“Akkoord, meheer, ’t was een moordenaar, een huisbreker, een dief, maar hij had een rechtvaardig edel hart; hij was allemachtig best voor armoeïge mensche; en mijn grootvader zaliger heit me dikkels verteld dat ie van z’n vader had gehoord, die ’m gekeune heit, dat Sjakoo zoo gezeit een edelaardig mensen was die alleen van de rijkdom gapte.” Dat beweerde tabakshandelaar en schrijver Justus van Maurik in 1886 in die woorden te hebben gehoord van een hoogbejaarde Elandsgracht-bewoner. Jaco als een soort Amsterdamse Robin Hood; dat beeld is sindsdien nog vaak geschetst, ook in Ons Amsterdam (1950, 1969, 1990). Als die reputatie al werd gerelativeerd, dan was hij tenminste toch een reeds bij leven legendarische bendeleider, die de autoriteiten steeds te slim af was. Dat onder meer door de in zijn ‘Fort’ gebouwde sluipgangen en valluiken, die hem in staat stelden, vermomd als oud vrouwtje, te ontvluchten als de schout hem kwam arresteren. Tot hij te roekeloos werd, wat uiteindelijk leidde tot zijn ondergang. Zo is het keer op keer verteld.
Waaraan is die wijsheid ontleend? En wat is ervan waar? Bar weinig, zo blijkt. Wie de moeite neemt om zich te verdiepen in de grote hoeveelheid archiefstukken, krijgt wel een fascinerend inkijkje in het leven aan de zelfkant in het Amsterdam van de 18de eeuw én in de grillige rechtspraktijk van die dagen.

Jaco heette Jacob Balck

Hoeveel onzin er ook over hem wordt verteld, bestáán heeft Jaco zeker wel. Op 6 augustus 1718 werd hij – berecht onder de naam Jacob Frederik Muller – levend geradbraakt en onthoofd. Overigens niet op de Nieuwmarkt, zoals Van Maurik schreef en tallozen overschreven, maar op de Dam. Daarna werd Jaco’s lichaam – of wat daar van over was - als vogelvoer opgehangen op het galgenveld op de Volewijk aan de overkant van het IJ.
De oudste bron van alle latere verhalen blijkt de in 1717 uitgegeven en daarna regelmatig heruitgegeven brochure Uitvoerig Verhaal van alle Feyten en Schelmstukken, gepleegt door Jacob Frederik Muller, Alias Jaco; Als mede, Zyn Proces Crimineel en Vonnis, Uytgesproken tot Amsterdam in den Jare 1717. Het bevatte een opsomming van zeven misdrijven waaraan Jaco zou hebben deelgenomen, allemaal buiten Amsterdam, al werd hij toch door Amsterdamse schepenen ter dood veroordeeld op 14 januari 1717. Jaco ging tegen dat vonnis in beroep. Dat zogenaamde Uitvoerig Verhaal is in hoofdzaak het pleidooi van de Amsterdamse aanklager om van het Hof van Holland bevestiging van het Amsterdamse vonnis te krijgen en dus per definitie een eenzijdig verhaal. Jaco’s advocaten komen daarin niet aan het woord en hoe het toeging in het eerste proces (Amsterdam) en de twee beroepsprocedures (Den Haag) blijft onbesproken; ook in de herdrukken van het pamflet. Wel werden in latere drukken steeds meer verzonnen details toegevoegd.
De afloop van het proces wordt wél verteld in het vlugschrift Sententie van den Vermaarden Jacob Frederik Muller, Alias Sjaco door het stadsbestuur omstreeks de executie in 1718 verspreid. Maar daarin hebben weinigen zich verdiept, en nog minder in de oorspronkelijke verhoorverslagen en de over Jaco gevoerde correspondentie tussen diverse stadsbesturen. Die bronnen leveren veel nieuwe inzichten op.
Jaco kwam niet uit Hamburg, zoals tot nu toe beweerd, maar uit Königsbergen. De naam Muller leende hij van zijn moeder; zijn vroeg verdwenen vader blijkt Jacob Balck geheten te hebben en hij dus ook. Omstreeks 1700 trok hij met zijn moeder in de tros van het Zweedse leger, waarin vader Balck diende, naar Stade bij Hamburg. Toen zij daar aankwamen, bleek Jaco’s vader zoek: gedeserteerd of gesneuveld. Kort daarna ontmoette Catharina Muller Johan Melchers uit Landau en toen in 1702 Jaco’s broer Johan Clement geboren was, verhuisde de hele familie naar Dokkum.
Johan senior was kleermaker, maar verdiende de kost vooral met bedelen. Hij bekwaamde zich met een andere familie in collecteren ‘op vals consent’ (met vervalste vergunning) voor afgebrande scholen, kerken, dorpen en hele steden in de oorlogsgebieden van die tijd. Dat was riskant, want ze maakten zich niet alleen schuldig aan bedelen zonder vergunning maar ook aan valsheid in geschrifte. Ze verlegden voortdurend hun werkterrein, over grote afstanden.
Jaco liep aanvankelijk mee met zijn stiefvader in het collectecircuit, diende een tijdje in een Zweeds regiment, deserteerde en kwam na 1710 terecht in een gezelschap van kruimeldieven uit het Rijnland. In het leger zal Jaco meerdere malen hebben meegemaakt dat er werd gedronken, gegokt en onderling gevochten. Bij een dobbelspel ging dat eens mis. Eén van de spelers kneep er tussenuit met de inzet. Hij werd tijdens de Amsterdamse kermis op 13 oktober 1713 door zijn maten achterhaald en pardoes aan de degen geregen. Over Jaco’s aandeel bij deze afrekening maakten verschillende gerechten zich druk en toen Jaco in maart 1714 in Den Haag wegens een poging tot inbraak was opgepakt, ging het daaropvolgende proces vrijwel alleen over deze kermismoord. Zijn betrokkenheid kon niet worden bewezen en maar toch werd hij ‘poena proxima mortis’ (de dood het meest nabij), veroordeeld: met een strop om de hals gegeseld en gebrandmerkt onder de galg, 30 jaar tuchthuis en 30 jaar verbanning. Dit vonnis zou hem blijven achtervolgen.
Jaco ontsnapte kort daarna uit het Haagse tuchthuis en kwam via zijn vrienden terecht in een kleine kring van zware criminelen in Overijssel. Zij namen hem op in hun midden en met hen raakte hij in de loop van 1715 betrokken bij inbraken in Blankenham, op het Kampereiland, aan de Hogendijk (Spaarndammerdijk) buiten de Haarlemmerpoort, op het Jan Hanzenpad bij Amsterdam, bij Gouda, in Zevenhoven en tenslotte aan de Ringdijk bij het Rechthuis van de Watergraafsmeer. Dát waren de zaken waarvoor hij vanaf 1716 terechtstond, niet meer en niet minder. Al had hij zeker al eerder het een en ander uitgespookt, alle andere in de literatuur aan hem toegeschreven misdrijven werden gepleegd door zijn kornuiten zonder hem of zijn uit de duim gezogen.

Slachtoffer met machtige vrienden

De inbraak bij Lucas de Jong aan de Ringdijk, in de nacht van 29 op 30 december 1715, werd Jaco fataal. De Jong behoorde tot de kleine kring van rijke ‘ingelanden’, nauw verbonden aan het polderbestuur. Dat maakte deel uit van het Amsterdamse patriciaat. De aanval op één uit deze coterie, was een aanval op de hele Amsterdamse elite en dat kon niet ongewroken blijven. Balthasar Scott, als baljuw van de Watergraafsmeer kantoorhoudend in het Rechthuis en dus De Jongs buurman, was verantwoordelijk voor enkele zwaar aangezette advertenties in de Amsterdamse Courant, waarin om inlichtingen over Jaco werd verzocht.
Nadat een van Jaco’s maten in Overijssel was gepakt en door het Hoge Gerecht van graaf Adolf van Regteren te Almelo was berecht, kon ook Jaco op aanwijzing van Van Regteren in januari 1716 worden gearresteerd in herberg De Vergulde Wagen op het Haarlemmerplein, in bed met zijn ‘bijzit’ Griet Lommers. Al snel was duidelijk waar Jaco bij betrokken was en daarop eiste Scott van zijn Amsterdamse collega Ferdinand van Collen, dat Jaco niet in Almelo, maar in Amsterdam zou worden berecht.
Van Collen was hoofdofficier in een tijd van hevige rivaliteit binnen de stadsregering. De klieken rond de burgemeesters Jeronimus de Haze en Joan Corver streden om de macht. Van Collen was benoemd toen De Haze de overhand had, maar dat was weer voorbij en Scott maakte deel uit van de Corver-partij. Daarmee werd Jaco’s proces een politieke zaak. Van Collen kon noch de ene, noch de andere partij van zich vervreemden zonder zijn positie en die van zijn zoons te schaden. Hij moest uiterst behoedzaam manoeuvreren.
Scott had in de advertenties strafkwijtschelding beloofd aan mededaders die wilden praten. Jaco’s geliefde was min of meer vaste klant van justitie. Zij werd voor de schijn veroordeeld tot zes jaar Spinhuis en kreeg meteen strafuitsluiting aangeboden in ruil voor informatie. Prompt was zij niet meer te stuiten.
In dit proces gebeurden meer dingen die slecht strookten met de gebruikelijke procesregels. De strafuitsluiting was dubieus. Na ontkenning ‘onder tortuur’ (op de pijnbank) diende het vonnis te volgen, maar in plaats daarvan werd Jaco in afzondering in het Rasphuis op de Heiligeweg gezet. Hij werd nogmaals gepijnigd, ontsnapte in november, maar werd weer gepakt in een herberg buiten de Leidsepoort, waar hij wachtte op de afvaart van de trekschuit. Hij werd tenslotte veroordeeld in een strafproces naar regels van het civiele recht. Dat alles werd nodig geacht om tot een doodvonnis te komen, maar strookte niet met de sinds 1570 geldende Criminele Ordonnantiën. Het proces-Jaco is het enige dat op deze manier is gevoerd.
Jaco ging in beroep, maar toen dat te lang duurde en vooral te veel kostte, drong Amsterdam aan op een speciale wet die appèl van eerder publiek gestraften onmogelijk moest maken. Het Hof bracht positief advies uit over het wetsvoorstel, en leende de Amsterdamse argumenten: “misdadigers die een gevaar opleverden voor de samenleving, konden geen aanspraak maken op beroep.” Of bewijs was geleverd van Jaco’s schuld bleef in het midden.
De Hoge Raad maakte gehakt van de gebrekkige getuigenverklaringen. Ze betwijfelde weliswaar Jaco’s ‘handdadigheid’, maar achtte op 20 juli 1718 diens betrokkenheid wel bewezen. Het Amsterdamse vonnis werd nu bekrachtigd met een beroep op het beruchte plakkaat tegen bedelaars van 1614: Jaco had immers bekend een bedelaar te zijn, had geen verklaring voor zijn welstand en moest dus wel een dief zijn. Voor datzelfde misdrijf was hij al in 1714 veroordeeld, zodat gezien zijn recidivisme de doodstraf gerechtvaardigd werd geacht. Wel werd die iets gematigd; dat hij na het breken van al zijn botten een half uur zou moeten blijven liggen voordat zijn hoofd werd afgehakt, vond de Hoge Raad wat overdreven.
Voor de afwijzing van het revisieverzoek ontbreekt ieder behoorlijk argument. De Amsterdamse pressie was doorslaggevend. Dat Jaco een boef was lijdt geen twijfel, maar of hij - ook naar toenmalige maatstaven - een eerlijk proces heeft gehad, daar kunnen grote vraagtekens bij worden gezet.
Al in de krantenadvertenties van januari 1716 werd Jaco als hoofddader neergezet. Daarvoor ontbreekt bewijs. Zijn mededaders waren met elkaar en met weer anderen bij tal van zaken betrokken, waaraan Jaco part noch deel had. Als het ging om geweld, dan waren daar vooral anderen voor verantwoordelijk. Gemakshalve zijn toch alle namen en daden op één hoop geveegd, waardoor Jaco in de beeldvorming onterecht uitgroeide tot de leider van een bende.
Jaco’s familie liet zich door zijn lot niet afschrikken. Zijn moeder overleed weliswaar in 1716, twee jaar voor de executie van haar zoon, maar zijn stiefvader ging stug door met zijn collectes voor fictieve doelen. Als recidivisten stierven hij en Jaco’s halfbroer Johan in 1724 en 1730 aan de galg.

Geen Zwarte Bende en geen Fort

Het verhaal van Jaco is niet alleen bijzonder door de uitzonderlijke rechtsprocedures, maar ook door de manier waarop zijn verhaal bewaard bleef en werd uitgebouwd. Dat er in de 18de eeuw pamfletten werden verspreid was niet ongewoon. De echte mythevorming kwam op gang doordat Jaco al vroeg werd verbonden met de legendarische Franse bendeleider Cartouche die in 1721 in Parijs terechtgesteld werd. Bij gebrek aan eigen heldendom, deelde Jaco postuum in diens ‘glorie’.
Hij zou niettemin in de vergetelheid zijn geraakt, als de geliefde schrijver Jacob van Lennep hem niet in zijn roman Ferdinand Huyck (1840) had laten figureren als leider van ‘de Zwarte Bende’. Volksverteller Justus van Maurik bouwde het verhaal fantasievol uit, leentjebuur spelend bij volkshuisvestings-pionierster Hélène Mercier, die beeldend een Jordanees krottencomplex in de Elandsstraat beschreef. Daarbij deed Van Maurik alsof hij alwetende buurtbewoners citeerde, maar schrijvende tijdgenoten namen hem al niet serieus. Dat deed weinig af aan zijn populariteit, want schrijven kón hij.
Maar flauwekul was het wel. Er bestond nooit een Fort van Sjako. De ware Jaco verbleef met zijn ouders omstreeks 1708 in Amsterdam op andere adressen in zijstegen van de Warmoesstraat. En in het roerige jaar 1715 logeerde Jaco waarschijnlijk in de kroeg in de bocht van de Spaarndammerdijk waar zijn makker Jan Coenraads een tijd achter de tap stond, wellicht ook bij een andere kompaan op het Korte Bleekerspad en heel kort in De Vergulde Wagen aan het Smallepad op de hoek van het Haarlemmerplein. Op de Elandsgracht had Jaco niets te zoeken. Het complex, waar nu de nummers 71-77 staan, was toen in het bezit van de Gereformeerde Diaconie en van de keurige familie Magen. Die zouden dit soort huurders zeker niet hebben getolereerd.
En hoe zit het met dat uitschuifbare laddertje, die koevoet en die wapens in het Amsterdams Historisch Museum? Dat er van Jaco het een en ander in beslag is genomen staat vast, maar hooguit die koevoet kan authentiek zijn; de rest is in de gerechtelijke stukken niet terug te vinden. Er is bij de laatste inbraak wel een in tweeën gebroken rode timmermansladder gebruikt, maar die is klaarblijkelijk zoekgeraakt – of vertimmerd tot een uitschuifladdertje?
Het enige tastbare wat Jaco zelf heeft nagelaten is zijn handtekening op een van de appèlverzoeken.