Dinsdag 22 mei 1923. Met blij gemoed stroomden de dames en heren de Nieuwe Kerk binnen. Eindelijk kreeg de beroemdste Amsterdamse predikant en dichter, dominee Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1819-1889), zijn gedenksteen. Dominee Piet le Roy gaf een lofzang. Vanaf dezelfde gebeeldhouwde preekstoel had Ten Kate, zei hij, “met een stem die klonk als een zilveren klok” getuigd van zijn liefde voor God. “Hij is geweest een prediker en een zanger: een prediker zeker niet in het minst. Hoe lief was dezen zanger deze kerk, in de schaduw waarvan hij bijna 30 jaar de gemeente geleid heeft. In een niet zeer geestige boutade was indertijd te lezen: ‘Dicht op, dicht op, Ten Kate, Gij kunt het toch niet laten.’ De spotter begreep niet dat hij hiermeê de hoogste eer gaf aan den apostel des Heeren, die niet kon nalaten te spreken van hetgeen hem vervulde.” Le Roy citeerde uit een gedicht van de Tachtiger Frederik van Eeden. Alleen niet geheel juist. De regels luidden: “Zing op! Zing op! Ten Kate / (Gij kunt het toch niet laten).”

Lang voor Van Eeden die spottende regels schreef, was Ten Kate een geëerd, productief en ook financieel succesvol dichter. Hij studeerde theologie in Leiden en werkte als predikant op Marken, in Middelburg en in Amsterdam, waar hij in 1860 in de Nieuwe Kerk werd aangesteld. Ten Kate hoorde met Nicolaas Beets, Johannes Petrus Hasebroek, Eliza Laurillard en Bernard ter Haar tot de ‘dominee-dichters’, die fraaie, maar ook hoogdravend moralistische poëzie schreven – waar de Tachtigers zich later tegen keerden. Zijn bekendste gedicht was ‘De Schepping’ (1866), dat hij met veel succes voordroeg op tournee door het land. Hij vertaalde onder meer de sprookjes van Hans Christian Andersen (op rijm), de fabels van Jean de La Fontaine, Paradise Lost van John Milton en Faust van Johann Wolfgang von Goethe.

Roem

Als kanselredenaar genoot Ten Kate een grote reputatie. Op zondag 5 augustus 1877 hoorde domineeszoon Vincent van Gogh hem preken in de Eilandskerk aan de Bickersgracht. Hij schreef aan broer Theo: “Het was eene zeer volle kerk [...]. Zijne stem had soms klanken en uitdrukkingen als die van Pa en hij sprak zeer goed en uit een overvol hart en, hoewel de preek niet kort was, de kerk was uit voor men het wist bijna, want zijn woord boeide zoo dat men aan geen tijd dacht.”

Ten Kate groeide uit tot een nationale beroemdheid.Op zijn ziekbed in 1889 kwam burgemeester Gijsbert van Tienhoven hoogstpersoonlijk langs in het prachtige huis aan de Vondelstraat om de dichtende dominee te huldigen. Koning Willem III schonk hem een ridderorde en koningin Emma zond een portret van haarzelf en van het jonge prinsesje Wilhelmina. Een paar dagen later, op Tweede Kerstdag 1889, overleed Ten Kate. De belangstelling tijdens de begrafenis was overweldigend.

Twintig jaar verder was zijn roem al flink verbleekt. Op maandag 29 december 1919 vond in de Engelse kerk op het Begijnhof de herdenking plaats van Ten Kate’s honderdste geboortedag. Hij was, zoals de Haagse feestredenaar Francis van Gheel Gildemeester zijn toehoorders in de stampvolle kerk voorhield, ten onrechte bij het grote publiek in vergetelheid geraakt. De bespotting door Willem Kloos, Frederik van Eeden en vele anderen had zijn reputatie onherstelbaar beschadigd. Daarom gaf het Ten Kate Comité in een circulaire nog maar eens aan wat de veelschrijver allemaal gepresteerd had: “Weinigen zijn door de kritiek zoo onheusch bejegend als de dichter van ‘De Schepping’, ‘De Planeten’, ‘De Nieuwe Kerk’[...], de jonge dichter van ‘Braga’, die ’t onnatuurlijke en onnederlandsche in de letterkunde van zijn studentenjaren zoo kostelijk met zijn scherts de les heeft gelezen.”

Spotternij

Eind 1885 was Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland verschenen. De omslag vermeldde als auteur “Cornelis Paradijs, Oud-Makelaar in Granen” en de “voorrede [was] van Sebastiaan Slaap”. Cornelis Paradijs was het pseudoniem van Frederik van Eeden en achter Slaap ging Willem Kloos schuil. Predikanten en oud-predikanten werden bespot. Een groot aantal vileine coupletten was gewijd aan Ten Kate: Maar, Goddank! zingt nu cantaten.../ Daar komt J.J.L. ten Kate!/ Dankt den Heer met snarenspel/ Voor Ten Kate, J.J.L.. En de regels die Leroy in 1923 zou citeren: Zing op! Zing op! ten Kate!/ (Gij kunt het toch niet laten)/ Laaf onze ziel aan Harmonie,/ Al wat gij zingt is Poëzie!/ Zing dartel, speelsch of vroom van zinnen/ Op kerken, vorsten of vorstinnen,/ Wij minnen alles wat gij doet:/ Want wat ten Kate schrijft is goed!

Het Ten Kate Comité schreef het al: zelf kon Ten Kate er overigens ook wel wat van als spotdichter, in zijn studententijd. Hij had in 1842 met Anthony Winkler Prins het veertiendaagse tijdschrift Braga opgericht. In alle nummers “werd gehekeld en gespot, gegeseld en gelachen”, memoreerde Winkler Prins bij de heruitgave in 1883.

Ten tijde van de herdenking in 1919 hadden Van Eeden en Kloos hun mening inmiddels herzien. Frederik van Eeden reageerde op 3 januari 1920 in weekblad De Amsterdammer op de bijeenkomst in de Begijnhofkerk: “Ik heb een studenten-tijd gehad […] Ik heb mee-gedaan aan fuiven en baldadigheeden met heimelijke afkeer, en een gevolg van stijgende schaamte. En tot die dingen, waarvoor ik toen te oud en te wijs had behooren te zijn, reeken ik ook: mijn spotternij teegenoover drie eerbiedwaardige mannen, Nicolaas Beets, Allard Pierson en J.J.L. ten Kate. […] Men neeme nu ten Kate’s verzen nog eens ter hand, en men zal zien dat het meer is dan vlotte rijmelarij.” Willem Kloos had al tien jaar eerder in De Nieuwe Gids afstand genomen van zijn aanvallen op de domineespoëzie.

Ambitieus

Het Ten Kate Comité was niet zonder ambitie. Alleen een herdenking en een feestavond waren te karig: een ‘keurbundel’ moest er komen en in de Nieuwe Kerk, waar Ten Kate decennialang gepreekt had, een gedenkplaat. Voor dat alles was geld nodig. Er ging een bedelbrief uit, maar het inzamelen wilde niet vlotten. De giften van bekende Nederlanders als koningin-moeder Emma (zij stortte op 22 december 1919 f 50,-), voormalig hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad Charles Boissevain (f15,-) en de jonkheerbankiers Willem Hendrik van Loon (f25,-) en Willem Frederik Röell (f10,-) waren bij lange na niet voldoende. In april 1922 ontbraken er nog “enkele honderden guldens”.

Opnieuw trad het comité naar buiten: “In December 1919 hebben wij den honderdsten jaardag gevierd der geboorte van den dichter J.J.L. ten Kate. Verblijdend was daarbij op te merken, hoe de liefde voor dezen dichter de afbrekende critiek tot op zekere hoogte overwonnen heeft [...]. In Engeland zou een dichter als Ten Kate een plaats in den Poets-corner in Westminster hebben – maar wij hebben geen Westminster Abdij. Neen, maar wij hebben de Nieuwe Kerk, de ‘kerkkoninginne’ te Amsterdam, door hemzelven zoo schoon bezongen. Welnu, in die kerk moet een gedenksteen geplaatst worden aan ’s dichters nagedachtenis gewijd. Wij wenschen een beroep te doen op Uw vaderlandsch gevoel en op Uwe liefde voor onze Nederlandsche taal.”

Cornelis Valentyn van Noppen, oud-medewerker van het orthodox-protestantse maandblad Bloesem en Vrucht, nam de uitgave van de bundel op zich. In 1922 lag Jan Jakob Lodewijk ten Kate. Keurgedichten in de winkel. Uit het voorwoord: “Onze tijd voelt en uit zich anders in vele opzichten dan ’t geslacht vóór ’80. Daarom kan hij [Ten Kate] de dichter van onzen tijd niet zijn. Hij behoort tot een afgesloten tijdperk en ontwikkeling van onze letterkunde. Toch heeft hij […] nagelaten wat nog belangstelling en genot kan verschaffen. […] ’t Is een gelukkig verschijnsel dat twee voormannen van de richting van ’80 ’t dichterschap van Ten Kate hebben erkend. Eert ze beiden: Kloos en Van Eeden, al is de laatste wel wat laat met zijn aanbeveling gekomen.”

Euveldaad

Het architectenbureau van vader en zoon Christiaan Bernard Posthumus Meyjes kreeg opdracht tot het ontwerpen van een plaquette. Geldgebrek werkte vertragend en het overlijden van Meyjes senior in 1922 deed vrezen dat alle inspanningen voor niets waren, maar in 1923 konden eindelijk de uitnodigingen toch de deur uit. Burgemeester Willem de Vlugt zond zijn echtgenote, en jonkheer Röell, die in 1919 nog zo diep in de buidel had getast, was helaas “niet in de gelegenheid” de bijeenkomst bij te wonen. Koningin-moeder Emma “tot Hoogstderzelven leedwezen” evenmin, liet haar secretaris weten. Prins Hendrik bedankte op 16 mei en koningin Wilhelmina stuurde een bericht van verhindering gedateerd “Het Loo, 23 mei 1923” – de dag na de plechtigheid.

Wie in de Nieuwe Kerk de gedenkplaat zoekt, zal niets vinden. Tijdens een van de vele verbouwingen is de plaquette, die in mei 1923 ergens op een pilaar bevestigd was, verwijderd en sindsdien spoorloos. Ten Kate’s grafsteen op de Nieuwe Ooster verdween in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Die euveldaad is goedgemaakt: op 22 september 2010 is op de Nieuwe Ooster een nieuwe grafsteen voor de dichtende dominee onthuld. Zijn naam leeft voort in de Ten Katestraat en de Ten Katemarkt.

PETER JANZEN IS HISTORICUS.

Septembernummer 2020

Beeld: Ten Kate, Collectie Rijksmuseum