Tobi Lakmaker is geboren en getogen in Amsterdam Oud-Zuid. Hij twijfelde lange tijd over een toekomst als profvoetballer dan wel schrijver, maar koos voor een studie filosofie aan de UvA. Begin 2021 verscheen zijn debuutroman over Sofie, die een nogal eenzame route naar volwassenheid aflegt.

Het boek zit vol humor over zaken als Ajax, haar Joodse familiegeschiedenis en pretentieuze medestudenten filosofie, maar heeft als leidraad ook stekende angsten: over het verlies van haar moeder en de vraag wie ze nu eigenlijk is – meisje of meer jongen. Het autobiografische verhaal werd enthousiast ontvangen en is inmiddels in twaalf talen vertaald.

Twee jaar na zijn romandebuut heeft Tobi Lakmaker op zaterdag een column in het Volkskrant magazine, werkt hij op zondag als pizzabakker in de Nieuwmarktbuurt en is hij bezig met een volgend boek. We lopen een rondje langs plekken uit zijn jeugd.

‘Het ding van voetballen in Oud-Zuid is: het is nogal een eenzame bezigheid. De meeste kinderen hier willen hockeyen.’ We staan op het pleintje voor de Obrechtkerk en Tobi Lakmaker vertelt: ‘Op mijn zevende besloot ik profvoetballer te worden. Daarom moest ik van mezelf drie uur per dag trainen. Dit pleintje was daarvoor heel geschikt dankzij de trappen voor de kerk: één keer schieten op de eerste tree, dan op de tweede… enzovoort, tot bovenaan. En eindeloos tegen die muur schieten natuurlijk, een muur waarachter overigens muziekles werd gegeven. Daar waren ze niet altijd blij met mij.’

Tobi Lakmaker praat weloverwogen en uitvoerig, wil graag iets verduidelijken. Tegelijkertijd formuleert hij onverwacht en grappig. Maar waar het ook over gaat, het gesprek keert altijd weer terug bij voetbal. Als kind van 5 begon Tobi bij Swift, stapte als 17-jarige over naar Buitenveldert en tegenwoordig voetbalt hij bij Footy, waar vriendenteams op een half veld 6 tegen 6 spelen.

WIE: TOBI LAKMAKER (29)

Schrijver, pizzabakker, voetballer. Studeerde filosofie. Debuteerde met De geschiedenis van mijn seksualiteit. Zijn moeder, Joosje Lakmaker, schreef vaak voor Ons Amsterdam.

‘Het ding van voetballen in Oud-Zuid is: het is nogal een eenzame bezigheid. De meeste kinderen hier willen hockeyen.’ We staan op het pleintje voor de Obrechtkerk en Tobi Lakmaker vertelt: ‘Op mijn zevende besloot ik profvoetballer te worden. Daarom moest ik van mezelf drie uur per dag trainen. Dit pleintje was daarvoor heel geschikt dankzij de trappen voor de kerk: één keer schieten op de eerste tree, dan op de tweede… enzovoort, tot bovenaan. En eindeloos tegen die muur schieten natuurlijk, een muur waarachter overigens muziekles werd gegeven. Daar waren ze niet altijd blij met mij.’

Tobi Lakmaker praat weloverwogen en uitvoerig, wil graag iets verduidelijken. Tegelijkertijd formuleert hij onverwacht en grappig. Maar waar het ook over gaat, het gesprek keert altijd weer terug bij voetbal. Als kind van 5 begon Tobi bij Swift, stapte als 17-jarige over naar Buitenveldert en tegenwoordig voetbalt hij bij Footy, waar vriendenteams op een half veld 6 tegen 6 spelen.

Voetbal is een leidraad in het leven van de schrijver. ‘Ik was als kind totaal geobsedeerd door Cruijff, ook al voetbalde hij in mijn jeugd allang niet meer. Ooit zag ik hem langs dit pleintje rijden en kreeg onmiddellijk een visioen waarin ik snel naar huis rende om een bal te halen, zodat ik hem kon laten zien wat ik kon. Maar na dat visioen was hij helaas al de hoek om. Cruijff vormt voor mij nog steeds een soort houvast. Ik moest laatst planken voor een nieuwe vloer kiezen en had keus uit verschillende breedtematen: ik koos die van 14 cm.’

Vanaf de Obrechtkerk wordt onze wandeling een memory lane. Eerst lopen we langs Lakmakers geboortehuis in de Johannes Verhulststraat op weg naar het volgende trainingsveldje. Onderweg komen we langs een hek waarachter zich volgens Tobi een ‘exclusief speeltuintje’ bevindt. Typisch Oud-Zuid, vindt hij. ‘Daar moest je een sleutel van hebben, maar ik heb tot op de dag vandaag niemand ontmoet die ‘m heeft.’

Bij de Emmastraat slaan we rechtsaf. ‘Op de hoek daar,’ wijst hij, ‘waar nu die sportschool zit, was vroeger een politiebureau. En zie je dat grimmige pleintje even daarvoor? Dat noemden we het politiepleintje. Er valt nooit licht en het is, met die graffiti op de betonnen muur, voor deze buurt nogal rough. En dan dat hoge hek met die puntige spiezen! Wat een náár signaal naar de voetballende mens. Ik begrijp niet waarom dat nodig is.

Hier kwam ik vaak toen ik op de middelbare school zat. Voetballen had op die leeftijd voor mij niet meer dat lichte en vrolijke wat ik als kind voelde. Als puber legde ik mezelf nog meer druk op om een zo goed mogelijke speler te worden. Misschien dat die grimmige sfeer daar eigenlijk wel goed bij paste.’

We lopen de Emmastraat uit, steken de Willemsparkweg over en gaan het Vondelpark in. In het Vondelpark bouwde de kleine Tobi hutten, en later rookte hij achter het Openluchttheater zijn eerste jointje. Als we bij het terras van Groot Melkhuis zijn, wil Tobi even kijken of die grote speeltuin er nog is. Die is er nog, maar gaat schuil achter een flinke heg die er vroeger niet was. Er is wel meer veranderd. Zo moet je tegenwoordig via een QR-code je consumpties bestellen.

Tobi heeft goede herinneringen aan deze plek: ‘Er was een kabelbaantje in die speeltuin en de ouders van een vriendinnetje woonden boven het Groot Melkhuis. Daardoor kwam ik ook vaak in de speeltuin. Mijn moeder beweerde dat daar boven het restaurant ooit een moord was gepleegd, wat ik nooit heb kunnen verifiëren. Maar mijn moeder had het over het algemeen wel bij het juiste eind.’

Tobi’s debuutroman speelt zich voor een deel af tegen het decor van Amsterdam-Zuid. Voelt hij zich daardoor verwant met schrijvers als Robert Vuijsje en Arnon Grunberg, bij wie dit stadsdeel ook nadrukkelijk een rol speelt in hun eerste roman?

‘Grunberg beschrijft in Blauwe Maandagen een ander deel van Zuid, dat begint na de Apollolaan. Het is misschien wat aanstellerig om daar zo’n gewicht aan te hangen, maar die laan vormt wel het onderscheid tussen het relatief gezellige en het volmaakt óngezellige deel van Zuid. Gelukkig woonde ik aan de goede kant.

In Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje herken ik, net als bij Grunberg overigens, wel het feit dat Oud-Zuid natuurlijk een oneindige bron van grappen vormt. Mijn ouders waren typische Zuid-ouders in zoverre dat ze me altijd lieten weten dat wij eigenlijk niet in die buurt thuishoorden. Eerst geloof je dat, daarna ontdek je dat het juist typisch Zuid is om je verheven te voelen boven de rest.’

Sinds kort woont Tobi in de Mercatorpleinbuurt. Hij is er nu al zeer over te spreken: ‘Er woont een mix van oude Amsterdammers, nieuwkomers, oud en jong door elkaar. Mijn onderbuurvrouw heet Henny Huisman en ze heeft een briefje achter haar raam geplakt met de tekst: “Henny Huisman neemt geen pakjes aan”. Daardoor dacht ik eerst dat daar misschien niet zo’n aardig iemand zou wonen. Maar op de dag dat ik was verhuisd, stond ze voor mijn neus met een bos bloemen. Ik vind het wel leuk om een buurvrouw te hebben die bloemen belangrijker vindt dan pakketjes.’

Tobi’s nieuwe huis moet nog verbouwd worden en daar is hij druk mee bezig. Op de vraag of hij handig is, volgt een genuanceerd antwoord: ‘Ik merk dat mannen al snel als handig worden beschouwd, enkel en alleen omdat ze het zelfvertrouwen hebben om de klus in kwestie te klaren. Vrouwen wordt dat zelfvertrouwen vanaf jongs af aan uit het hoofd gepraat, en worden vervolgens als onhandig bestempeld. Wanneer ik als man in de Praxis kom, krijg ik onmiddellijk allerlei handige tips over klussen, terwijl je als vrouw eerder benaderd wordt met de vraag: Ga je dat allemaal zelf doen? Dat zijn wel dingen die me bezighouden en opvallen.’

Het eerste boek van Tobi, dat vol zit met observaties en grappen over onze blik op mannen en vrouwen, werd overal goed besproken. Hoe zit het met een volgende roman? ‘Ik heb ideeën en een bepaalde toon in mijn hoofd, maar met het schrijven ben ik nog niet zo ver. De afgelopen twee jaar waren vrij ingrijpend, door een combinatie van mijn transitie, de storm rondom mijn boek en de nog verse rouw over mijn moeder. Ik geloof in een zo volledig mogelijke overgave aan een boek, en dat lukt onder die omstandigheden moeilijk.

Ondertussen schrijf ik mijn wekelijkse column voor de Volkskrant en sta ik als pizzabakker bij Il Sogno in de Nieuwmarktbuurt. Ik werk daar met verder alleen maar Italianen, dus ik durf te hopen dat ik inmiddels wel een aardige pizza kan bakken. Het geheim van een echt goeie pizza? Al die Italianen doen hysterisch over de juiste hoeveelheid gist.’

We lopen verder, via de PC Hooftstraat het Vondelpark uit en rechtsaf de Eerste Constantijn Huygensstraat in. We komen langs het Stedelijk Museum en stoppen bij de Albert Heijn onder ‘het ezelsoor’ op het Museumplein. Hier wil Tobi even naar binnen, want dit was een belangrijke ontmoetingsplek uit zijn jeugd. Hij zat vaak met zijn vrienden boven op het schuin aflopende dak, maar nog liever doken ze onder de grond om in de supermarkt roze koeken en energydrankjes te kopen.

Door de supermarkt heen lopen we naar de reusachtige parkeergarage. Ook hier liggen heel wat herinneringen en mooie uurtjes: skaten op de gladde vloer, voetbalpartijtjes… ‘Wist je dat je helemaal onder de grond kunt doorlopen en er bij restaurant Cobra weer uit kunt?’

Dat doen we nu niet, maar pakken de uitgang die recht voor het Concertgebouw uitkomt. Via het Concertgebouwplein lopen we weer terug naar de Obrechtkerk.

Onderweg vertelt Tobi over zijn lagere school, de Nicolaas Maes, net aan de andere kant van de De Lairessestraat. Hij vond het daar zo fijn dat hij liever helemaal niet naar de middelbare school ging: ‘In groep 6 had ik een juf, daar was ik zo dol op, eigenlijk had ik toen al moeten doorhebben dat ik op vrouwen viel. Zij was echt mijn idool. Ze hield een keer een betoog over pesten in de klas, ik weet nog goed wat een indruk dat toen op mij maakte! Van die juf kreeg ik een bericht toen mijn boek net was uitgekomen. Ze had het mooi gevonden. Dat vond ik wel heel tof!’