Jan Paasgeson had sinds begin 1730 verkering met Sytje Smit. Hij was 27 jaar, Amsterdammer van geboorte en huistimmerman; er is weinig meer over hem bekend dan dat hij de zorg had voor zijn alleenstaande moeder. Sytje Smit was 31, dochter van Albert Smit, een van de overlieden van het Turfdragersgilde. Zij woonde met haar vader in een kelderwoning in de Lange Leidsedwarsstraat, ‘naast de herberg Vredenburg’, bij de Spiegelgracht.

In de 18de eeuw werd in keurige ambachtsgezinnen doorgaans laat getrouwd: er moest eerst een toekomst worden verdiend. Maar dat Sytje op haar 31ste nog steeds ongetrouwd was, had een bijzondere reden.

Vader Albert was in 1694 op 21-jarige leeftijd gehuwd met de 19-jarige Aaltje Jans. Het stel kreeg vijf kinderen. Moeder Aaltje liet het leven in 1704; het jongste kind was toen net een half jaar oud. Nauwelijks zes maanden later hertrouwde Albert daarom met Cornelia de Vis. Zij stierf in december 1730 en liet Albert, inmiddels tegen de zestig, alleen achter met Sytje. Het jongere zusje en haar broer waren inmiddels het huis uit. Daarmee was het probleem voor de twee verliefden duidelijk: Jan had de zorg voor zijn moeder, Sytje de zorg voor haar vader, en dat zat een huwelijk in de weg.

Op maandag 30 april 1731 blijkt Sytje onder verdachte omstandigheden te zijn overleden. Jan wordt gevangengezet en op 1 mei verhoord door de heren van het Gerecht. Jan vertelt die maandag omstreeks half twaalf in de kelder aan de Lange Leidsedwarsstraat te zijn gekomen om tijdens zijn schafttijd met Sytje en haar vader het middagmaal te gebruiken. Dat deden zij vaker.

Er wordt nog wat nagetafeld en een brandewijntje gedronken. Sytje gedraagt zich eigenaardig. Ze neemt een stoel en slaat die op vloer aan stukken, zeggend ‘daar zal na mijn dood geen ander mee pronken!’ Vader Albert zou hebben gezegd: ‘Ben je dol of gek, dat je die stoel aan stukken breekt?’ Waarop Sytje antwoordt: ‘Daar is niks aan gelegen, het is mijn eigen stoel!’

Omstreeks twee uur verlaat vader Albert het huis. Jan gaat niet terug naar zijn werk maar blijft in de kelder zitten. Er ontspint zich een gesprek tussen Sytje en Jan over wanneer ze nou toch eindelijk zouden kunnen trouwen. Omdat Sytje voor Albert moet zorgen weigert die pertinent zijn toestemming te geven. Zij heeft daarover ‘gedurig’ ruzie met hem en zegt nu ‘dat zij zich liever wilde verdoen dan zo door te leven’.
Ze pakt een mesje van tafel en steekt dat in haar keel, ‘nevens haar strot’. Zij bloedt hevig, valt van de stoel en trekt ander meubilair ondersteboven. Jan zegt dat zij niet gevochten hebben, wel dat hij met haar worstelt om het mesje uit haar hand te krijgen, waarbij zij hem ‘over de hand’ snijdt. Hij stelpt het bloed van haar wond, die uiteindelijk niet ernstig blijkt. Jan legt Sytje op bed en blijft naar eigen zeggen tot half tien ’s avonds bij haar zitten, om te voorkomen dat ze zichzelf iets zal aandoen. Hij heeft niet een buurvrouw gewaarschuwd, zegt hij, omdat Sytje had gezegd dat het allemaal niet zo erg was en dat ze zich schaamde, en dat hij beter naar huis kan gaan, naar zijn moeder, om die niet ongerust te maken.

Dat doet Jan, maar om kwart over tien is hij weer terug bij de kelder in de Lange Leidsedwarsstraat. Hij staat er ‘anderhalf kwartier’ aan te kloppen, maar er wordt niet meer opengedaan, en dus gaat hij weer naar huis. Onderweg drinkt hij nog een glas bier.

Een dag later wordt Jan weer verhoord, nu in aanwezigheid van Sytjes vader. De verklaring wordt dan een stuk uitgebreider. De Heren van het Gerecht vragen of Jan die avond niet bij Sytje in bed is gekropen? Ja, zegt Jan, ‘met sijn lijf op haar lijf’, maar hij heeft geen ‘vleselijke conversatie’ met haar gehad. Dat had daarvoor al wel meermalen had plaatsgevonden, maar de bewuste avond niet. Hij ontkent ook dat hij haar gedwongen zou hebben.

Kennelijk was Sytjes wanhoop nog niet geweken. Er volgt een woordenwisseling waarin zij Jan uitscheldt voor een moordenaar, met wie ze niet kan trouwen. In de stukken wordt dat niet nader verklaard; we kunnen aannemen dat mensen elkaar ook in de 18de eeuw in de hitte van de strijd dingen toevoegen die ze niet werkelijk meenden.

Maar Jan vat het ernstig op: als zij niet meer met hem wilde trouwen, dan met niemand anders. Jan bekent dat, omdat Sytje’s zelfmoordpoging mislukt was, het ‘het best was dat ik het dan maar doe.’ Waarop hij het knipmesje heeft genomen, dat naast Sytje op het bed lag, ‘en dezelve daarop de strot heeft afgesneden’.

Stadsgeneesheer Willem Roëll en de chirurgijns Theo van Brederode en Jan Koenerding, die het lichaam van Sytje Smidt onderzochten, verklaren dat zij ‘drie gestookene wonden voor aan den hals’ hebben geconstateerd, de eerste ‘even onder kin, door het vel en onderliggende spieren’, de tweede ‘een paar vingers breedte’ over de hele hals ‘van de twee onderste wervels van de hals tot in het merg van de ruggegraat’. Die diepe snee heeft de halsslagader geraakt, ‘van welke na ons oordeel deselve heeft moeten sterven’. De derde wond was ‘alleen door het vel’. Het moet een waar bloedbad zijn geweest.

Jans bekentenis wordt op een dag later, op drie mei, nog eens aan hem voorgelezen. Hij blijft vrijwillig bij zijn verklaring. De toedracht zoals Jan die opbiechtte werd als bewezen aangenomen. Jan moet heel goed hebben geweten, dat hij met zijn verklaring zijn doodvonnis tekende.

Dat wordt voltrokken op zaterdag 2 juni 1731. De enige coulance van het Gerecht was een eervolle dood, onthoofding met het zwaard. Minder eervol was dan weer dat zijn lijk naar de Volewijk werd overgebracht, waar zijn lichaam op een rad werd gezet, en zijn hoofd op een pen.

Aktenproject
Het project Alle Amsterdamse Akten is in volle gang. Vrijwilligers hebben inmiddels al meer dan 800.000 akten geïndexeerd. U kunt meehelpen: www.alleamsterdamseakten.nl. Aktenproject