Hij was daarin echter niet de enige. Dagelijks kon men in de dagbladen van die tijd lezen van de bezoeken, die honderd- en duizendtallen van werklieden, meest voor rekening van hun patroons, aan de internationale tentoonstelling brachten. In de 2e jaargang van ,,De Fabrieksbode", het ,,Weekblad der Nederlandsche Gist- en Spiritus- fabriek", zijn in de nummers 10 tot 30 (maart-juli 1883) herhaaldelijk berichten over deze tentoonstelling te vinden. Hoe zorgde de heer Van Marken er voor dat zijn personeel deze tentoonstelling kon bezoeken?

Een dergelijke organisatie vergde in die tijd - driekwart eeuw geleden - geheel andere maatregelen
dan nu. Wie dit jaar naar de wereldtentoonstelling in Brussel wil gaan, vindt vervoermiddelen te kust en te keur, op elke beurs ingesteld, om hem er te brengen. Wie enkele dagen in Brussel wil blijven, kan uit tal van logiesmogelijkheden zijn keus doen.

In 1883 lag dat voor een arbeider heel wat moeilijker. Toch bestonden ook toen al mogelijkheden. In ,,De Fabrieksbode" van 10 maart vinden wij het volgende daarover: ,,Vele werklieden zullen in den loop van dit jaar wenschen een bezoek te kunnen brengen aan de wereldtentoonstelling te Amsterdam. Een groote moeielijkheid deed echter velen twijfelen of het hun wel mogelijk zou zijn gevolg te geven aan hun voornemen: hoe toch aan logies te komen?'' Drie gulden vijf en zeventig cents per dag te betalen, kan wel een onmogelijkheid worden geacht en, zooals men in De Werkmansbode heeft kunnen lezen, werd in Amsterdam die prijs genoemd.

De heer Knuttel¹) schreef over deze zaak aan de heer B. H. Heldt en ontving naar aanleiding van dit schrijven het volgende bericht: ,,In de behoeften aan logies voor de werklieden tijdens de aanstaande tentoonstelling kan uitstekende wijze worden voorzien door de beschikbaarstelling voor dat doel van het passantenhuis. Daar is gelegenheid voor 400 à 500 personen. De kosten zullen hoogstens worden f1,50 per dag, waarvoor behalve nachtverblijf, ochtend-, middag- en avondeten: des morgens en des avonds voldoende brood met kaas en koffie, en des middags aardappelen met groenten, vleesch en bier. Het spreekt vanzelf, dat hier uitsluitend gerekend is op groepen van meerdere personen die gezamenlijk komen. Ook moeten de gasten zich als militairen behelpen op strozakken, doch dat is te doen. Alles is echter zindelijk."

,,Door deze maatregelen zijn bovengenoemde moeielijkheden weggenomen en kan men met gerustheid voortgaan telkens een kleinigheid ter zijde te leggen om tot verwezenlijking van het doel te geraken". De laatste zin is typerend voor de bemoeiïngen van Van Marken voor zijn personeel: hij deed graag veel voor hen, maar zij moesten er zelf ook iets voor over hebben; al zijn voorzieningen voor het personeel hadden een sterk pedagogische inslag.

Uit een ingezonden stuk in ,,Het Vaderland", dat in ,,De Fabrieksbode" van 16 juni 1883 wordt geciteerd, blijkt, dat de Gemeenteraad van Delft een verzoek van werklieden-verenigingen om subsidie voor het bezoeken der tentoonstelling heeft afgewezen. Terecht, volgens de inzender, achter wie zeer waarschijnlijk de heer Van Marken zelf mag worden gezocht, aangezien daarna verhaald wordt ,,hoe door een fabrikant hier ter stede is gehandeld ten opzichte van het bezoeken der tentoonstelling door zijn werklieden", waarop de bij de Gistfabriek toegepaste methode van sparen voor een bezoek aan de tentoonstelling wordt uiteengezet.

Wat kostte nu zo'n tweedaags bezoek aan Amsterdam? Retourbiljet trein f 1,90; logies en voeding f 3,20; tentoonstelling f0,50; de Surinaamse inboorlingen f0,25; Artis f 0,50; Panopticum f 0,50; diversen f 1.-; tezamen f 7,85 per persoon. Van dit bedrag betaalden deze bezoekers zelf f 3.- (dat sedert november 1882 voor dit doel was gespaard), het resterende betaalde de fabriek. Aanvankelijk werden voor dit bezoek ook nog 2 dagen vrijaf gegeven, met behoud van loon, mits de werkzaamheden in de fabriek dit toelieten. Later moest deze regeling worden ingetrokken om onbillijkheden te voorkomen tegenover de arbeiders, die niet naar Amsterdam konden of wilden gaan.

Aardig is te lezen, wat de Directie van de Gistfabriek in die tijd deed voor een dertiental leerlingen, jeugdige personeelsleden, die een speciale opleiding binnen de fabriek volgden. Veel geld om te reizen hadden deze jongens uiteraard niet. Daarom werd een ,,vierdaagsche reis" ontworpen, weliswaar door de onderneming betaald, maar waarbij de tocht naar Amsterdam grotendeels... te voet zou worden afgelegd.

De deelnemers, die onder de afwisselende leiding van de chef van de afdeling Belangen van het Personeel, van hun leermeester en van een baas uit de fabriek zouden reizen, beloofden na hun terugkomst hun belevenissen op papier te zetten. Deze opstellen, waarvan gedeelten in een verbindend artikel zijn opgenomen in ,,De Fabricksbode" van 28 juli 1883, zijn daarom zo aardig,
omdat men er Amsterdam in die tijd en de voetreis er heen door ziet met de ogen van een stel jongens in de leeftijd van ca. 15 jaar, en omdat men een opsomming krijgt van de bezienswaardigheden van Amsterdam, welke gedurende een tweetal dagen in 1883 in ogenschouw konden worden genomen. De opstellen zijn blijkbaar met alle fouten opgenomen. Hier volgt het relaas:

''Van onze dertien jeugdige reizigers hebben negen hunne indrukken op papier gesteld, of liever hunne wederwaardigheden op ,,de vierdaagsche reis" en bij ,,ons bezoek aan de hoofdstad" (zoo luiden de titels van een paar dezer opstellen) beschreven. Allen hebben blijkbaar hun best gedaan, hetgeen zij gezien en gedaan hebben, nauwkeurig weêr te geven. Het valt ons moeilijk een keus te doen, en één enkel opstel aan te wijzen, dat de beloofde opneming in De Fabrieksbode het meest waardig is. Wij mogen daarom aan niemand den voorrang gunnen, maar zullen uit elk der opstellen het een en ander mededeelen, dat tezamen een aaneengeschakeld verhaal van de reis vormt.

De 30ste Juni, zoo begint Willem Garenaat, werden de jongens uit de smeederij, uit de timmerloos,
van de kantoren, en uit de andere werkplaatsen bij den Directeur geroepen. Jongens, zoo sprak de Directeur, van daag over 14 dagen gij alle naar Amsterdam, en wel voor 4 dagen, maar, zoo gij niet oppast, gaat gij niet mee. Allen waren zeer verheugt, en nu hoopte ik, dat maar spoedig de scheurkalender 13 Juli wees. De dagen duurden erg lang.

Eindelijk, vervolgt Adriaan Wissenburg, was de avond vóór den 13 Juli aangebroken. Alles ingepakt,
klaar gemaakt en daarna spoedig naar bed. Rikketikketikketak ging 's morgens het wekkertje. In één sprong was ik uit bed en kleedde mij aan. Hè, wat een heerlijk vooruitzicht, zoo vier dagen uit stad te
gaan. Alles nog eens nagezien of ik niets vergeten had, en na mijn familie nog eens gegroet te hebben, vertrok ik van huis naar de Haagpoort, waar wij allen bij elkaar zouden komen. Klokslag van zessen was de bepaalde tijd waarop wij heen zouden gaan en niemand ontbrak dan ook.

Het was nu wel geen heel gunstig weder, schrijft Doris van der Meer, doch wij hoopten dat het wel ophelderen zou. Onze hoop werd dan ook verwezenlijkt want toen wij een eindje geloopen hadden kwam de zon door en werdt het weder zoo goed mogelijk. Het eerste plaatsje waar wij aankwamen was Voorburg. Wij aten daar de boterhammen die wij van huis medegenomen hadden op en dronken er een glas melk bij. Van Voorburg liepen wij weder door tot wij aan het Boschhek kwamen waar mijnheer Knuttel, die ons tot zoover begeleid had afscheid nam.

Een eind in het bosch, vertelt Willem Garenaat, stond een dikken boom, waarin verscheidene namen waren gesneden, en ook Ladestein. O, sprak de meester, die naam heeft mijn vader, toen hij een
jongen van een jaar of 15 à 16 was, er in gesneden. Na lang loopen kwamen wij eindelijk aan het huis ten Dijl. Daar kregen wij bier. Vandaar gingen wij verder naar Voorschoten, en zoo naar het hôtel de Vink, daar kregen wij weer bier. Bij het hotel de Vink was een speelplaats, daar hebben wij in gehangen. Van de Vink tot aan Leiden, hebben wij met de stoomtram gereden.
Leiden. Dat was nu die stad, roept Arthur Zufang in een oogenblik van weemoedige herinnering uit, waar eertijds onze dappere voorouders voor de wallen gesneuveld en velen van honger gestorven waren. Maar laten wij niet langer bij die treurige geschiedenis stilstaan.

Nu gingen wij, gaat Jules Zufang voort, naar de restauratie waar een stevig maal ons zeker wel zou
smaken. Allen waren reeds om de tafel geschaard en al ongeduldig dat de disch zoo lang weg bleef toen de juffrouw tot onze teleurstelling kwam zeggen dat niet op ons gerekend was, maar dat het eten over een uur zou gereed zijn. Intusschen werd besloten het Rijksmuseum van Oudheden te gaan bezichtigen. Tal van opgegraven beelden, afgoden van verschillende volken voorstellende, waren daar te zien. Vooral trokken de versteende lijken de aandacht, daar er zeker onder ons waren, die niet dachten dat zoo iets bestond. Verder waren er nog andere belangrijke voorwerpen, doch te veel om hier te vermelden. In Leiden ontmoetten wij nog het standbeeld van Boerhave, de groote geneeskundige, die overal bekend scheen te zijn. Tot bewijs diene dat hij dikwijls brieven
ontving die geadresseerd waren als volgt: ,,Boerhave in Europa". Van het museum komende, gingen wij weder naar de restauratie.

Wij aten daar overheerlijk, getuigt Sam Meihuizen, en vervolgt dan: De tijd naderde dat wij mijnheer
Hazelhorst van 't spoor af zouden halen. Na lang wachten kwam de trein aan, en gingen wij vergezeld van de laatstgenoemde naar Katwijk aan Zee. Plezierig liepen we de weg af, totdat wij de zee in 't gezicht kregen. Haastiger dan anders liepen er eenige van ons naar toe, trokken schoenen en kousen uit, en maakte spoedig kennis met het zeewater. Nu gingen we naar de wachtkamer van de stoomtram, wij stapten daarin en waren in een ommezien in Leiden. Wij waren moe, en hadden trek in eten, dus gingen wij naar het logement de Trasmolen op den Nieuwen Rijn. Daar kregen we een boterham en een glas bier en toen wij klaar waren gingen wij naar bed.

Den anderen morgen vroeg, verhaalt Chris van Veen, gingen wij op 't pad naar Haarlem. Hier en
daar zagen wij mooien buitenplaatsen. Even voor Lisse zagen wij een oud vervallen kasteel, thans toebehoorende aan Dirk de Ruiter. Te Lisse gekomen gebruikte wij een glas bier in de Witte zwaan, en daar er een paar van ons moe waren, stapte degene die moei was op de trem tot Bennebroek. De anderen gingen loopen. Ondertusschen gingen wij Hillegom voorbij en kwamen daarna in Bennebroek waar wij bij elkaar kwamen en even uitruste. Daarna rezen wij op en gingen verder en kwamen voorbij een Hartekamp van Baron Verschuur. Weldra bereikten wij de gedenknaald voor Witte van Haemstede op het Manpad. Ook zagen wij de waterleiding welke Amsterdam van heerlijk koud frisch water voorziet. Eindelijk kwamen wij aan den Hout en wel het eerstin de Spanjaarslaan die ons doet denken aan den tachtigjarigen oorlog die onze voorouderen zoo roemrijk ten einde brachten. Verder gaande zagen wij het gedenkteeken van Louwrens Janszoon Koster die zoo
als men vroeger dacht de boekdrukkunst heeft uitgevonden en misschien is het ook wel zoo. Doris van der Meer voegde bij zijn opstel een aardige teekening van dit monument.

Zoo wandelde wij, het is Frits Bloem, die thansspreekt, Haarlem in, nu ik kan niet anders zeggen
dan dat het een mooie stad is. Wij gingen eerst een glaasje bier drinken want wij hadden verschrikkelijke dorst; daarna gingen wij eerst naar het museum van schilderijen, de eerste zaal was enkeld van oude graven en gravinnen, meer zalen hebben we niet gezien, want wij hadden niet veel tijd meer.

Wij zagen daar ook, voegt Louw Koreneef er bij, een beleg uit Haarlem, waar de vrouwen de vijand
begoot met gloeiende olie in 1573. Wij zijn daar van daan naar het koffiehuis de Liefde gegaan, daar
hebben wij heerlijk gegeten en zijn van daar naar het spoor gewandelt, om met het spoor van 6 uur
54 minuten mede te rijden naar Amsterdam. Wij waren nouwelijks in Amsterdam of wij gingen de stad door om te zien waar wij de volgende dag heen moesten. Maar ijndelijk waren wij zoo moe dat wij op ons beene het mieliteren huis niet meer konden berijken. Maar vooraf waren wij bij menheer Schagen van Leeuwen geweest en werden daar vriendelijk ontvangen.

Wat een drukte is het hier in Amsterdam, roept Adriaan Wissenburg uit. Op den Dam aangekomen
zagen wij een verbazende drukte. Rijtuigen, trams, voetgangers, alles wemelt er bont dooreen. Voordat wij naar het Passantenhuis gingen, alwaar wij zouden logeeren wandelden wij nog eens om de tentoonstelling en zagen een Jonk (naam van een Chineesch oorlog en koopvaardijschip). Van daar gingen wij naar ons logement op de Lauriergracht. Op de zaal die tegelijk voor eet en slaapzaal dienst deed, aangekomen, stond het avondeten al klaar. Na dit gebruikt te hebben, gingen wij naar bed en sliepen door tot de volgende morgen, toen wij met regen opstonden. Doch het was weer spoedig opgeklaard, zoodat wij na ons ontbijt gebruikt te hebben naar den dierentuin (Artis) gingen. Wij kwamen langs het Thorbeckeplein met een stand-eeld van dien knappen staatsman, deontwerper der grondwet en langs het Rembrandtsplein met het standbeeld van den ,,Koning der schilders".

In Artis, verhaalt Jules Zufang, gaven de apen door hun vlugge sprongen en aardige manieren, de oliefanten door hunne kunstjes en tal van andere dieren dikwijls aanleiding tot lachen, terwijl daarentegen vele schoone vogels onze bewondering opwekte. In het Trippenhuis zagen wij de geschilderde doeken van onze beroemdste schilders. Onder andere de schuttersmaaltijd van B. van der Helst, de avondschool van Gerard Dou, de ouderliefde van Rubens en Jan de Lapper van Rembrandt, welke tegenwoordig schatten waard zijn.

Wij laten thans Arthur Zufang vervolgen: Daar hebben wij een paar prettige uurtjes doorgebracht, zeide een. Ja, maar van avond in het Panopticum, daar zal je wat anders beleven, en zoo wandelde men onder vroolijk gekouter voorbij het paleis des Konings naar het Y waar wij tal van schepen en stoombooten zagen aankomen en vertrekken. Na daar eenige tijd vertoefd te hebben, keerden wij naar het Passantenhuis terug. 's Avonds omstreeks zeven uren vertrokken wij naar het Panopticum. Daar was heel wat te bekijken. Vooreerst het Koninklijk Gezin, voorstellende de woonkamer van onzen Vorst met Vorstin en Prinses Wilhelmina, iets verder onze Koning als ridder der orde van den Kousenband. Dan ziet men een binnenhuis op Marken, stoelen, tafels, huissieraden, alles zooals men ze tegenwoordig op het eiland aantreft. Er zijn nog heel wat meer zaken te zien en alles
even mooi.

Zoo verhaalt Louw Koreneef nog: Ik heb de Miljoenenjuffrouw ook gezien en een jongen die zoo blij
was dat hij zijn eerste verdiensten had ontvangen. Daar lee ook nog een zangeres te hijgen. En Arthur Zufang besluit: Wij raden allen aan om eens naar het Panopticum te gaan, dan zal men zeggen: Neen, zoo iets had ik toch niet verwacht.

De volgende morgen, gaat Doris van der Meer verder, ontbeten wij eerst en gingen toen naar het
Vondelspark. Wij bezichtigden het standbeeld van de Prins onzer dichters en gingen toen naar het Panorama van Constantinopel. Toen wij het binnentraden konden wij ons niet voorstellen dat hetgeen wij voor ons zagen een schilderij was zoo groot was het en zulk een prachtig uitzicht hadden wij. Beneden was een schilderij van Salamanga waar generaal van der Heiden een kogel in zijn oog krijgt.

Toen naar de tentoonstelling, waarvan Piet van Kuijeren den indruk kort maar zaakrijk aldus weergeeft: Daar hebben wij gezien een diamantslijperij, bierbrouwerij, 't koningklijk Paviljoen, Rots, brandweer, Chineesche jonk, Machienerie, Bamboebrug, Telephoon, Japans theehuis en ook de kast van de fabriek.

Uitvoeriger - het meest uitvoerig van allen - is Sam Meihuizen. Eindelijk, zoo schrijft hij, gingen wij naar het voornaamste van onzen reis: namelijk naar de tentoonstelling. Nu hadden we oogen te weinig. Wat was er ontzettend veel! Veel te veel om op te noemen; maar gelukkig vonden we de inzending Ned. Gist- en Spiritusfabriek, van de Azijnfabriek van den Heer Schagen van Leeuwen en den Heer Knuttel. De zinken koepel van den Heer F. Braat en in het Paviljoen des Konings de kleeden van den Heer J. Heukensfeld en de vaten van de Heeren Graauwenhaan en De Kruijff. Verder zag ik het Standbeeld van J. P. Z. Koen, stichter van Batavia en het Atjeh monument. Modellen van Plantages, verschillende machines om hout en metaal te bewerken een papier machien een brandkast waar we met ons achtte in gestaan hebben. Een boulevard op 1/20 Huis met negen verzorgingsverdiepingen. De St. Jozefskerk, gesticht met bijgebouwen - een markt- enz. In de Koloniale afdeeling zagen we ook de tabaksplant, een tabaksloods, een Javaansch dorp, een Waterkasteel op Djocjokarta model en Karton van het Seminarie te Depok (vervaardigd door vier leerlingen van 't Seminarie). Allerlei soorten hout nootmuskaat, vuurtorens en dokken, spoorwagens

(in 't klein) van den Staatsspoorwegmaatschappij in Indie eerste-tweede-derde klasse, elke wagen geschikt voor 87 personen. Woningen uit Batavia. Javaansche hangbrug van bambou's zonder spijkers, paarden en karbouwstallen. Het muziek hebben we gehoord, van de inboorlingen. Ook zijn we geweest in de europeesche plantenkast. In de telephon concertkamer het muziek gehoord, dat in het tolhuis aan de overzijde van het IJ gespeeld werd, dus op een afstand van anderhalf uur. Ook bezochten wij het diamantenhuis en het Paviljoen van de stad Amsterdam, waar we veel teckeningen zagen. O.a. De brug over de amstel (de Koningsbrug) platen uit de geschiedenis en ook die welke op de villa 5) hangen.

Onder de teekeningen, door jongens gemaakt, was er één, zooals ik, een paar weken geleden een geteekend heb. De teekening die ik daar opmerkte, was geteekend door een leerling van kunstnijverheid teekenschool: verder de kollesale groote flesch uit de Amersfoortsche bierbrouwerij. Nu zijn wij gekomen aan de kunstgallerij waar prachtige schilderijen te zien zijn, voorstellende: Kaïn en Abel. Eene begrafenis van een militair, waarbij over het graf geschoten werd. Ook nog het standbeeld van Lodewijk van Nassau in de afdeeling Spanje (?).

Alles, wat ik er ook gezien heb, zoo vat Willem Garenaat zijn eindindruk van de tentoonstelling samen, het was alles even mooi. Om twaalf uur 's avonds kwamen wij te Delft aan. Daar stond meheer Knuttel en nog ouders van sommige jongens. Na afscheid nemen van elkander, mocht ieder naar zijn huis gaan. Toen ik thuis kwam, had ik geen monden genoeg om te spreken en den volgenden dag ook niet. Het eene had ik nog niet gezegd, of het andere werd weer aan mij gevraagd. Wel, spraken mijne ouders, verlangdet gij nog niet naar huis? Het antwoord was neen. Ook moet ik er dat nog bijschrijven, dat ik van Vrijdagochtent tot's Maandag s avonds, veel plezier heb gehad."

Ongetwijfeld moet deze reis de jongens hun hele leven zijn bijgebleven. Als ,,Ingezonden stuk" tekent ,,De Fabrieksbode" na de reis de volgende dankbtuiging op: Voor de vele genoegens, die wij mochten smaken op onze reis van Delft over Leiden en voor het bezoeken van Haarlem naar Amsterdam; de tentoonstelling, - het panopticum, - enz. enz., brengen wij aan onzen directeur, die ons daartoe in de gelegenheid stelde, onzen hartelijken dank".

,,En de vrouwen?" zal een lezeres ongetwijfeld willen weten, ,,werden die ook in de gelegenheid
gesteld de tentoonstelling te bezoeken?" In het reeds meerdere malen aangehaalde personeels-
blad van de Gistfabriek vinden wij daaromtrent een aanwijzing in een hoofdartikel van 15 september
1883 over,,Moeder de vrouw".

Er staat dan: ,,Uit onzen kring hebben velen de reis naar Amsterdam uit eigen beurs bekostigd. Van hier en van elders is manlief zich gaan verlustigen in het aanschouwen van de wonderen, door nijverheid en kunst van oost en west in Neêrlands schoone hoofdstad samengebracht, en hier en elders mocht moeder de thuis blijven. In de meeste gevallen kon dit zeker niet anders. De arbeid van den man kan in den regel zonder bezwaar voor een of twee dagen gestaakt of door anderen vervuld worden, maar moeders werkplaats staat nooit stil; zij is verstandig en liefhebbend genoeg om niet naar een verlof te hunkeren, dat Jantje en Kaatje, met hunne broertjes en zusjes, onmogelijk geven kunnen zonder hunne zaken in de war te zien loopen. Vader is gegaan en heeft plezier gehad; wij gunnen hem dit van harte; wij willen thans niet strijden over het practische nut dat voor den
werkman in een vluchtig bezoek aan eene zoo omvangrijke tentoonstelling kan gelegen zijn; maar wij geven dadelijk toe, dat eene afwisseling van het alledaagsche leven op elken mens weldadig kan werken, dat eene wereld als het hedendaagsche Amsterdam te zien geeft bij een ieder een grootschen indruk moet achterlaten. Moeder de vrouw heeft echter dat genot moeten ontberen; zij heeft haren arbeid, haar zorgen onafgebroken voortgezet! De zon der hoofdstad heeft voor haar niet geschenen; laat ons billijk zijn en haar bij deze gelegenheid eens in het zonnetje zetten der oprechte waar-
deering".

Hoewel het dan volgende gedeelte inderdaad de nodige loftuitingen bevat over ,,moeder de vrouw",
zal het voor menige van haar in die dagen toch maar een schrale troost geweest zijn, dat zij de wereldtentoonstelling niet heeft kunnen bezoeken. Maar ook dat is vandaag - gelukkig -
anders geworden!

Autuer: W. de Vries Wzn.

Beeld: Stadsarchief Amsterdam