Mary Jeannette Stoppelman wordt op 5 november 1891 geboren in een niet-religieus joods gezin. Haar vader Aron drijft een zaak in zijden stoffen op de Weteringschans. Ze wonen in de Kalverstraat op nummer 177 en het gaat de familie voor de wind, maar Mary voelt zich al jong niet thuis in het gegoede, kleinburgerlijke middenstandsmilieu.

Ze botst veelvuldig met haar vader: ‘In geen enkel opzicht had ik het ooit mijn vader naar de zin kunnen maken; ik behoorde niet tot het soort kinderen dat hij mocht, innerlijk en uiterlijk niet. Hij hield van rustige, gematigde kinderen. (…) “Laten we die vent er toch uitgooien,” stelde ik brullende mijn kleine bevende moeder voor, “hij vindt het toch niks prettig bij ons”,’ schrijft ze over hem in het verhaal ‘Beleefd verzoek’.

Bij minder burgerlijke klasgenoten voelt ze zich prettiger. Over haar vriendinnetje Jopie lezen we: ‘Laatst hadden ze geen kolen meer, toen heeft Jopies vader een tree uit de trap gezaagd, toen moesten ze allemaal zo leuk springen om bij de straatdeur te komen.’

Eentjes

Dorna’s schoolcarrière is geen succes. Ze gaat naar de Sweelinckschool en vervolgens naar de Vierde Driejarige HBS aan de Mauritskade, de Kollewijnschool, genoemd naar de directeur en spellinghervormer met wie Mary het goed kan vinden. Desondanks blijft ze er maar één schooljaar, in 1905-1906. Ze krijgt voor alle vakken een één.

Ze schrijft later in ‘Alle eendjes zwemmen’: ‘Wat belette me dus nu toch alles verloren was een totale onverschilligheid en branie aan de dag te leggen, die m’n benauwdheid voor thuis en m’n verlegenheid tegenover de plagende klasgenoten verbergen moest? Het rapport boven m’n hoofd zwaaiend joelde ik, terwijl Pruimedantje, de wiskundeleraar, met versufte verbazing toekeek: “Alle ééndjes zwemmen in het water, Falderalderire… falderaldera…” Om daarna ter illustratie van het lied het in snippertjes verscheurde getuigschrift met de ‘ééntjes’ in het water te gooien.’

Vervolgens wordt Mary naar een particuliere school gestuurd, het Instituut voor Jongejuffrouwen en Jongeheren uit de Betere Stand. Na een hoopvol begin gaat het ook daar mis als ze een arrogante jonkheer die aan haar haren trekt met een stok op zijn kop slaat. Ze heeft tekentalent en probeert het nog op de Dagteeken- en Kunstambachtschool voor Meisjes op de Groenburgwal, maar houdt het ook daar snel voor gezien. In de herfst van 1907, zestien jaar oud, wordt ze leerlinge op het atelier van de schilder Jan Bleys aan het Singel, nummer 486.

Dreinig straatje

Na haar mislukte opleidingen weet Mary niet goed hoe ze met haar leven verder moet. Tijdens een vakantie met haar ouders in de zomer van 1910 leert ze de Engelsman Felix Gabriel Bowers kennen. Hij maakt indruk en vooral het feit dat hij binnenkort naar Zuid-Amerika vertrekt om te gaan werken op het Britse consulaat vindt ze interessant; Mary heeft van jongs af aan gedroomd van reizen.

Ze trouwen in 1911. Een paar weken later stappen ze op de boot naar Buenos Aires. Al op de eerste nacht laat Bowers zich echter kennen als een oversekste bruut. Mary schrikt er zo van dat ze naar de kapitein vlucht die haar de rest van de reis onder zijn hoede neemt. Het huwelijk houdt nog geen twee jaar stand.

Bij toeval ziet Mary in de krant een advertentie waarin een jonge bouwkundestudent, Bruno Wille, contact zoekt. Ze besluit erop te schrijven en ondertekent met ‘Maria Juana de Videla Dorna’, geboren in Buenos Aires. Ze ontmoeten elkaar en het klikt. Bruno zal vele jaren in de waan leven met een Argentijnse van doen te hebben.

Ze gaan in Amsterdam samenwonen in een benedenwoning op nummer 8A in de Den Texstraat, door Mary in ‘Intermezzo’ aldus beschreven: ‘Het dreinerige straatje staat juist op het punt om in huilen uit te barsten. Misschien beseft het zelf, dat het de treurigste straat is, die er bestaat – met de afgrijselijkste, vervelend gelijkmatige huisjes, door de weinig fantasievolle bouwmeesters van een dertig jaar geleden netjes op een rij gezet.’

Goddelijke humor

In 1919 trouwen Bruni en Mary. Ook Bruno’s broer Hanns komt in de Den Texstraat wonen. Hij zet Mary aan tot het schrijven van een verhaal, ‘Een storende verschijning’, dat op 24 april 1926 geplaatst wordt in Het Volk. Meer verhalen volgen. Haar debuutbundel verschijnt in 1933: Wanordelijkheden rondom een lastig kind.

De verhalen worden lovend ontvangen. Over ‘Onmaatschappelijke Voorkeur’ uit 1938 schrijft Ferdinand Bordewijk, de auteur van Bint en Karakter, in De Gids: ‘Het is niet alleen een uitnemend boek, het is ook een verademing. Ziedaar de figuur die in onze letteren al te lang ontbroken heeft. (…) Een beoefenaarster van de levenskunst op zijn Fransch: verfijnd en slordig, hartelijk en onverschillig, bohème, ongegeneerd maar allerminst vulgair, gedurfd, en toch nimmer (…) gewaagd, voorts rijk aan dien echten goddelijken humor, die in zijn wezen ernst is en zelfs een tikje zwaarmoedigheid. Hoe komt (…) deze rijkbloeiende plant plotseling opgeschoten tusschen zoo veel armetierig gewas?’

Bruno Wille begint een textielonderneming, die al snel failliet gaat. Het huis in de Den Texstraat moet worden verkocht en wordt verruild voor een kleine etage, driehoog, op het Borssenburgplein, niet naar tevredenheid van Mary. In ‘Kleine ondergang’ schrijft ze: ‘Het nieuwe huis is ‘… een visioen van tocht, dunne deuren die treiterachtig zacht openwaaiden en een afschuwelijk vermoeden van kippenhokken in de achtertuinen. Ook had het er naar spruitjes geroken, die ene keer dat ik mee geweest was om de etage te bezichtigen.’ Mary sukkelt met haar gezondheid: ze slaapt slecht en kan steeds minder zien. Bruno gaat vanwege werk in Den Haag wonen en ontmoet daar een nieuwe liefde. In 1938 komt het tot een officiële scheiding.

Tuiltje bosviooltjes

Mary ontmoet haar nieuwe man in Tuschinski, als ze vanwege haar slecht zicht van plaats ruilt. Na afloop vraagt hij of hij haar weer kan zien. ‘Kom maar in de buurt van de Weteringschans en de Witsenkade,’ antwoordt Mary. Op een dag botst ze tegen hem op. Henk Tenkink heeft net zo lang rondgedwaald tot hij haar tegen het lijf zou lopen.

Ze maken een afspraak in ‘louche café’ Het Zonnetje op de Weteringschans: In het gelijknamige verhaal: ‘Je had zo’n tuiltje bosviooltjes meegebracht en de kelner die dronken was, keek ons aan of we malende waren omdat we voor het tuiltje een glas water vroegen. (…) Bosviooltjes zijn zacht en willen alles wel, alleen niet verdorsten.’ In 1933 gaan ze samenwonen aan de Prins Hendrikkade 175, in 1939 sluiten ze een huwelijk dat standhoudt tot Henks dood.

In de eerste dagen van mei 1940 worden Mary en Henk gearresteerd op beschuldiging van landverraad. Ze zouden vanuit hun huis lichtsignalen aan de Duitsers hebben gegeven. Uiteindelijk blijkt alles op een misverstand te berusten: Henk en Mary hebben hun huis nog niet verduisterd en telkens als de keukendeur opengaat, wordt één venster verlicht. Aan de overkant ligt de Marinekazerne en daar was dit als een lichtsignaal aan de vijand opgevat. Na een nacht hechtenis worden ze vrijgelaten. In ‘Mei 1940’ legt Mary de wrange gebeurtenis vast: ‘Met mijn naar de politiekamer stinkende kleren nog aan ging ik naar bed en sliep zoals ik zelden heb geslapen. Het was de laatste nacht dat ik zo rustig sliep in vele, vele jaren.’

‘Argentijnse met Indiaans bloed’

De onrust wordt erger als haar moeder Sara Stoppelman in de Hollandsche Schouwburg belandt in afwachting van deportatie. In het verhaal ‘Schouwburg’ schrijft Mary: ‘Ik huilde niet. Te goed reeds was ik op elke soort schrik en angst voorbereid.’ Henk weet Mary’s moeder op het nippertje uit de schouwburg te redden.

In hetzelfde verhaal schrijft Mary over haar moeders verworven inzicht: “’Zie je,’ zei ze, ‘nu weet ik het: ik heb tot nu toe niet ècht geleefd. Alles bleef aan de oppervlakte. Wanneer ik nu aan al die mensen in de schouwburg denk, blijft mijn adem weg, en ik die zo vlug huilde, ik heb geen traan gelaten. Je huilt niet in doodsgevaar. Aan mijzelf dacht ik niet eens: er waren zulke snoezige, kleine kinderen en zulke doodsbange, oude, afgeleefde mensen met alle mogelijke gebreken. En ook de jonge, gezonde mensen, die soms nog lachten en lugubere grapjes maakten hadden zo iets tragisch over zich. In al die komedies en opera’s heb ik gelachen om komieke dingen en gehuild bij treurige, maar het was huilen en lachen aan de oppervlakte.’

Mary en haar zusje Betsy – allebei getrouwd met een niet-jood – worden van deportatie gered door Mary’s leugen dat zij Argentijnse is. De beide zusjes worden op grond van een verklaring van Bruno verklaard tot ‘Argentijnse met Indiaans bloed’; voor de Duitsers was dat ‘Indogermaans’.

Succes

Na de oorlog gaat het steeds slechter met Mary Dorna. Ze is vaak ziek, ze is roekeloos met slaapmiddelen en alcohol en omdat ze slecht ziet valt ze vaak. Vanaf 1961 is ze nagenoeg blind en kan niet meer zelf schrijven. Als haar verhalen worden heruitgegeven blijken die echter opnieuw een groot succes; Simon Carmiggelt schrijft een bewonderend voorwoord in de bundel Laten we vader eruitgooien uit 1967. Er volgen meer bundels, en Mary dicteert nieuwe verhalen. Haar eigengereide opstandigheid raakt in de jaren zestig duidelijk een snaar.

Nadat Henk in 1968 gestorven is blijft Mary achter in het huis op de Prins Hendrikkade, alleen met haar huishoudster juffrouw Walz om voor haar te zorgen. Op vrijdag 19 maart 1971, ’s middags om een uur of vijf, sterft ze aan een hersenbloeding in de armen van juffrouw Walz. Ze wordt begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Naar de heruitgave van haar verhalen wordt met smart uitgekeken.


Met dank aan de biografie Mary Dorna 1891-1971 van Toke van Helmond (Derde, herziene druk 1985). In het zomernummer van 2004 van Ons Amsterdam verscheen ‘Het Amsterdam van schrijfster Mary Dorna’, geschreven door Tia M. Lücker.