Henk Visser, de hoog- en vooral verspringkampioen (Ons Amsterdam, juli/augustus 2021), voelde zich niet te groot om ook kleine krabbelaars op de sintelbaan van advies te dienen. Ik was midden jaren vijftig een van die kleine krabbelaars: met één meter tweeënzeventig koesterde ik misplaatste ambities voor de sprongnummers, waaraan ik wel veel plezier beleefde.  

Henk Visser was lid van AAC en ik van de concurrerende atletiekvereniging AV’23, clubs die gebroederlijk trainden op de sintelbaan aan het Olympiaplein. Vaak stonden Henk en ik alleen bij de springbakken: atletiek was maar een kleine sport. Ik was natuurlijk diep onder de indruk van zijn elegantie en zijn kunnen. Sprezzatura is het woord: ogenschijnlijk gemak.  

Hij had bijna de mooiste lange benen van de wereld en daarmee had hij ook eigen technieken ontwikkeld. Bij het hoogspringen was niets meer van de Schotse schaarsprong te zien die op de middelbare scholen ingeoefend werd. Mijn gymnastiekleraar op het Vossius Gymnasium, de oude en brave meneer Van Praag, heb ik de stuipen op het lijf gejaagd, door niet de Schotse sprong in te zetten, maar on the spur of the moment een koprol over het touw te maken. 

Ook bediende Henk Visser zich niet van de fosburyflop, die pas ruim een decennium later ontwikkeld zou worden. Nee, hij wierp zich in een ingewikkelde sprong over de lat, waarbij hij het andere been onder het sprongbeen schaarde en tegelijkertijd om zijn lengteas draaide, zodat hij met zijn gezicht naar beneden de landing in het zand van de springbak inzette. Schuimrubber maakte later allerlei andere varianten mogelijk, omdat je niet meer op je benen maar op je rug kon landen. Dat wilde ik met mijn korte benen ook wel proberen. Daarbij ontving ik de goedmoedige adviezen van de Nederlands en Europees kampioen, die tot relatieve successen hebben geleid: een enkele keer sprong ik over mijn eigen lengte. Ook bij de verspringbak, waar we nogal eens met zijn tweeën aan het oefenen waren, kreeg ik aanwijzingen van de meester, die net deed of we met hetzelfde bezig waren. Zo nu en dan denk ik met ontzag en sympathie aan deze edelmoedige charmeur terug. 

ULLI D'OLIVEiRA

September 2021