Ondanks de recessie gaan de meesten van ons nog steeds met regelmaat op vakantie naar het buitenland. Een eeuw geleden lag dat wel anders. De meeste Amsterdammers hadden te weinig geld en vrije dagen vakantie te nemen. Daarom ging men ‘dagjes’ uit, liefst niet te ver weg uiteraard. Men trok de Amsterdamse parken in, ging naar landgoed Frankendael in de Watergraafsmeer, het Tolhuis in Amsterdam-Noord, naar de hei in Bussum of het Zandvoortse strand met de trein, al was een treinkaartje voor veel Amsterdammers te duur.

Ook Muiderberg, toen nog aan de Zuiderzee gelegen, was in trek. Men kon erheen fietsen of de Gooische Stoomtram nemen. Op 22 juli 1881 reed de ‘Gooische’ voor het eerst vanuit Station Weesperpoort over de Middenweg naar de Diemerbrug en vervolgens naar Muiden en Muiderberg. De tram vervoerde niet alleen passagiers, maar ook post, melk en vee. Voor de dagjesmensen werden open rijtuigen gebruikt. Er waren twee typen: eersteklas rijtuigen met een zitplek voor 24 passagiers en tweedeklas rijtuigen met een zitplek voor 32 passagiers en 16 staanplaatsen. Een rit duurde 65 minuten.

Op warme dagen vond er langs deze weg een grote uittocht plaats, maar voor de trammaatschappij was dat geen probleem, vertelde E. Molinero in 1979 in Ons Amsterdam: “Als er op drukke dagen meer passagiers voor Muiderberg of Hilversum waren, werd simpelweg een aantal wagons extra aangehaakt.” Dat had ook zijn risico’s: “Zo'n lange tram vertrok van het laagste punt in de polder: ter hoogte van de Hogeweg, en had dan nogal moeite met de hellende weg naar de brug over de Ringvaart. Gooiwaarts leverde dit minder bezwaren op door de langere aanloop en de minder steile helling. De terugtocht was moeilijker (…). Halverwege de helling Hogeweg-Ringvaart begonnen de wielen van het vierkante locomotiefje door te slaan, de gang was eruit en het geval zakte langzaam de helling af. De jeugd kwam in het geweer om zand op de rails te strooien voor de volgende aanloop. Als dit weer mislukte, moest een inmiddels gereedgemaakte reservelocomotief het treinstel door opduwen de nodige energie leveren om de hindernis te nemen.”

Karnemelk en zwarte petjes

Eenmaal voorbij Muiden, moesten passagiers richting Muiderberg overstappen bij de Hakkelaarsburg op een zijtak van de Gooische: de dienst naar Muiderberg. Naast de Hakkelaarsburg stond het Witte Huis, het wachtlokaal van de tram, en tevens het café-restaurant waar later ‘Lou de Palingboer’ zou gaan wonen, die beweerde dat Jezus Christus in hem was opgestaan. De tram reed vervolgens over de Googweg langs de joodse begraafplaats en eindigde bij café-restaurant en hotel Het Rechthuis. Hier werden de melkbussen van de Muiderbergse boeren ingeladen, die de melkslijters later op de dag in Amsterdam uitventten.

In de jaren twintig werd in Muiderberg zelf een station aangelegd met twee perrons en er kwamen dranghekken om de steeds groter wordende stroom dagjesmensen in banen te leiden. “In de toptijd kwamen er wel twee trams tegelijk aan met ieder vijfhonderd mensen; op zondag arriveerden wel tien trams, dus zo'n vijfduizend dagjesmensen!”, schrijven Gré Dam en Rob van der Heijde in hun Toen boekje over Oud Muiderberg. En de meeste Amsterdammers kwamen niet eens met de tram, maar op de fiets. Op een topdag bezochten dus soms meer dan 10.000 dagjesmensen Muiderberg. En dat terwijl het dorp niet meer dan zo’n 600 zielen telde!

De Muiderbergers probeerden zoveel mogelijk profijt te trekken van de Amsterdamse toeristen. Op grote schaal opende de boerenbevolking pensions, cafés en fietsenstallingen. Aanvankelijk kostte een dagje stalling een dubbeltje, maar door de grote concurrentie zakte de prijs naar één cent. Ook schonken veel boeren verse melk of karnemelk, hetgeen de Amsterdammers een echt vakantiegevoel gaf: ze waren de stad uit! Ze waren op het platteland!

Fietsend naar Muiderberg passeerden de Amsterdammers onderweg al een eindeloze rij uitspanningen. Ter hoogte van de huidige Maxis stond rond 1935 café De Papenlaan, in Muiden waren meerdere horecagelegenheden en bij de Hakkelaarsbrug konden ze terecht bij Het Witte Huis en Rustoord-Groenzicht om karnemelk, koffie of thee te drinken. Aan de Googweg, op weg naar de Brink, lag boerderij Elba, waar ook karnemelk werd geschonken, behalve op zondag.

Alida Meijer-Roussou, geboren in 1928, herinnert zich de kleine cultuurshock voor de uitgelaten Amsterdamse fietsers, die op zondagochtend een zwijgende stoet gereformeerde Muiderbergse boeren op zich af zagen komen, op weg naar de kerk van Muiden, in zwarte lakense pakken en met zwarte petjes.

“O, Echo, wonder van deez’ dreven!”

Op de Brink stond ‘Pretty Home’, waar strandfotograaf Ibelings zijn atelier had. Hij had er ook een Citroën staan met de wervende tekst: Een foto in de auto, tien cent, zo klaar!” Hendrik Nagelhout, geboren in 1919: “Ibelings en zijn zoon Jan bemanden om beurten ‘Pretty Home’ en het strand om toeristen op de foto te zetten. Op het strand stond van alles waar men zich in kon laten fotograferen, zoals een houten paard en een trapauto.”

De weg naar het strand voerde over de Brink door ‘Het Beukenbos’ en vervolgens de Dorpsstraat en de Badlaan, met vele cafés, een speeltuin, stallingen en winkels, waar ansichten of strandspullen te koop waren. Op het strand stonden vier steigers met badhokjes. Wie wilde roeien, kon er een bootje huren. Bang om te verdrinken hoefden de badende stedelingen niet te zijn, want tot zeker een kilometer uit de kust was het water ondiep. Meijer-Roussou: “In het water stonden drie glijbanen en drie wippen. Dat vonden we prachtig. Er was ook een aantal strandtenten waar je koffie, thee en limonade kon drinken en karren met haring, ijs en halve zure bommen.”

Behalve het strand waren ook de bossen van Muiderberg geliefd. En de legendarische echo. Niet een die na een paar seconden woorden herhaalt, maar een ‘gelijksprekende echo’. Pieter Cornelisz Hooft noemde deze attractie al in zijn stuk Geraerdt van Velzen uit 1613. Om de echo te horen, ging men voor de halvecirkelvormige muur staan en luisterde naar de ‘echo-oproeper’, die een gedicht declameerde in de richting van de muur. “O, echo, wonder van deez dreven, reeds eeuwen hield gij krachtig stand. Wat ook verging, gij zijt gebleven, nog roemt men u in ieder land.” Het geluid van zijn stem klonk dan galmend en leek uit de grond te komen. Naast de echo was er ook een doolhof met in het midden lachspiegels.

En dan was er nog de uitkijktoren. In 1901 werden de vermolmde trappen van deze voormalige kerk vernieuwd en ging hij open voor publiek. Om te voorkomen dat er mensen van de toren vielen, waren kantelen geplaatst. Meteen het eerste jaar al bezochten 8800 bezoekers de uitkijk. Tot ongeveer 1932 stond hij open voor publiek.

Sieraden zoeken

Voor wie niet dezelfde dag terugging, was er het Badhotel, uit 1886. Dat bood logement, maar ook kon men er badstoelen, roeiboten, zeilboten en badkoetsjes huren. Een badkoetsje was een wagen die men een stukje de zee inreed om zich hier vervolgens om te kleden en het water in te gaan. De koetsjes terug het strand optrekken lieten de huurders echter het liefst aan de eigenaren over. Begin 20ste eeuw werden ze daarom vervangen door de eerdergenoemde steigers met badhokjes.

In het weekend was het feest bij het Badhotel. Op zaterdagavonden gaven Amsterdamse gezelschappen concerten in de muziektent en op zondagmiddag werd er gedanst op het strand.

Aan het eind van de dag moesten de badgasten natuurlijk en masse weer terug naar huis. “Het was dringen bij de stoomtram! Anders kon je mooi niet meer mee terug!”, herinnert Nagelhout zich. De stadse bleekneusjes waren dan vaak mooi bijgekleurd. Soms zelfs te veel, weet Andrea Koster nog: “Ik was natuurlijk als stadsmeisje niet gewend aan zoveel zon. Ik had een gevoelige huid met mijn rode haar en sproeten en er was geen zonnebrandcrème in die tijd. Ik was dus altijd zo verbrand dat de blaren op mijn huid stonden. Het dagje zelf was misschien wel leuk, maar de nasleep beduidend minder!”

En de Muiderbergers? Zodra er aflandse wind was en de zee zich terugtrok, gingen ze het wad op met een vork om paling te steken en…sieraden te zoeken die Amsterdammers waren verloren tijdens het pootje baden.

Oase van rust

Tegenwoordig is het nog steeds goed toeven op het strand van Muiderberg. Wel is het nu veel kleiner en ook het aantal horecagelegenheden is danig geslonken. Waar zijn de dagjesmensen uit Amsterdam gebleven? Was Muiderberg niet meer in trek na de bouw van de Afsluitdijk in 1932? “Welnee”, zegt Alida Meijer-Roussou. “Wat dat betreft merkte je weinig verschil tussen de Zuiderzee en het IJsselmeer.” Kwam het dan omdat de Stoomtram niet meer reed? “Ook niet”, denkt zij. “Je had de bus. Die was sneller. Nee, steeds meer mensen kregen auto’s. Je kon verder weg en dat deed je ook.” Dat beaamt Tiny Rooseboom-Gijzen: “Na de oorlog had je meer te besteden. Er was ook meer vrije tijd. Mensen gingen langer weg en je ging ook vaker naar het buitenland.” Gré Dam vertelt dat er in Muiderberg hoe langer hoe meer forenzen gingen wonen. Die hadden andere behoeften. “Men adverteerde er ook mee: ‘Muiderberg, een oase van rust onder de rook van Amsterdam’.”

Zijn er nog sporen te vinden van de tijd waarin Amsterdammers het dorp massaal bezochten? In Muiderberg getuigt alleen een miniatuur stoomtram op een sokkel voor het Rechthuis ervan; in Amsterdam staat op de Middenweg nog het gebouw van de oude stoomtramremise. Wel rijdt er nog altijd één stoomtramlocomotief met twee rijtuigen van de Gooische Stoomtram: ’s zomers tussen Hoorn en Medemblik. En iedereen mag mee.

Joodse begraafplaats

Muiderberg was niet alleen vanwege het strand een plek waar Amsterdammers kwamen. In 1642 kochten de Hoogduitse joden uit Amsterdam er 17 hectare grond om een begraafplaats te stichten. Omdat de graven nooit geruimd mogen worden, waren zij aangewezen op een plek buiten de stad. 
Pieter Cornelisz Hooft, drost van Muiden en baljuw van het Gooi, tekende de koopakte. Aanvankelijk werden de lichamen per trekschuit vervoerd, via de Muidertrekvaart en voorbij de Hakkelaarsbrug over de vaart langs de Googweg. Als een Amsterdamse jood ernstig ziek was, werd dan ook wel gezegd: “Hij is al bij de Hakkelaarsbrug.” Ook de Gooische Stoomtram vervoerde gedurende korte tijd overledenen per salonrijtuig. Zo’n rijtuig was gesloten en telde twee compartimenten: één voor de overledene en één voor de nabestaanden. Vanwege religieuze bezwaren werden de salonrijtuigen op non-actief gesteld.

De Gooische Moordenaar

De Gooische Stoomtram veroorzaakte veel ongelukken, wat hem de bijnaam Gooische Moordenaar bezorgde. De ongelukken waren vooral het gevolg van een te hoge snelheid en de uitgebraakte rookwolken die passerende weggebruikers het zicht ontnamen. Zo klaagde de Nederlands Israelietische Hoofdsynagoge van Amsterdam in een brief: “In de laatste tijd is het meermalen voorgekomen dat bij bochten in de weg naar Muiderberg botsingen plaatsvonden tusschen den lijkwagen waarmede de lijken onzer gemeenteleden naar de begraafplaats te Muiderberg worden vervoerd en den Gooische Stoomtram, die aldaar dikwijls met meer dan ons inziens geoorloofde snelheid passeerde en niet liet onderzoeken of de weg veilig was, waartoe zij volgens onze mening wel verplicht is.” Om ongelukken te voorkomen, werd onder meer besloten dat de tram in de bebouwde kom alleen stapvoets mocht rijden. De conducteur liep bovendien voor de tram uit met een rode vlag. Desondanks bleven ongelukken op grote schaal voorkomen.