Ooit had de Handwerkers Vriendenkring veel te betekenen, nu is ze zo goed als vergeten. De naam staat nog wel met sierletters op de gevel van Nieuwe Achtergracht 140-144, maar meer ook niet. Tot de Tweede Wereldoorlog waren het gebouw en de vereniging alom bekend in Amsterdam, zeker bij de Joodse stadgenoten.
Op 23 april 1869 meldde het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) dat twee dagen eerder in Amsterdam "in het locaal Casino, alhier een allereerste openbare vergadering is geweest van de vereeniging Handwerkers Vriendenkring". Het doel van de vereniging: "werkzaam te zijn in het belang van verbetering van den zedelijken en maatschappelijken toestand der arbeiders te Amsterdam en omstreken". Een horlogemaker, Barend Koch, was de voorzitter (hij bleef dat tot zijn dood in 1887), andere oprichters waren lijstenmaker, meubelmaker of decoratieschilder. Op den duur ging het ledenbestand steeds meer uit diamantbewerkers bestaan.
Hoewel de oprichters hun doelstelling ruim formuleerden, dachten ze vooral aan een betere vakopleiding en diverse verzekeringen. Maar al snel groeide het ambitieniveau en daarmee ook de aantrekkingskracht. De toeloop van leden vroeg om steeds grotere vergaderzalen: de eerste 30 jaar gehuurd in feestgebouwen als het genoemde Casino (Waterlooplein), in Diligentia (Kalverstraat), Eensgezindheid (Spui) en Adamas (Nieuwe Herengracht, na 1973 Vrouwenhuis). In 1899 was de vereniging zo groot en rijk dat men architect Christiaan Posthumus Meyjes sr. een eigen gebouw kon laten neerzetten op de Nieuwe Achtergracht. In oktober ging het open. De grote zaal (met toneel) bood plaats aan 700 mensen.

Imago

De Handwerkers Vriendenkring vooral Joodse ambachtslieden en fabrieksarbeiders, en heel wat van die arbeiders waren, zeker na omstreeks 1890, socialistisch gezind. Maar de vereniging zelf wilde niet als Joods en socialistisch bekend staan. Wat het Joodse karakter betreft: ook niet-Joden mochten lid worden, alleen waren die in de Waterloopleinbuurt (waar de HWV zijn basis had) nu eenmaal dun gezaaid. Ongeveer 95% van de leden had dan ook een Joodse achtergrond. Het bestuur bemoeide zich nadrukkelijk niet met religieuze scherpslijperij. Hoe godsdienstig de leden waren, moesten ze zelf weten. Op die houding liep in 1912 de beoogde samenwerking stuk met de bekende 'volksrabbijn' Meijer de Hond om betaalbare woningen te bouwen. De Hond vond dat die woningen alleen beschikbaar mochten zijn voor Joden met een orthodoxe levenswijze. Dat ging het HWV-bestuur veel te ver. Toen de vereniging jaren later zelf met woningbouw begon in de Transvaalbuurt bood zij wel de Joodse Gemeente een stukje grond aan om daar een synagoge te bouwen. Zo kon worden voorzien in een behoefte van een flink deel van de achterban. Overigens kwam die synagoge er niet.
Evenmin was het bestuur blij met een socialistisch imago. Ja, de vereniging zette zich zeer in voor materiële belangenbehartiging en culturele vorming van de leden, maar men wilde er niet van verdacht worden een andere maatschappelijke orde na te streven. Dat zou slechts verdeeldheid zaaien, vond Heiman Barnstein, voorzitter van 1894 tot 1924. Zelf was hij lid van de Vrijzinnig-Democratische Bond, een soort D66 avant la lettre. Toen in de zomer van 1893 de fel-socialistische jonge diamantbewerkers Henri Polak en Dolf de Levita zich aanmeldden als lid, kwamen zij dan ook niet door de ballotage heen. Zij zouden de "omverwerping van de maatschappelijke orde" najagen – of in ieder geval een socialistische coup binnen de HVW. De laatste verdenking was terecht, schrijft Polak-biograaf Salvador Bloemgarten. De socialisten die al lid waren (ongeveer 70 van de 650 leden) protesteerden vergeefs.

Zaalverhuur

De vereniging was wél warm voorstander van vakorganisatie. Dus gingen de kersverse voorzitter Barnstein en Henri Polak in de zomer van 1894 sans rancune samen naar een internationaal vakbewegingscongres in Antwerpen en steunde Barnstein eind dat jaar de oprichting van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, waarvan Polak voorzitter werd. Op zijn beurt zou Polak in 1929 bij het 60-jarig bestaan van de HWV onder de plagerige kop 'Een woord van een Niet-Lid' de vereniging complimenteren met haar inspanningen om de diamantbewerkers "tot besef van hun toestand en tot organisatie te brengen". En nadat in 1899 de Vriendenkring een eigen gebouw had gekregen, werd de grote vergaderzaal om de haverklap voor meetings en congressen verhuurd aan vakbonden, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (Polak was medeoprichter) en haar nevenorganisaties (zoals de jeugdbeweging AJC). Ook de communisten kwamen er bijeen. Zelfs werd hier in 1909 de Sociaal-Democratische Partij (SDP) opgericht, voorloper van de CPN. En toen SDAP-leider Jelle Troelstra meteen na het eind van de Eerste Wereldoorlog de illusie had gewekt dat net als bij de oosterburen een revolutie nabij was, moest op 13 november 1918 een brave mevrouw van de Volksuniversiteit die een lezing wilde houden het veld ruimen voor opgewonden arbeiders die er wilden vergaderen.

Opvoeding

In de loop van haar bestaan ontplooide de Handwerkers Vriendenkring een onwaarschijnlijk breed scala van activiteiten. Een Weduwenfonds werd opgericht in 1873, gevolgd door een Invalidenfonds en een werklozenverzekering. Na ruim tien jaar kwam ook het ontwikkelingswerk op gang. Met grote trots werd in 1882 een bibliotheekje geopend boven café De Amstel op de hoek van het Waterlooplein en de Nieuwe Amstelstraat. En er kwam een onstuitbare reeks lezingen en cursussen op gang. Een greep uit de onderwerpen: de maan (1877), staatszorg voor de arbeidersklasse (1888), bouwkunst (1891, door architect Jos Cuypers), groei van de volkswelvaart (1892), de dichter Gerbrand Adriaensz Bredero (1892), Gijsbrecht van Amstel (1897), het zonnestelsel (1905, door de bekende 'rode schoolmeester' Adriaan Gerhard), moderne orkesten (1906) en vliegen (1911, toen stuntvlieger Jan Olieslagers triomfen vierde). Er waren ook excursies (zoals naar het Rijksmuseum) en muziekuitvoeringen – alles passend in de "esthetische opvoeding der arbeidersklasse, een opvoeding tot kunstgenot". De activiteiten werden aangekondigd in het eigen maandblad De Handwerksman.
Belangrijk was ook de oprichting van het ziekenfonds Ziekenzorg in 1895 als dochtervereniging van de HWV. Initiator Barnstein vond dat in het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam de artsen alles voor het zeggen hadden en de leden niets. In 1936 telde het fonds maar liefst 55.663 leden. Minder succesvol werd de Coöperatieve Bakkerij Handwerkers Vriendenkring in de Valkenburgerstraat, in 1898 opgezet om de nachtarbeid in de branche te bestrijden. De bakkerij bleef te klein om rendabel te zijn en verdween geruisloos kort na 1920. Uit zorg over de hygiëne nam het HWV in 1905 het vijftien jaar oude badhuis midden op het Jonas Daniël Meijerplein over van de Amsterdamsche Vereeniging voor Volksbaden. Dat was in zoverre een succes dat het aantal genomen baden sensationeel toenam. Toch werd er door alweer kleinschaligheid steeds meer verlies gedraaid, tot de gemeente, die de kosten kon verdelen over vele badhuizen, in 1919 (tot 1933) het beheer overnam.

Bouwfonds

Het grootste project van de vereniging werd het Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring. HWV-bestuurslid Samuel Hartog kwam in november 1911 met het idee. Eerst was er weinig respons, maar het initiatief kreeg vleugels toen Jan Willem Tellegen het onder zijn hoede nam: de energieke directeur van Bouw- en Woningtoezicht (BWT), die in 1915 burgemeester zou worden. Hij lichtte Hartog en de zijnen in over de subsidiekansen die de nieuwe Woningwet van 1901 bood. Op 15 februari 1912 werd de Stichting Bouwfonds HWV opgericht. Dankzij Tellegen zaten in het bestuur ook SDAP-raadslid Floor Wibaut (twee jaar later wethouder) en ir. Arie Keppler, dan nog BWT-ambtenaar, maar vanaf 1915 de eerste directeur van de Woningdienst.
Tellegen zag een mooie kans voor de gemeente. De grondige sanering van het zwaar verkrotte en overbevolkte stadseiland Uilenburg in het oudste deel van de Jodenhoek had hoge prioriteit. Wel moesten dan duizenden Uilenburgers verhuizen, al waren ze ondanks alles verknocht aan hun buurt. Te verwachten was dat ze dat makkelijker deden als een Joods getinte woningbouwvereniging hun een woning aanbood. Het werkte: uit een enquête bleek dat van de 390 benaderde gezinnen op Uilenburg er 221 (1240 personen) bereid waren om te verhuizen.
In maart 1914 kreeg het Bouwfonds een langgerekt terrein in de gloednieuwe Transvaalbuurt aangeboden, parallel aan de Tugelaweg. Daar bouwde het fonds met rijksteun 647 woningen, achttien winkelwoningen, zes dagwinkels en twee werk- of bergplaatsen. De eerste steen werd in juli 1917 gelegd in de Maritzstraat; in 1919 waren de eerste woningen klaar. Architect J.H. W. (Willem) Leliman zou de afronding van het hele project niet meer meemaken. Hij stierf in 1921, 42 jaar jong.
Het Bouwfonds werd in de jaren twintig de kernactiviteit van de HWV. Het ontwikkelingswerk stelde weinig meer voor, vooral omdat de in 1892 opgerichte vereniging Ons Huis met haar vele buurthuizen dat veel beter kon. Ziekenzorg opereerde zelfstandig, al bestond het bestuur grotendeels uit HWV'ers. Behalve woningbouwvereniging was de HWV nu vooral een succesvol zalenverhuurbedrijf, behalve voor linkse partijen en vakbonden, ook voor bijvoorbeeld de Amsterdamsche Voetbal-Bond en de Nederlandsche Zionistenbond.
De Duitse bezetter maakte in 1942 een einde aan de Handwerkers Vriendenkring.