Vanaf eind 16de-eeuw kwamen er steeds meer mensen van Afrikaanse afkomst naar Amsterdam. Bedienden, sommige van hen tot slaaf gemaakt, veel anderen als vrije mensen. Zeelui, bijvoorbeeld, of soldaten die met Johan Maurits van Nassau in Brazilië hadden gediend. Portugese Joodse families brachten ook zwarte bedienden mee, sommige families waren zelf van gemengde komaf.

Rond 1630 was er in de omgeving van de Jodenbreestraat zelfs een kleine zwarte gemeenschap ontstaan. Voor Rembrandt van Rijn, Govert Flinck en andere kunstenaars hebben die zwarte buren model gestaan voor talloze schilderijen. Vaak als bediende, bij een rijke witte familie, maar ook als omstanders in Bijbelse verhalen, als een van de Drie Koningen of als ‘exotisch type’ met een tulband of een oosters gewaad. Het Rembrandthuis wijdt deze maand voor het eerst aan hen een tentoonstelling.

Onderzoek naar die zwarte gemeenschap in Amsterdam leverde inmiddels informatie op over hun namen, maar van de tekeningen en schilderijen weten we in bijna alle gevallen niet welk gezicht bij welke naam hoort. Op drie na: de portretten van de Congolese gezant Dom Miguel de Castro en zijn twee bedienden, Pedro Sunda en Diego Bemba.

Zij werpen weer een heel ander beeld op de positie van zwarte mensen in de 17de eeuw. Dom Miguel was bepaald geen bediende: hij was een belangrijke diplomaat. Hij had namens de koning van Congo, Dom Garcia II, gouverneur Johan Maurits van Nassau in Brazilië bezocht, met een ‘geschenk’ van 200 slaafgemaakten.

Vervolgens was hij doorgereisd naar de Republiek met een brief voor stadhouder Frederik Hendrik. Hij arriveerde in 1643 eerst in Middelburg, waar de West-Indische Compagnie opdracht gaf om zes portretten te laten maken van de gezant en zijn bedienden, waarschijnlijk door de plaatselijke schilder Jasper Becx of diens broer Jeronimus. Dom Miguel draagt op dat portret de kleding die Johan Maurits hem in Brazilië cadeau had gedaan: een fluwelen mantel met zilveren en gouden boorden, een zijden rok en een beverhoed met gouden borduursels.

Amsterdam en Den Haag waren zijn volgende bestemmingen. In Amsterdam gaven de Congolezen voor het nieuwsgierige stadsbestuur een demonstratie van hun manier van dansen en vechten, ze lieten zien hoe ze eer betoonden aan hun vorst en showden olifantsstaarten, die ze als sieraad gebruikten. Op zijn beurt demonstreerde Dom Miguel de manier waarop een Congolese vorst zijn heerschappij liet gelden: door langdurig te zwijgen, zittend op zijn troon. Verder woonde Dom Miguel een katholieke mis bij en kreeg hij enkele hosties voor gebruik thuis, in Congo. Na bijna twee maanden keerde hij met zijn bedienden terug naar Afrika.

In 1644 kreeg Johan Maurits drie van de zes schilderijen cadeau van de WIC-kamer in Middelburg. Hij schonk die aan de koning van Denemarken. De twee in Ons Amsterdam afgebeelde portretten zijn van Dom Miguel de Castro (met hoed) en Pedro Sunda (met slagtand), door Jasper of Jeronimus Becx [niet afgebeeld vanwege auteursrechten).

Koen Kleijn

Maartnummer 2020