De gemeentelijke archeologen van Amsterdam wroeten niet alleen inde stadsbodem. Ook het groene grasland buiten de stad zien zij als hun werkterrein. Zo ook de IJdoornpolder, die zich ten oosten van Durgerdam buiten de Uitdammerdijk in het IJmeer uitstrekt. Het is een beschermd natuurmonument en sinds 1928 in beheer van de Vereniging Natuurmonumenten.

De polder behoort tot het oude Waterlandse hoogveengebied dat voor agrarische doeleinden werd ontgonnen en waar zich in de 13de eeuw een nederzetting moet hebben bevonden. De vraag is waar deze middeleeuwse voorganger van het 15de-eeuwse dorp Durgerdam was gelegen. Om hierover duidelijkheid te krijgen, voerde de afdeling Archeologie van de dienst Amsterdam Beheer in 1999, in samenwerking met het onderzoeksbureau BIAX, een vijftiendaagse veldonderzoek uit. En niet zonder resultaat. Met grondboringen is voor het eerst de aanwezigheid van middeleeuwse huisplaatsen en (terp-)ophogingen aangetoond.

Booronderzoek in de natte oostelijke zone van de IJdoornpolder door archeoloog
Ron Tousain (L.) en 'archeobotanicus' Dirk van Smeerdijk.

De archeologische vondsten staan niet op zichzelf: ook de huidige bewoners van het eilandje voor de punt van de IJdoornpolder zijn een bewijs van de lange bewoningsgeschiedenis van dit buitendijkse weideland. Hierop staan een lichtbaken van Rijkswaterstaat en de woning van vuurtorenwachter Jan Engel. Sinds de aanstelling in 1826 van voorvader Jan Cornelis - een Durgerdammer visser - als "wachter bij de verlichting aan de Hoek van 't IJ" heeft de familie Engel onafgebroken zorg gedragen voor het scheepvaartbaken. Na 175 jaar woont er nog steeds een nazaat van diezelfde Engel op het eiland van IJdoorn.

De IJdoornpolder valt in het polderlandschap van Waterland op door zijn ligging buiten de Uitdammerdijk in het IJmeer. Het is een van de weinige buitendijkse voorlanden van de Zuiderzee die zijn overgebleven. Het driehoekige gebied van iets meer dan een vierkante kilometer bestaat uit twee afzonderlijke zones. In het westelijk deel ligt de eigenlijke polder (Grote IJdoorn), die twee derde van het terrein in beslag neemt en geheel wordt omgeven door een bakstenen zeewering.

De percelen grasland zijn in noordzuidstroken verkaveld en er staat één – vrij nieuwe - boerderij bij de dijk. Het oostelijke gebied (Kleine IJdoorn of Polderhoek) heeft geen zeewering en bestaat slechts deels uit grasland, dat verkaveld is in noordoost-zuidwest-blokken. Het land wordt door een verhoogde waterstand drassig gehouden om als broed- en pleisterplaats voor vogels te kunnen dienen. De randpercelen zijn tot watergebied vergraven; vooral dichtbij de Uitdammerdijk (dus in het noordelijkste deel) vindt men er waterplassen, rietmoerassen en bosjes. Voor de zuidoostelijke punt ligt het Vuurtoreneiland met daarop het baken waarnaar dit mini-eilandje is genoemd en ook bunkers en versterkingen van de Stelling van Amsterdam. Deze overblijfselen getuigen van een veelzijdige geschiedenis.

Middeleeuwse veenontginningen

De IJdoornpolder vindt zijn oorsprong in de 10de eeuw, toen men begon de veengronden van Waterland te ontginnen. Het natuurlijke landschap bestond uit grote hoogveenkussens, die werden doorkruist door veenriviertjes en kreken en omzoomd met riet en zelfs moerasbossen met wilgen en berken. Om het veen voor bewoning en akkerbouw geschikt te maken, was ontwatering cruciaal. Het veenland werd in stroken verkaveld door er evenwijdig lopende sloten te graven die op de natuurlijke waterlopen uitkwamen en zo het overtollige water afvoerden. De kolonisten stichtten nederzettingen en dorpen langs de veensloten om van daaruit de tussenliggende veenkussens open te leggen. Tegen het begin van de 13de eeuw was Waterland grotendeels in cultuur gebracht. In die tijd werden ook de eerste nadelige gevolgen van de ontginning voelbaar. Het maaiveld daalde door inklinking van het veen en de ontgonnen grond werd vaak zó drassig dat deze alleen nog geschikt was als grasland. (Het groene uiterlijk is trouwens tot op de dag van vandaag typerend voor Waterland.) De erosie werd versterkt door verwoestende stormvloeden die vanaf de 12de eeuw in hevigheid toenamen en stukken land verzwolgen. Als bescherming tegen het oprukkende water begon men toen met het aanleggen van een zeedijk rondom Waterland en langs het IJ. De bouw van dijken en dammen in de rivieren werd tot in de 15de eeuw voortgezet.

De huidige vorm en ligging van de IJdoornpolder lijken verband te houden met de verlegging van de Waterlandse zeedijk na de Sint Elisabethsvloed. Als gevolg van deze dramatische overstrooming, die in 1421 voor grote wateroverlast in Waterland zorgde, kregen “de goede luyden van IJdoren in Waterlandt” in 1422 toestemming voor een bedijking. De Uitdammerdijk werd opgeworpen en IJdoorn (of IJoord, zoals het land op historische kaarten staat aangeduid), kwam buitendijks te liggen. Tegelijkertijd werd de dam in de Durgerdammer Die ('die' is een van de middeleeuwse aanduidingen voor een veenstroom) verplaatst naar het tegenwoordige dorp Durgerdam. Aangenomen wordt dat de oorspronkelijke Durgerdam, die in de 14de eeuw onder de naam Ydoorningerdam bekendstond, wat zuidelijker gesitueerd was. De vroegste schriftelijke vermelding van die dam dateert uit 1375, maar het vermoeden bestaat dat hij onderdeel was van de oudste zeedijk van Waterland uit het einde van de 12de eeuw.

Archeoloog Jerzy Gawronski (rechts) en pollendeskundige Dirk van Smeerdijk
onderzoeken de bodem na een boring.

In de jaren zeventig en tachtig is een intensieve inventarisatie van bewonings- en ontginningsporen in Waterland uitgevoerd door het archeologisch instituut van de Universiteit van Amsterdam, de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN) en de stichting Regionaal Archeologisch Archiverings Project (RAAP). Door het onderzoeken van historische perceelsnamen trachtte men ook de bewoning van de IJdoornpolder te reconstrueren. Zekerheid is niet te krijgen, maar er zijn diverse aanwijzingen dat de oudste nederzetting in het westelijk deel van de polder lag. Hier weerspiegelt de van noord naar zuid lopende strookverkaveling nog de oorspronkelijke ontginning vanuit de oost- west-as van de Durgerdammer Die. De eerste bewoning bij de Ydoorninger- dam bestond uit een agrarische nederzetting die mogelijk haaks op de verkaveling stond. In dit IJoord kan zelfs een kerk of kapel hebben gestaan, zoals een beschrijving van de polderpercelen in 1550 suggereert. De tekst maakt melding van een "kercwech", waarop "landen gelegen in die poller omslach hebbende", maar waarheen die weg liep en waar de kerk lag is niet duidelijk.

Polder met weidegrond

Toen na 1422 de zeedijk en de dam belangrijker werden als vestigingsplaats, en het dorp Durgerdam ontstond, nam de bewoning in de polder langzamerhand af. Historische documenten die dit aantonen, ontbreken, maar kaarten wijzen erop dat de buitendijkse nederzetting in het midden van de 16de eeuw werd opgeheven. Een kaart van de situatie rond 1520 toont nog huisjes in het oostelijk deel van IJdoorn, dat werd aangeduid als de Polder- hoek, terwijl die op kaarten uit de tweede helft van de 16de eeuw (zoals die van Beeldsnijder uit 1575 of De Vyll uit 1588) ontbreken.

In de volgende eeuwen diende de buitenpolder vooral als weidegrond, die in de winter vaak blank stond. Er was geregeld sprake van wateroverlast. Sommige oude stormvloeden hebben duidelijk hun sporen nagelaten in het landschap: zo is bij dijkdoorbraken tijdens de Allerheiligenvloed in 1570 het Kinselmeer ten noordoosten van de polder ontstaan en houdt het drassige gebied in het oostelijke deel van de IJdoornpolder tegen de Uitdammerdijk waarschijnlijk verband met de watersnood van 1625, toen de Waterlandse dijk op verschillende plaatsen door- brak. Bij deze overstroming ontstond onder meer het Hoeckelingsgat (alias Nonnenbreek) aan de binnenkant van de zeedijk, en de Buitenbreek in IJdoorn, het meertje pal ten zuiden van de Uitdammerdijk. Het Hoeckelingsgat is rond 1964 gedempt om plaats te maken voor een recreatiegebied. De Buitenbreek is nu onderdeel van het natuurgebied. In het begin van de 19de eeuw kreeg de polder zijn huidige indeling met de aparte bakstenen ringdijk rond het westelijke deel. Deze extra bescherming binnen de polder is waarschijnlijk het antwoord op de zware stormvloed van 1825, die vooral aan de oostkant bij het Kinselmeer veel schade aanrichtte. De oorspronkelijke verkaveling bleef in het westelijk deel gehandhaafd. In het oostelijk deel kwam echter, tijdens een 19de-eeuwse poging tot inpoldering, een modern blokpatroon tot stand.

De verkenning van 1999 richtte zich op een reeks van percelen die vanwege hun naam historisch interessant zijn en daarnaast opvallende landschappelijke kenmerken hebben, zoals bulten in het grasland of kronkelende sloten. Er zijn 200 boringen uitgevoerd om een beeld te krijgen van de bodemopbouw en talloze slootkanten zijn nagelopen op de aanwezigheid van archeologische overblijfselen. De belangrijkste ontdekking was een terp-ophoging in de zuidpunt van de polder waarin aardewerk en slachtafval werden aangetroffen. Scherven van kogelpotten gaven aan dat de nederzetting niet voor ongeveer 1180 kon zijn ontstaan, terwijl enkele fragmenten van rood aardewerk en Duits steengoed erop wezen dat deze rond 1400 moest zijn verdwenen. Deze vindplaats biedt het eerste archeologische bewijs voor het bestaan van de nederzetting Ydoorningerdam buiten de huidige zeedijk, vanaf het einde van de 12de eeuw tot de Sint Elisabethsvloed in 1421.

Merkwaardig genoeg strookt de lokatie niet met de historische perceelsnamen die een wat noordelijker ligging van de bewoning veronderstellen. Ervan uitgaande dat de nederzetting was aangelegd van west naar oost, zet de reeks terpen of verhogingen zich waarschijnlijk voort in het drassige land voor het Vuurtoreneiland en ook voorbij de zeewering in het IJmeer. De vondst maakt verder duidelijk dat het 12de-eeuwse IJdoorn of IJoord groter was dan de huidige buitendijkse polder, die vooral aan de westkant zwaar is afgekalfd. Mogelijk stak de Waterlandse zeedijk hier, vóór de overstroming van 1421, als een halfcirkelvormige uitstulping in zee. De huidige kust met de inham voor Durgerdam en de punt in het IJmeer is het resultaat van de erosie die toen is opgetreden. Het water is met geweld de Durgerdammer Die binnengedrongen, heeft het omliggende veen weggeslagen en de terpen van Ydoorningerdam blank gezet.

Vuurtoren en fortificatie

Aan de geschiedenis van IJdoorn zitten nog andere kanten dan alleen agrarische. De polder maakte onderdeel uit van het stelsel van vuurbakens dat het Amsterdamse loodswezen - de Commissie van de Pilotage - vanaf de 18de eeuw realiseerde ten behoeve van de navigatie op de Zuiderzee en het IJ. De eerste vermelding van een kustverlichting op IJdoorn dateert van 1699, toen de Staten van Holland en West- Friesland besloten dat "op het IJe-oort een lantaarn wierde opgeregt". In 1700 werd begonnen met de bouw daarvan op het zuidelijkste puntje van de polder. Het ging om een stenen vuurtoren van ongeveer negentien meter hoogte met baaklantaarns die in 1702 door het Amsterdamse bedrijf van de uitvinder-schilder Jan van der Heijden - specialist op het gebied van straatlantaarns en brandspuiten - werden geplaatst. Uit het feit dat in 1745 en 1769 de beschoeiing rond het bouwsel moest worden gerepareerd, valt af te leiden dat het uiteinde van de polder zeer te lijden had van de golfslag van de Zuiderzee.

Aan het einde van de 18de eeuw was de erosie zó sterk dat de vuurtoren bijna helemaal door water werd omringd. Het is niet duidelijk of er toen al sprake was van een eiland, zoals nu. Wel suggereert de toen aanwezige brug dat het terrein rond de toren erg drassig was. Aan het einde van de 19de eeuw was het kustlicht inmiddels van IJdoorn gescheiden: in 1875 sprak men voor het eerst van het Vuurtoreneiland.
Het oude stenen bouwsel werd in 1893 vervangen door de huidige ijzeren kust- lichttoren. Er verrees ook een lichtwachterswoning, die tijdens de Duitse bezetting in 1940-1945 werd afgebroken en in 1951 op dezelfde plaats werd herbouwd. Een uit 1700 daterende marmeren gedenkplaat van de Amsterdamse pilotagecommissie in de buitenmuur van de woning herinnert nog aan de bouw van de eerste stenen vuurtoren.
IJdoorn was door zijn ligging niet alleen van belang als baken voor de scheepvaart, maar had ook een vitale strategische functie. In 1809 werd de vuurtoren onderdeel van de kustbatterij van de Amsterdamse fortificatie die door luitenant-generaal C.R.Th. baron Krayenhoff werd ontwikkeld. Tijdens het Franse bewind was hier tot 1813 een geschutspost ingericht om eventueel doorgedrongen Engelse schepen onder vuur te nemen. Als onderdeel van de waterverdedigingswerken werd tussen de ringdijk van de buitenpolder en de batterij van Krayenhoff een meertje aangelegd. Behalve de oostbatterij in IJdoorn had Durgerdam ook een geschutversterking aan de westkant, eveneens op een stukje buitendijks gelegen land (de Blauwe Hoek of Kottershaven). Op deze posten werd wachtgelopen door Nederlandse soldaten in Franse dienst. Zij werden ingescheept bij het Funen op de Oostelijke Eilanden (waar nu toepasselijk de Krayenhoffstraat ligt) en waren ingekwartierd in Schellingwoude. Dagelijks hadden twee schutters een etmaal lang dienst op de oostbatterij van IJdoorn, waar men weliswaar ver van de bewoonde wereld zat, maar blijkbaar een goed onderkomen had voor de nacht.

De punt van IJdoorn veranderde definitief in een eiland door de bouw van de vestingwerken die deel uitmaakten van de Stelling van Amsterdam. Tussen 1885 en 1894 werd het Vuurtoreneiland opgehoogd en werden er drie open geschutstellingen van beton gebouwd met drie betonnen schuilplaatsen, infanterieborstweringen, een stortsteenkade rondom het eiland en een hoofdgebouw. De militaire betekenis van het bolwerk verdween in 1904, toen het geschut werd ontmanteld; in 1959 werd IJdoorn formeel opgeheven als vestingwerk.

Cultuurhistorische polder

De IJdoornpolder heeft in de loop der eeuwen tal van gedaantewisselingen ondergaan door overstromingen, dijkdoorbraken en inpolderingsprojecten. Toch zijn er allerlei details verborgen in het grasland, zoals de vorm van sloten, hoogteverschillen en bodemopbouw, die herinneren aan het landschap van kronkelende veenkreken waar de middeleeuwse ontginning begon en de eerste bewoners zich vestigden. De IJdoornpolder blijkt in meerdere opzichten waardevol te zijn, niet alleen vanwege zijn natuurlijke kwaliteiten, maar juist ook vanwege verschillende cultuurhistorische overblijfselen uit vroeger tijden. Het bodemarchief bevat relicten uit de tijd van de middeleeuwse veenontginningen die zo bepalend zijn voor het platteland rond Amsterdam. Het huidige lichtbaken is, behalve een typisch 19de- eeuwse ijzerconstructie, een bouwwerk dat verbonden is met drie eeuwen kust bebakening voor de Amsterdamse scheepvaart en markeert de plaats van een oude stenen vuurtoren aan de Zuiderzee. Het Vuurtoreneiland is een overblijfsel van de oostbatterij van Durgerdam die deel uitmaakte van de 19de-eeuwse verdedigingslinie van Amsterdam, en herinnert aan de militaire rol die IJdoorn ooit speelde. Al deze eigenschappen en historische achtergronden samen geven het gebied een bijzondere betekenis.

Dr. J. Gawronski is medewerker van de Archeologische Dienst.

Header: Pieter Idserts Portier (1698-1781) maakte halverwege de 18de eeuw deze ingekleurde pentekening van de vuurtoren op IJdoorn.