“Het is het armelijk koninkrijk van droefduistere krotten en sloppen. Het krioelt er van kinderen in vodden-klêren. Er heerscht over het algemeen een verschrikkelijke atmospheer (…) er zijn plekken waar letterlijk de ellende zich ophoopt.” Dat schreef Israël Querido in 1931 over de Jordaan. Amsterdam kende rond 1900 totaal verloederde buurten. De Jordaan was er een van, maar ook de Jodenhoek was berucht. Het was de tijd waarin wetenschappelijke rapporten en sociale geschriften bol stonden over het gebrek aan huiselijke hygiëne en mensonwaardige leefomstandigheden. Sociaal bewogenen streden voor verbetering van arbeiderswoningen. De oude buurten moesten op de schop. Woningen moesten gesloopt en grachten gedempt. Dat daarmee ook het pittoreske stadsbeeld verloren zou gaan, deerde ze niet.
Christianne Smit toont in het tijdschrift De Negentiende Eeuw dat niet iedereen deze mening deelde. Een kunstenaar als Willem Witsen zag de verloedering van de wijken bijvoorbeeld als absolute schoonheid. In een brief schreef hij eind 1897: “Er is ’n buurtje bij (…) een brok huizen en lucht en vuil water, dat water dat je zoo veel zou kunnen vertellen, fisionomiën van Amsterdamsche huizen (…). De menschen zijn daarin als de ratten in ’t water; je ziet ze nauwelijks, ze zijn je onverschillig maar ze hooren erin.” Inderdaad gaat alle aandacht op zijn schilderijen uit naar de vervallen huizen. Ze zijn somber en verstild, mensen zijn er weinig te zien. Blijkbaar had hij geen interesse in de ‘sociale quastie’.

Christianne Smit, ‘Het heele luidloos-rottend ellende-monument der hoofdstad’. Aandacht voor sloppen in Amsterdam. In: De Negentiende Eeuw, 28 (2) juni 2004, 166-181.

Emma Los

Maart 2005

Beeld: Goudsbloemstraat 147-149, 1895. Collectie Beeldbank Archief Amsterdam.