In het najaar van 2004 kreeg het Joods Historisch Museum de kans een dertigtal schilderijen te verwerven van de kunstenaar Cornelis (Cor) Hund. Ook kreeg het museum toen ruim 100 tekeningen van de kunstenaar in langdurig bruikleen. Al deze werken uit de periode van 1937 tot 1941 verbeelden het leven op en rondom het Waterlooplein.

Deze aanwinst van tot voor kort onbekend werk vormde voor het museum de aanleiding tot de tentoonstelling O, Waterlooplein… De oude Amsterdamse Jodenbuurt, die vanaf 24 juni is te bezichtigen. De schilderijen en tekeningen van Hund worden er geëxposeerd samen met werk van andere kunstenaars uit de collectie van het museum, zoals van Eduard Frankfort, Johan Staller, Sal Meijer, Albert Hahn, de Duitse impressionist Max Liebermann en de Oostenrijkse fotograaf Wolf Suschitzky. De tentoonstelling, waar ook werken te zien zijn van onder anderen Martin Monnickendam en Willem Witsen, brengt de verschillende facetten in beeld van het leven in de Amsterdamse jodenbuurt van omstreeks 1900 tot aan de Tweede Wereldoorlog.

Het bestaan van de tekeningen en schilderijen van Hund, die vooral bekend is geworden als beeldhouwer, heeft velen verrast. Slechts een enkeling was ervan op de hoogte dat hij een zeer talentvol schilder is geweest. Pas in december 2003 liet Hund in aanwezigheid van een klein groepje liefhebbers en familieleden zijn schroom varen. Op dat gedenkwaardige moment kwam voor het eerst sinds 60 jaar een indrukwekkende reeks schilderijen te voorschijn, waarop de vooroorlogse Waterloopleinmarkt met voddenrapers, visverkopers, leerbewerkers en allerhande marktkramen weer tot leven kwam.

Hund schilderde in een traditionele stijl op de manier van de Amsterdamse School. Zijn kleurgebruik is sober en tamelijk donker, passend ook bij zijn onderwerpskeuze: het allerarmste joodse proletariaat dat met handel, vaak niet meer dan wat oud roest en vodden, een paar centen probeerde te verdienen. Hund schilderde deze mannen en vrouwen niet uit een romantisch gevoel voor ‘pittoreske armoede’, zoals in de 19de eeuw veel voorkwam, maar uit werkelijk gevoelde belangstelling. Achter elk werk gaat dan ook een verhaal schuil. Heel bijzonder zijn de portretten van de twee kinderen Philip (1926-1942) en Judith Corper (1928-1942). Ze kwamen dikwijls op zijn atelier en er ontstond een bijzondere vriendschap. Philip was toen twaalf jaar en bereidde zich voor op zijn bar mitswa, zijn zusje was twee jaar jonger. Hund heeft ze meermalen geschilderd en in hun portretten heeft hij niet alleen de karakters van de kinderen tot uitdrukking weten te brengen, maar ook de vriendschap die hij voor dit tweetal voelde. De schilderijen hebben daardoor een grote emotionele lading gekregen, voor de schilder zelf, maar ook voor de beschouwer die nu oog in oog staat met deze portretten. In 1942 zijn de kinderen samen met hun ouders, broers en zussen gedeporteerd en in Auschwitz omgebracht.

Hund stortte zich vanaf die tijd volledig op de beeldhouwkunst en raakte lange tijd geen penseel meer aan. Tekenen deed hij alleen nog ten behoeve van zijn beeldhouwwerken. De schilderijen en tekeningen van vóór 1942 werden weggeborgen. Zeker, er is ook werk bij particulieren terecht gekomen. Vooral portretten had hij vaak direct al weggegeven of voor een prikje verkocht. Er moet nog heel wat bij liefhebbers thuis te vinden zijn. Van een tentoonstelling is het tot op heden nooit gekomen. In de oorlog was er geen gelegenheid voor en daarna was Hund zo in de ban van de beeldhouwkunst, dat er geen plaats meer voor was. Uiteindelijk heeft het Rijksprentenkabinet in Amsterdam in 2003 als eerste museum een aantal tekeningen en aquarellen verworven. En nu bezit ook het Joods Historisch Museum een aanzienlijke collectie Hund-schilderijen.

Inspiratie in de reclame

Cor Hund werd op 1 december 1915 geboren in de Fokke Simonszstraat 20 tweehoog, nu een gapend gat in een verder intact rijtje huizen. Zijn moeder, de uit Ilpendam afkomstige Elisabeth Hartog, was zoals Hund het uitdrukt een “frisse, jonge vrouw uit de klei in Noord-Holland”. Zijn vader Cornelis Christiaan kwam uit een “intens arm gezin” van negen kinderen uit de Jordaan. Hij had een baan in de scheepsbouw in Noord. Door een ongeval op de werf – in de duisternis viel hij in een ruim van een schip – veranderde de situatie in het gezin ingrijpend. Vader was door de val blijvend invalide en werd afgekeurd voor het scheepsbouwbedrijf. Daardoor moest hij zijn gezin, dat inmiddels uitgebreid was met een zoon Pieter (1917), onderhouden met een (te) kleine uitkering. Hij probeerde de eindjes aan elkaar te knopen door samen met zijn vrouw thuis papieren puntzakjes te fabriceren en te verkopen aan de plaatselijke middenstand. Later vond hij werk als monteur van typemachines en rekenmachines. In 1921 en 1925 werden Frederik (Frits) en Elisabeth (Lies) geboren.

Met uitzondering van de jaren 1922-1923, waarin zijn vader in Groningen werkte, heeft Cor Hund zijn hele leven in Amsterdam doorgebracht. Op de lagere school op de Zeeburgerdijk (het gezin woonde toen op de Insulindeweg) kwam zijn aanleg voor tekenen aan het licht en het besluit naar de Amsterdamsche Grafische School te gaan was gauw genomen. Hoewel Cor nog veel te jong was voor deze opleiding, gevestigd op Weteringschans 187 (bij de Vijzelstraat, tegenover de speeltuin), wist zijn vader het hoofd van de school te vermurwen dat hij alvast met de lessen van onder anderen Hein Trompetter en Jan Ligter mocht meelopen. In 1931 behaalde Hund er zijn diploma als lithograaf.

Zijn eerste werk als graficus kreeg Cor bij H. Galema, die een reclamebureau had in de Tweede Jan Steenstraat 80. Niet zo’n zinvolle betrekking volgens Hund: “Ik leerde er geen bliksem. Ik moest koffie zetten en boodschappen doen; er werd veel gedronken en er kwam veel damesvisite.” Het enige indrukwekkende voor hem was dat het reclamebureau gevestigd was in een ruimte die vroeger bekend stond als de Jan Steenzolder: tussen 1904 en 1920 het atelier van de schilder Leo Gestel en een dynamische en inspirerende ontmoetingsplaats voor jonge kunstenaars.

In 1934 kwam Hund in dienst bij het gerenommeerde reclamebureau van Philip (Flip) van Alfen. Het bureau was gevestigd op Herengracht 615 in een dubbel patriciërshuis, het voormalige woonhuis van de bankier en maecenas A.C. Wertheim. De bekendste reclame die Van Alfen bedacht is die voor jamfabriek De Betuwe, waarvoor hij het figuurtje Flipje van Tiel creëerde. Hund maakte voor het bureau onder meer advertenties en etiketten. Hij beschrijft die tijd als een opwindende en inspirerende periode. Zo werkte er ook de Parijse reclametekenaar Jean Walter, een leerling van de beroemde ontwerper Cassandre. “We kwamen onder zijn invloed en werden toen even allemaal kleine Cassandres,” herinnert Hund zich. Walter introduceerde een Parijse, zelfs wereldse, attitude in het bureau. Dat zijn zuster Marie-Thérèse de maîtresse van Picasso was, was een pikante bijkomstigheid die hij graag met zijn medewerkers deelde. Het werkklimaat bij Van Alfen was vooral stimulerend doordat Hund de kamer deelde met andere jonge kunstenaars, onder wie Frans Hazeveld, Theo Kurpershoek en Nicolaas Wijnberg. Zij beïnvloedden elkaar sterk en zouden altijd bevriend blijven. Daar kwam nog bij dat Van Alfen Cors artistiek talent herkende. Hij spoorde hem aan op de Rijksakademie les te nemen, “als het werk op het reclamebureau maar af kwam”. Hund volgde er twee middagen in de week de lessen van Georg Rueter in modeltekenen en van H.J. Wolter in de vrije schilderkunst. In 1937 behaalde hij de Cohen Gosschalk-prijs met het schilderen van een “model op ware grootte”. Behalve de ƒ 100 die aan die prijs verbonden was, werd Cor in het juryrapport een ‘natuurtalent’ genoemd.

‘Huize Bob’

In deze periode van reclamebureau en Rijksakademie nam de drang zelf te creëren toe en Hund betrok in 1938 een groot atelier op Amstel 29, op de hoek van het Waterlooplein. Het gebouw stond bekend als het Casino, maar werd ook wel ‘Huize Bob’ genoemd naar de eigenaar, een corpulente joodse dansmeester. Het Casino had vanaf de jaren tachtig van de 19de eeuw geschiedenis gemaakt als huisvesting van diverse verenigingen voor de diamanthandel. Nadat in 1911 de nieuwe Diamantbeurs aan het Weesperplein gereedkwam, kon het pand een andere bestemming krijgen. Nico Wijnberg was een frequente bezoeker en gebruiker van Cors atelier, zo dicht bij de studio van Van Alfen gelegen, dat er vaak ook tussen de middag naar uitgeweken werd. Wijnberg beschrijft dit feestgebouw in zijn uitgegeven herinneringen: “Op de eerste etage was de feestzaal, daarboven waren twee verdiepingen met ateliers. […] Omdat mijn vriend Cor Hund, schilder en later beeldhouwer, daar de hele bovenste verdieping had gehuurd, kwam ik er vaak op visite niet alleen, maar ik schilderde er ook zo nu en dan.” Wijnberg vervolgt met een beschrijving van de vlottende bevolking van kunstenaars die op die twee atelierverdiepingen huisde, onder wie Hans van Norden, Lex Horn, Theo Kroeze, Han Bolte, Dick Zwier, Ad van der Weyden en Reyer Godefroi. Over Hund schrijft Wijnberg verder: “Voor een schilder als Cor Hund, begiftigd met een zeer sterk ontwikkeld gevoel voor sfeer en sentiment, was dit een ideale plek en al spoedig begon het lege atelier vol te lopen met een uitgebreid oeuvre. Tekeningen, aquarellen, schilderijen, van kleine tot flink grote, vaak van grote intensiteit. Stillevens met veel motieven van het plein beneden, stadsgezichten uit de jodenbuurt, maar toch altijd weer vooral de mensen. De grootste interesse van Cor gold toch de mensen uit de buurt, de talrijke joodse kinderen en de vaak indrukwekkende mannen en vrouwen op het plein: de twee meter hoge, schele, Chagall-achtige riemensnijder op z’n hoge Russische laarzen, de ‘kippenmoordenaar’, die helemaal onder het bloed en de witte kippenveren zat als hij uit zijn donker keldergewelf opdook, de talloze sjacheraars met hun grote zwarte vilthoeden, met hun humor en hun tegen-de-verdrukking-in-opgeruimdheid.”

Voor het schilderen van deze markttaferelen toog Hund niet zomaar met ezel, kwasten en tubes naar de markt om daar tussen de marktkooplui zijn doeken te schilderen. Daarvoor was hij te bescheiden en te verlegen. Hij zwierf rond met zijn schetsboek en noteerde daarin zijn indrukken. In zijn atelier werkte hij vervolgens zijn impressies uit. Om zo levensecht te schilderen en te tekenen op basis van herinnering, moet een kunstenaar wel over een fenomenaal visueel geheugen beschikken.

Herbezinning op het kunstenaarschap

In 1941/’42 besloot Cor Hund tot een wending in zijn loopbaan en werd beeldhouwer. Wat de motieven waren voor deze verandering is niet makkelijk te achterhalen. Zelf zegt hij erover dat hij aan zijn talent als schilder begon te twijfelen, dat hij weliswaar nog een tijd het vermogen behield om portretten te schilderen, maar dat ook daarbij de twijfel ten slotte toesloeg. Hoe het ook zij, er waren ook externe factoren die voldoende aanleiding konden zijn voor een herbezinning op zijn kunstenaarschap. Het feit alleen al dat het joodse leven, juist dat leven dat Hund interesseerde en waarmee hij zich verbonden voelde, geheel uit de stad werd weggevaagd, zou de ommezwaai begrijpelijk maken. In dezelfde periode leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen, de beeldend kunstenares Wilhelmina (Willie) Smit (1917-2001). Na hun huwelijk in 1942 verhuisde hij naar een woning op de Prins Hendrikkade en kort daarop naar de Plantage. Daar werden hun twee zoons geboren. In 1987 betrok Hund met zijn vrouw een atelierwoning in de Zomerdijkstraat. Daarnaast had hij vanaf begin jaren vijftig een beeldhouwatelier in een voormalig schoolgebouw in de Derde Wittenburgerdwarsstraat.

Van 1942 tot 1946 volgde Hund aan de Rijksacademie voor Beeldende kunsten de opleiding beeldhouwen bij de strenge, veeleisende prof. J. Bronner. Hij heeft altijd, zoals velen met hem, een ambivalente houding tegenover Bronner gehad. Er was een gevoel van grote bewondering en dankbaarheid, maar ook een sterke angst om tekort te schieten. Het was een tijd waarin Hund worstelde met de materie én met de autoriteit.

Toch rondde Hund zijn studie glansrijk af en behaalde in 1947 de Prix de Rome van de afdeling Monumentale en Versierende Beeldhouwkunst: een gouden medaille en een studiereis door Italië en Frankrijk. Vooral de middeleeuwse beeldhouwkunst waarmee hij tijdens die reis werd geconfronteerd, is van grote invloed geweest op zijn verdere ontwikkeling als beeldhouwer.

In Amsterdam kreeg hij zijn eerste grote opdrachten in 1948. Hij maakte in dat jaar de in hoog reliëf gebeeldhouwde eikenhouten deuren van de aula in de 5-jarige Meisjes hbs, thans de Scholengemeenschap Gerrit van der Veen, met taferelen uit Mei van Gorter én hij hakte in Franse kalksteen het beeld de Spaarzaamheid voor de Spaarbank voor de Stad Amsterdam. Het beeld staat nu in de hal van het Fortisbank-filiaal op Singel 548.

Tussen 1950 en 1969 werden Hunds beeldhouwwerken tentoongesteld op tientallen exposities, onder meer in het Haags Gemeentemuseum (1951) en in musea in Brussel en Luik (1952), waar zijn Kinderstoel was geëxposeerd, een beeld dat hijzelf als een van zijn beste beschouwt.

Hunds beeldhouwwerken bevinden zich onder andere in het Centraal Museum Utrecht, het Stedelijk Museum Amsterdam, het Van Abbemuseum in Eindhoven, en in de Rijkscollectie. Ook buiten aan de openbare weg zijn sculpturen te vinden, zoals Het Gezin in Alkmaar en een bronzen oorlogsmonument – een figuur die de vlag ontrolt – uit 1956 in Apeldoorn. Ook hakte hij vele monumentale reliëfs, zoals een gevelsteen voor de School voor Maatschappelijk Werksters in Groningen. Naast zijn werk als beeldhouwer heeft Hund altijd les gegeven: op de Koninklijke Academie in Den Haag (tot 1948), aan de Amsterdamse Rijksakademie en vanaf 1966 als buitengewoon hoogleraar in de Beeldende Kunsten en de Architectuur. In 1980 ging hij officieel met pensioen.

Sinds een jaar of tien is Cor Hund weer dagelijks aan het tekenen en aquarelleren. Eén ding is tot op de huidige dag in zijn werk overduidelijk: ongeacht het materiaal waarmee hij werkt, zijn mensen voor hem altijd de belangrijkste inspiratiebron gebleven.

Tekst: E. Wouthuysen

Juni 2005

Met dank aan Kees en Adriaan Hund, Dorien de Boer en Ilja Veldman.

Bronnen & literatuur

Gesprekken met Cor Hund, 2003-2005.

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag.

Marijn Schapelhouman, ‘Cornelis Hund, verborgen tekeningen’, Bulletin van het Rijksmuseum 51 (2003) nr. 4, p. 319-335.

Nicolaas Wijnberg, De hoed van Cézanne, memori inutile, onbruikbare herinneringen, Venlo/Antwerpen 1997.