Amsterdam was na de Reformatie één van de meest roomse steden van West-Nederland: een kwart van de bevolking was lid van de katholieke kerk. Toch was daarvan tot ver in de vorige eeuw in het stads­beeld weinig te bespeuren. Waar de protestanten een aantal pompeuze bedehuizen hadden kunnen optrekken, moesten hun bijna vijftigduizend katho­lieke medeburgers tot 1795 (toen Napoleons Fran­sen hier de dienst gingen uitmaken) hun toevlucht nemen tot een anderhalf dozijn gammele schuilkerk­jes: bouwvallige, bekrompen en bedompte, met altaar, beelden en banken volgestouwde woon- en pakhuizen, die uitwendig volstrekt niet als kerk her­kenbaar mochten zijn.

Eén daarvan was de St. Catharina (ook wel 'Geloof, Hoop en Liefde') aan de Nieuwezijds Voorburgwal op de plaats van het latere en inmiddels weer opgeheven restaurant Dorrius. Deze schuilkerk zou in 1817-'20 door een echte kerk aan het Singel wor­den vervangen. Daarover gaat dit artikel. De bouw had namelijk de nodige voeten in de aarde: want ofschoon er toen al twintig jaar geen wettige bepa­lingen meer bestonden die dit konden verhinderen, bleek er meer tijd nodig te zijn om ook de mentali­teit van de betrokken overheidsfunctionarissen aan de gewijzigde omstandigheden te doen aanpassen. Het denkbeeld dat, om met bouwpastoor Gerardus Antonius van der Lugt (1775-1855) te spreken, 'eene R.K. Kerk in het beste gedeelte der stad zich met luister zoo vertoonen (was) genoeg om van de kant eener Protestantsche Regeering alle hindernis­sen in den weg te leggen, ten einde het beraamd ontwerp te verijdelen'. Toen B en W dan ook inzage in het bouwplan verlangden, vreesde hij direct dat zij, indien hun dit 'te trotsch' zou voorkomen, de uit­voering met alle mogelijke drogredenen zouden trachten te verijdelen.

Maar vooral het feit dat Van der Lugt zélf niet de nodige tact en toegevendheid aan de dag legde, droeg het nodige bij tot de stroeve voortgang van zijn project.

West-Indisch Binnenhuis

Nauwelijks was hij in 1811 benoemd - de Fransen waren nog aan het bewind - of Van der Lugt begon plannen te beramen voor nieuwbouw. Uitbreiding ter plekke was niet mogelijk, zodat een geschikt bouw­ terrein in de buurt gezocht moest worden - iets wat in de dichtbevolkte binnenstad niet weinig proble­matisch was. Des pastoors oog viel uiteindelijk op het West-Indisch Binnenhuis aan het Singel tussen Spui en Heiligeweg, dat, hoewel stedelijk bezit, bij het rijk als kazerne in gebruik was. En ofschoon er voor rijk noch gemeente aanleiding bestond daarin iets te veranderen, richt Van der Lugt zich in het najaar van 1814 tot koning Willem 1, de eerste Oran­jevorst na het vertrek van de verslagen Fransen. Hij verzoekt de koning dit emplacement te mogen ver­werven om het tot kerk te kunnen verbouwen: een ander geschikt perceel is niet voorhanden. Omdat enerzijds de stad natuurlijk weinig genegen blij om zo maar de militairen te doen 'verkassen' en ander­zijds de pastoor met grote hardnekkigheid vast­ houdt aan zijn eenmaal gedane keuze, wacht de provinciale gouverneur A.W.N. van Tets van Gou­driaan de taak om te bemiddelen.

Een moeizame taak. Beide partijen blijken niet tot concessies bereid. B en W achten het onzinnig een juist enige jaren terug ten behoeve van de konink­lijke garde duur verbouwd pand nu al weer te ontrui­men, zeker zolang de Oranje-Nassaukazerne te klein is om het gehele garnizoen te herbergen en er elders geen paardenstal beschikbaar is. Suggesties van de pastoor om van grondstuk te ruilen - kerk tegen kazerne - moet men zeker afwijzen.

Pastoor haalt Den Haag erbij

De pastoor van zijn kant negeert B en W's voorstel om de weliswaar iets verder weg, maar toch óók aan het Singel (tussen Bergstraat en Oude Leliestraat) gelegen voormalige Doopsgezinde kerk 'De Tooren' op te kopen. Hij heeft zijn zinnen op het West­ Indisch Binnenhuis gezet, en zal dit krijgen ook. Geen mogelijkheid wordt daartoe onbeproefd gela­ten. Zo krijgt hij via relaties de commissaris voor kerkelijke zaken in Den Haag, J.D. Janssen, zover dat deze naar Amsterdam afreist om het stadsbe­stuur tot toegevendheid te bewegen, wat echter niets uithaalt. Ook heeft Van der Lugt tweemaal de koning persoonlijk opgezocht en hem een verzoek­ schrift overhandigd, waarin hij over B en W zijn beklag doet: niets dan onwil valt hem ten deel. Want alle beweerde nadelen die uit de overdracht voor stad of rijk zouden voortvloeien, kunnen toch niet op wegen tegen 'de ontstichtende wijze, waarop zedert zo veele jaren de openbare Godsdienstoefe­ning in de Roomsche kerk op de Boommarkt heeft moeten verricht worden'!

Tevergeefs. Willem I mocht de pastoor naar diens zeggen welwillend aangehoord hebben, Binnen­landse Zaken, waar zijn beide memoranda terechtkwamen, reageerde niet. Ten langen leste schrijft Van der Lugt - het is inmiddels 7 september 1815 - de nalatige minister: alle geopperde bezwa­ren zijn slechts uitvluchten, men kan het gevraagde pand best missen, de soldaten kunnen gemakkelijk elders ondergebracht worden, terwijl het West­ Indisch Binnenhuis niet meer is 'dan een oud, ver­sleten en bouwvallig locaal', waarop hij nog wel spe­ciaal het oog had laten vallen om de overheid ter wille te zijn: als het stadsbestuur niet de inschikke­lijkheid toont om dit pand over te dragen - gratis, wel te verstaan - is hij helaas gedwongen zijn 'toevlugt tot 's Lands schatkist (te) neemen' en sub­sidie aan te vragen voor de koop van een ander per­ceel. Hadden bovendien B en W iets soortgelijks niet recentelijk aan de lutheranen toegestaan, en voor hun eredienst een stadsgebouw afgestaan? Wat beweegt hen dan om hem dat nu wél te weigeren? Toch niet het gegeven dat het hier nu toevallig een katholieke kerk betreft? Want 'de liberale denkwijs van Amsterdams Regering', zo merkt hij sarcastisch op, is 'te onbetwistbaar bekend (. . .) om deswegens eenige zwarigheid te opperen' (1).

Uitmuntende uitwerking

Volgens de schrijver had dit epistel, na maanden stagnatie, 'eene uitmuntende werking'. Niet onjuist geconstateerd. Den Haag kwam nu ogenblikkelijk in actie en droeg Tets op de stad zodanig te bewerken dat er een schikking zou komen; deze ene pastorale brief was kennelijk voldoende om alle protesten van B en W terzijde te doen schuiven en het departe­ment tot de opvatting te doen geraken dat 'het gemis van het bedoelde huis van weinig belang schijnt voor de stad en daarentegen derselfs verkrij­ging zeer belangrijk voor de Roomsche Gemeente' (2).

Inderdaad gaan de vroede vaderen van Amsterdam nu door de knieën. Op 29 september stemmen zij eindelijk toe in de afstand - schoorvoetend, op vier voorwaarden, en voornamelijk, zoals Gedeputeerde Staten later zullen verklaren, 'om ook daardoor een openlijk bewijs te geven, dat wijze verdraagzaam­heid in 's rijks hoofdstad haren zetel heeft' (3).

Minder had deze wijze verdraagzaamheid haar zetel in de geest van de pastoor. Niet genoeg dat hij een pand had weten te verwerven dat de eigenaars slechts node konden missen, meende hij nu ook rechten te kunnen laten gelden inzake het gebruik van aanpalende percelen. Met name ging hij zich verzetten tegen de door zijn toedoen noodzakelijk geworden verdere uitbouw van het Stads Zijdewind­huis, dat naast zijn toekomstige kerk lag. B en W waren namelijk alleen tot afstand bereid indien de pastoor f 10.000 bijdroeg aan de verbouwing van dit pand dat, tot dusverre slechts ten dele als zodanig gebruikt, nu geheel tot kazerne ingericht moest wor­den.

Getier, gezang, dartele aanranding

Van der Lugt wijst B en W's opvatting verontwaar­digd van de hand. 'Onbillijk dog zou het zijn, mijne Gemeente uittenodigen, om hare liefdegiften (. . .) te besteden, (. . .) kan er wel iets ongeschikter, voor den H. Godsdienst onvoeglijker, voor den aandacht der kerkgangeren storender zijn, dan eene verblijfplaats van Militairen, alwaar rustelooze woeling, geduurig geraas, aanhoudend geschreeuw, getier, gezang, getrommel enz. dagelijks plaats hebben. (. . .) zou de stille kerkganger niet wel eens het voorwerp van bespotting worden? of het jonge meisje voor ligtzin­nige taal, zo niet soms voor dartele aanranding blootstaan? berekend men eindelijk het gevaar van brand en andere onheilen, die zo ligt door onvoor­zichtigheid van onbezonnen menschen kunnen ver­zaakt worden' (4).

Van der Lugt ontploft bijkans

Daarop volgt een nieuw gesprek tussen gouver­neur en pastoor, dat evenmin zeer vriendelijk ver­loopt. Als Tets de suggestie van B en W ter sprake brengt - 'men laat den soldaat op het Singel woe­len, raazen en tieren, terwijl de Vroome kerkganger in stille stemming langs de Handboogstraat ingaat waar hij door niemand gestoort of verhinderd wordt' - ontploft Van der Lugt bijkans van woede. Naar eigen zeggen bijt hij zijn gesprekspartner toe: 'Hebben de verdrukte katholijken niet lang genoeg op zolders hunne godsdiensten moeten uitoefenen, en langs gangen en stegen als kwaaddoeners in hunne hooien - want den naam van kerken mogen zij niet voeren - inkruijpen. Hebben zij niet lang genoeg den dweep- en vervolgzuchtigen ten doel gestaan? En zal nu Mijnheer de Gouverneur in de dagen, waarin men niet roemt dan op toegevende verdraagzaamheid, op het koesteren van liberale beginselen; in de dagen waarin de vorst gelijke reg­ten aan alle godsdienstige gezindheden verspreekt, waarin men gene predominerende kerk meer erkent, aan mij zeggen: 'uwe geloofsgenooten kunnen langs eene gang in hunne kerk gaan? - Neen Mijnheer de Gouverneur: liever gene kerk, hoe onontbeerlijk die zij, als toegeven aan hetgene uwe Excellentie mij in deze verlichte dagen durft voorstellen. Wanneer ik eene kerk bouw zal ik mijne Geloofsgenooten eene deftige en voor allen zichtbare ingang openen, tot spijt van ieder die onverdraagzaam denkt'.

Opnieuw Den Haag

Tets besluit de kwestie weer terug te spelen naar Den Haag. Het stadsbestuur, zo bericht hij daarbij, heeft het gelijk geheel aan zijn zijde. Toen hij verno­men had dat de stad vroeger wel f 1800 aan jaar huur voor het bewuste pand had ontvangen; dat men er na een eenvoudige verbouwing, tot teken­school bijvoorbeeld, bijna het dubbele voor had kun­nen vragen; dat men deze voordelen indertijd ten bate van een centrale kazerne opgeofferd had; dat de lutheranen voor een soortgelijk gebouw van de stad liefst f 75.000 in contanten neergeteld hadden - toén meende hij dat het door de pastoor gewraakte voorstel juist van een bijzonder grote inschikkelijkheid getuigde. Daarentegen vond hij de nieuwe eis van de pastoor, dat de kazerne naast zijn deur zou verdwijnen, aan het buitensporige grenzen. Tevergeefs had hij, Tets, zich dan ook uitgeput om Van der Lugt daarvan te overtuigen.

Wat de pastoor zijns inziens zo hardnekkig aan het West-Indisch Binnenhuis doet vasthouden, is de vrees voor concurrentie van zijn col lega's bij - onvermijdelijk - verder verval van de schuilkerk. Nieuwbouw is meer voor hém dan voor zijn gemeente van belang, omdat zijn parochianen ook elders in de stad wel terecht zouden kunnen. Dat is ook de reden waarom de pastoors van naburige sta­ties, vooral die van het Maagdenhuis, Van der Lugts keuze 'misprijzen, en dat alzo, hoop en vrees, dat een fraay, nieuw kerkgebouw op den toevloed der parochianen zal invloed hebben, de verschillende belanghebbende(n) ten dezen agiteerd'. Hoe dan ook, de pastoor dient de voorwaarden van B en W te accepteren of van het verlangde af te zien.Hoemeer men toegeeft, hoe meer Van der Lugt verlangt. In géén geval mag de koning zich dan ook door 'deze of soortelijke insimulatien van den requestrant' van de wijs laten brengen. (6).

Door de bocht!

Koning Willem I gelast het stadsbestuur echter toch weer inschikkelijker te zijn, maar dit blijft deze keer resoluut bij zijn standpunt. Derhalve moet de tegenpartij door de bocht. Maar eerst na aanhou­dende pressie van een hoge ministerieambtenaar, zijn vriend Piet van Ghert, gaat de pastoor 21 sep­tember 1816 zuchtend met de gestelde voorwaarden akkoord, eindelijk begrijpend dat er niet meer voor hem in zit. Niets staat dan de bouw van zijn kerk meer in de weg.

Waar niet anders aangegeven, zijn citaten ontleend aan een eigenhandig verslag van Van der Lugt (GAA 740: 868). Buiten archiefmateriaal is gebruik gemaakt van:
- J.C. van der Loos, Geschiedenis der voormalige St Catharinakerk te Amsterdam. Amsterdam 1936.

Noten

1. Brief Pastoor aan Binnenlandse Zaken, 7-9-1815, Provinciaal Bestuur 67: 1 7-9-1815 nr. 937.
2. Brief Binnenlandse Zaken aan Gouverneur, 13-9 1815, Provinciaal Bestuur 67: 17-9-1815 nr. 937.
3. Brief Gedeputeerde Staten aan R K 10 12-1818 nr 35, Provinciaal Bestuur 3019.
4. Brief Pastoor aan Gouverneur, 15 10-1815, Provinciaal Bestuur 72: 26-10-1815 nr. 937.
5. Brief B en W aan Gouverneur, 25-10 1815, Provinciaal Bestuur 72: 26-10-1815 nr. 937.
6. BriefGouverneur aan Binnenlandse Zaken 10 11-1815, R.K. Ere 2. dossier 97.

Foto header: Koningsplein gezien in noordoostelijke richting naar Singel en Heiligeweg - Stadsarchief Amsterdam