voor de heren van het gerecht, en werd scherp ondervraagd. Het verhoor ging over zijn ontslag door Coeijmans en over de vraag of hij een paar dagen eerder een ‘lijwaet’ (lijnwaad, een linnen kleed) naar huis had gebracht, het doodskleed van de vrouw van Pieter Janse die een maand daarvoor op zondag 28 februari was begraven. Abraham ontkende dat hij dat had meegenomen of aan zijn vrouw dan wel haar zoon had gegeven.

Hutspot

We leren uit Abrahams verhoor dat op het Karthuizerskerkhof geregeld vijf of zes doden tegelijk werden begraven. Bij het grafdelven werden de oude graven geruimd en de bedoeling was dat stoffelijke resten van voorgangers dan netjes tussen de nieuwe kisten werden gelegd. Maar zo ging het er niet aan toe. De opgegraven kisten werden kapotgeslagen en ‘d’oude lichaemen, in stucken gehackt dat sij hutspot noemen’ werden in de geopende nieuwe kisten gedumpt, nadat eerst alles was verwijderd wat geld kon opbrengen.

Doodgraver Coeijmans beweerde dat hij niks van die ‘hutspot’ wist, maar dat is niet aannemelijk. De knecht had geen baat bij een dergelijk ruw bedrijf, de baas wel: hoe meer er werd geruimd, des meer ruimte er was voor begrafenissen en des te meer geld. De doodgraversknechten werden er geen cent wijzer van.

Waar zij, of in ieder geval Abraham, wél wijzer van werden was het linnen. Als die nieuwe kisten toch open waren, dan was het eenvoudig het lijk uit het doodskleed te rollen en dat achterover te drukken. Het was dus niet de eerste keer dat dit gebeurde. Jacomijntje had wel degelijk al eens zo’n doodskleed – met een geborduurd kruisje – aangenomen.

Abraham ontkende dat hij het doodskleed van de vrouw van Pieter Janse had meegenomen. Jacomijntje was echter zelf naar het gerecht gestapt, en sprak hem tegen. Kennelijk was er sprake van echtelijke heibel.

Één been in een doodskist

Abraham werd tot tweemaal toe gevraagd of hij thuis had geslapen, sinds zijn vrouw bij de heren van het gerecht was geweest. Aanvankelijk antwoordde hij bevestigend, maar later gaf hij toe dat hij elders had geslapen, op het Jan Hansenpad. Hij sprak tegen dat hij een bijzit had, maar dat er iets mis was tussen beiden blijkt wel uit het feit dat Abraham niet meer thuis sliep en Jacomijntje bereid was tegen hem te getuigen. In hun bonje beschuldigde hij haar en zij hem.

Wat de precieze toedracht was blijft ongewis. Mogelijk was baas Coeijmans achter de grafroverij gekomen, waarna ruzie en ontslag volgden, maar hij had er dan niet op gerekend dat Abraham wereldkundig zou maken dat het grafruimen op het Karthuizerkerkhof wel erg ruim werd genomen.

Het kan ook dat Abraham zelf ontslag had genomen, en Coeijmans hem uit wraak beschuldigde van lijkenschennis en grafroof. Wellicht had het ontslag tot de ruzie tussen Jacomijntje en Abraham geleid. Normaal gesproken had de vrouw iets moois van het doodslinnen gemaakt, maar nu had ze genoeg van hem en deed hem met de lap de das om.

Uiteindelijk werd alles op het conto van Abraham geschoven. Het vonnis meldt dat hij alle menselijkheid te buiten was gegaan en zonder ‘speciale last’ van de doodgraver de beenderen bij elkaar had gegooid in een geopende kist en daaruit het doodskleed had gestolen. Hij werd veroordeeld om op de kaak tentoon te staan, in een doodskleed, met één been in een doodskist en de deksel daarvan op zijn borst met de tekst ‘Doode-beroover’. Daarna volgde een ban van vier jaar.

BEELD:

[Grafroof 1]

Gezicht op het Karthuizerkerkhof, waar meerdere begrafenissen aan de gang zijn. Tekening van Andries Schoemaker uit 1728.

STADSARCHIEF AMSTERDAM