Martin Monnickendam kijkt ons recht aan vanonder zijn hoed. In zijn hand een schilderspalet en kwasten. Over zijn schouder blikt zijn zus Rachel Monnickendam naar het schilderij op de ezel die zich net buiten beeld bevindt. Haar hand rust op de rugleuning van Monnickendams stoel.

Dit dubbelportret is onlangs gerestaureerd: het is schoongemaakt, er zijn kleine beschadigingen hersteld, het doek is verstevigd en van een nieuwe lijst voorzien. De diepe kleuren en heldere lichtaccenten komen de kijker tegemoet: precies de kwaliteiten waar Martin Monnickendam om bekend staat.

Tweede prijs

Martijn (ofwel Martin) Monnickendam wordt in 1874 als tweede kind van vier geboren in Amsterdam. Zijn ouders Nathan Meijer Monnickendam en Roosje Rippe zijn welvarende, liberale Joden. Op de lagere school toont Monnickendam aanleg en belangstelling voor het kunstenaarschap; hij wordt meermaals de klas uitgestuurd omdat hij tekent in de les. Als hij zestien jaar is slaagt hij voor het toelatingsexamen van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Onder zijn studiegenoten zijn Lizzy Ansingh en Pieter Dupont, met wie hij langdurige vriendschappen sluit.

In 1895 vertrekt Monnickendam naar Parijs. Niet alleen breidt hij zijn netwerk uit, ook volgt hij colleges aan het Conservatoire des Arts et Metiers en deelt hij een atelier met zijn vriend Dupont. Om zijn verblijf te bekostigen verkoopt hij tekeningen. Enkele jaren later keert hij terug naar Amsterdam. Hij houdt atelier aan de De Ruyterstraat (tegenwoordig Lutmastraat) en wordt lid van de kunstenaarsverenigingen Arti et Amicitiae en St. Lucas.

Monnickendams doorbraak vindt echter niet in Nederland plaats. Hij exposeert en wint kunstenaarsprijzen in Spanje, Duitsland, België en Frankrijk. Driemaal dingt hij mee naar de befaamde Prix de Rome, maar wanneer hem bij zijn derde poging in 1901 de tweede prijs wordt toegekend, neemt hij die uit ontevredenheid niet aan.

In 1906 trouwt Monnickendam met Alice Mouzin, afkomstig uit Luxemburg. Mouzin is directrice van de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd aan de Weteringschans. Het stel ontmoet elkaar op een van de illustere soirees van schrijver en bohemien Jopie Breemer, in het ‘hol van Jopie’, aanvankelijk aan de Kerkstraat en later aan de Leidsegracht.

Impressionisme

Na haar huwelijk neemt Alice Monnickendam de zakelijke kant van de kunstenaarspraktijk van haar echtgenoot voor haar rekening. Ze onderhoudt de correspondentie met kunsthandels, opdrachtgevers en verzamelaars, regelt modellen voor Monnickendams leerlingen en houdt alle catalogi, recensies en andere documentatie bij. Martin en Alice Monnickendam krijgen twee dochters, Morarosa ofwel Roosje en Ruth Monnickendam. Hij legt ze meerdere malen liefdevol vast in verf.

Aan het begin van de twintigste eeuw boekt Monnickendam verschillende successen in Nederland. Hij exposeert regelmatig tijdens de ledententoonstellingen bij Arti et Amicitiae en St. Lucas waarbij de pers zich lovend uitlaat, vooral over zijn expressieve kleurgebruik. Het snel groeiend succes legt Monnickendam geen windeieren: zijn over het algemeen toch forse schilderijen verkopen goed en ook voor zijn portretten wordt aanzienlijk betaald, mede door de vasthoudendheid van Alice Monnickendam. Zijn talent wordt met prijzen erkend waarvan de Gouden Medaille van H.M. de Koningin voor het werk Salomé in 1913 de meest toonaangevende is.

Zijn aimabele persoonlijkheid zorgt ervoor dat Monnickendam een brede schare vrienden en bewonderaars om zich heen verzamelt. Hij onderhoudt vriendschappen met collega-kunstenaars, patronen en andere leden van de binnen- en buitenlandse kunstwereld, en is een graag geziene gast op feestelijke gelegenheden. Monnickendam is ook een gewaardeerd leraar: de schilder Marianne Franken, Monnickendams leerling aan het Internationaal Schildersatelier, memoreert zijn zachte en aanmoedigende manier van lesgeven, waaronder een grote kunde schuilging.

‘Ziellooze poppenmaskertjes’

De jubileumtentoonstelling ter ere van zijn vijftigste verjaardag in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1924 vormt een hoogtepunt in zijn carrière. De tentoonstelling resulteert in een stortvloed aan felicitaties en gelukwensen, en wordt in de publiciteit breed uitgemeten. Sommige kritieken zijn zelfs bij deze feestelijke gelegenheid niet mals: ‘Hij is op zijn vijftigste jaar toch niet meer dan een talent gebleven’ (Het Volk), ‘Zijn kinderkopjes zoo vaak verstarren in ziellooze poppenmaskertjes’ (De Tijd). Maar mooie woorden voeren de boventoon, zowel op de vele wenskaarten als in de pers: ‘Wanneer men de tentoonstelling bezoekt, (…), dan springt zijn werk dadelijk in het oog, hetzij het groot of klein is, omdat het iets zoo specifiek eigens bezit.’ (De Standaard).

Monnickendam staat bekend om zijn unieke kleurgebruik, maar hij laat zich moeilijk indelen in een bepaalde stroming of stijl. Zijn tijd aan de Rijksakademie wordt sterk beïnvloed door de toenmalige leiding van August Allebé, die een goede, degelijke ontwikkeling van de teken- en schildertechnieken voorstaat. Tijdens zijn verblijf in Parijs bouwt Monnickendam op deze basis verder door technieken uit het werk van impressionistische en post-impressionistische schilders over te nemen. Hij introduceert een lossere toets, meer beweging en dynamiek, sterk aanwezige lichtaccenten en levendige kleuren. Monnickendam werkt nauwkeurig en is ook zeker niet te beroerd om zelfs nadat een werk al tentoongesteld is, wijzigingen aan te brengen. Net zo lang tot hij tevreden is.

Alhoewel hij zichzelf typeert als een portrettist, laat hij zich daardoor zeker niet beperken. Hij schildert graag plekken waar grote groepen mensen bijeenkomen, zoals historische gebeurtenissen, bijeenkomsten en feestdagen onder andere van de Joodse gemeenschap in Amsterdam, het uitgaansleven, theatervoorstellingen. Hij vult het publiek soms aan door leden van zijn familie in de compositie te verwerken. Ook landschappen, stadsgezichten, stillevens en fantasievoorstellingen komen aan bod. Een aanzienlijk aantal schilderijen zijn tweemaal uitgevoerd: een versie in olieverf en een in aquarel.

Levensgenieter

Terug naar het dubbelportret. Rachel Monnickendam is de oudste zus van Martin Monnickendam. Er is helaas aanzienlijk minder over haar leven bekend dan over dat van haar broer. Tussen 1905 en 1908 werkt ze als verpleegster in het Binnengasthuis. Uit de ansichtkaarten die zij aan haar broer, schoonzus en nichtjes schrijft, blijkt dat zij in de jaren daarna veelvuldig reist: onder andere naar Londen, Buenos Aires, de Verenigde Staten en verschillende keren naar Parijs.

Uit de kaartjes komt het beeld van een cultuurliefhebber en levensgenieter naar voren. Ze bezoekt musea, theatervoorstellingen en cafés, speelt muziek en leest graag onder het genot van een sigaretje. Ze laat het echter ook niet na om even naar het welzijn van haar katten thuis te informeren. In Amsterdam komt ze regelmatig bij het gezin van haar broer over de vloer en ze onderhoudt een uitgebreide kennissenkring.

Wanneer de oorlog uitbreekt, woont Rachel in Haarlem. In augustus 1942 wordt ze gevangengezet in kamp Westerbork. Voor haar deportatie geeft ze een Hebreeuws gebedenboek, een roman van Oscar Wilde en twee vaasjes aan een bekende, waarschijnlijk als dank voor zijn hulp of om te bewaren. Die objecten zijn onlangs aan het museum geschonken.

Op 28 augustus wordt Rachel Monnickendam gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz, waar zedirect na aankomst op 31 augustus 1942 wordt vermoord. Martin Monnickendam overlijdt op 4 januari 1943 aan de gevolgen van een longontsteking.